1 Kronieken 9:1-13
Het eerste vers ziet terug op de tevoren genoemde geslachtsregisters, en deelt ons mee dat zij bijeengebracht zijn uit het boek van de koningen van Israël en Juda, niet het boek, dat wij in de kanon van de Schrift hebben, maar een ander, een burgerlijk gedenkschrift, dat authentiek was, zoals bij ons (in Engeland) des konings boeken.
Melding makende van Israël en Juda neemt hij nota van hun wegvoering naar Babel om hunner overtreding wil. Laat dat oordeel nooit worden vergeten, maar steeds in gedachtenis worden gehouden ter waarschuwing van het nageslacht, opdat zij zich wachten voor de zonden, die het over hen hebben gebracht. Telkenmale als wij spreken van een ramp, die ons getroffen heeft, is het goed om er dit bij te voegen: "het was om mijn overtreding," opdat God rechtvaardig zij in Zijn spreken en rein zij in Zijn oordelen.
Dan volgt een bericht van de eerste inwoners na hun terugkeer uit de ballingschap, die in hun steden woonden, inzonderheid te Jeruzalem.
1. De Israëlieten. Die algemene naam wordt gebruikt, vers 2.
Omdat met die van Juda en Benjamin er velen waren van Efraïm en Manasse en de andere tien stammen, vers 3 de zodanigen, die naar Juda ontkomen zijn, toen het gros van het volk gevankelijk weggevoerd werd, of na de omwentelingen in Assyrië naar Juda waren teruggekeerd en toen met Juda in ballingschap gingen of Juda ontmoet hebben toen zij in Babel waren zich met hem vergezelden, en aldus in het voorrecht deelden van hun bevrijding.
Er was voorzegd dat "de kinderen van Juda en de kinderen Israëls samenvergaderd zullen worden, en uit het land zullen optrekken", Hosea 1:11 en weer een enig volk zullen zijn, Ezechiël 37:22.
Smart en benauwdheid brengen hen tot elkaar, die onenig waren, en de stukken metaal, die gescheiden waren, zullen, als zij in dezelfde smeltkroes gesmolten worden, weer samenvloeien.
Zowel van Juda als van Israël bleven velen achter in de ballingschap, maar sommigen van beide, wier geest door God opgewekt was, vroegen weer naar de weg van Zion.
Verscheidenen worden hier genoemd, en nog meerderen geteld, die hoofden van de vaderen waren, vers 9, die, als ware Israëlieten, met eer herdacht moeten worden.
2. De priesters, vers 10. Het was hun tot lof, dat zij met de eersten kwamen. Wie zal voorgaan in een goed werk indien de priesters des Heeren dienaren, het niet doen? Het was tot lof des volks, dat zij zonder hen niet wilden komen, want wie anders dan de priesters zal wetenschap bewaren? Wie anders dan de priesters zal hen zegenen in de naam des Heeren?
a. Van een hunner wordt gezegd dat hij de overste was des huizes Gods, vers 11. Niet de voornaamste overste, want Jozua was toen de hogepriester, maar de sagen, de overste onder hem, zijn plaatsvervanger, die zich misschien nog meer op de zaken toelegde dan de hogepriester zelf. In het huis Gods moeten oversten, bestuurders, zijn, niet om nieuwe wetten te maken, maar om zorg te dragen dat de wetten Gods behoorlijk worden nagekomen, zowel door de priesters als door het volk.
b. Van velen hunner wordt gezegd dat zij kloeke helden waren aan het werk van de dienst van het huis Gods, vers 13. Er is in het huis Gods dienst, die gedaan moet worden, voortdurende dienst, en het is gelukkig voor de kerk als zij voor die dienst gebruikt worden, die er bekwaam voor zijn, "bekwaam gemaakt om dienaren te zijn des Nieuwen Testaments", 2 Corinthiers 3:6.
Voor de dienst van de tempel werd ten allen tijde, maar inzonderheid in het moeilijk tijdsgewricht toen zij pas uit Babel waren teruggekomen, grote moed en veel geestkracht vereist, zowel als lichaamskracht, en daarom worden zij als `kloeke helden' geprezen.