1 Kronieken 6:31-53
Toen de Levieten voor het eerst geordend waren in de woestijn, bestond veel van het werk, dat hun was aangewezen, in het dragen en verzorgen van de tabernakel en zijn gereedschappen, zolang zij op hun tocht waren door de woestijn.
In Davids tijd was hun aantal toegenomen, en hoewel de meesten van hen verspreid waren door het gehele land, om het volk de goede kennis des Heeren te leren was er toch voor hen, die dienst deden in het huis van God, niet voortdurend werk voor allen.
Daarom heeft David door bijzondere opdracht en leiding van God een nieuwe ordening gemaakt voor de Levieten, zoals wij in het laatste gedeelte van dit boek zien zullen. Hier wordt ons gezegd wat het werk was, dat hij hun aanwees.
I. Werk van zingen, vers 31. David werd hoog opgericht om de lieflijke psalmist van Israël te zijn, 2 Samuël 23:1, niet alleen om psalmen te schrijven, maar om er het zingen in het huis Gods van te verordineren, (niet zozeer omdat hij muzikaal was als wel omdat hij Godvruchtig was), en dit deed hij nadat de ark tot rust gekomen was.
Zolang deze in gevangenschap was of in een afgelegen plaats verbleef, ongevestigd was, waren de harpen aan de wilgen gehangen, men vond het toen geen tijd om te zingen (als de bruidegom weggenomen is, dan zullen zij vasten), maar met het opbrengen van de ark werden de harpen weer ter hand genomen, de zang herleefde en bleef beoefend worden, want wij moeten ons evenzeer verblijden in de voortduring van onze geestelijke voorrechten als in de herstelling er van.
Toen de dienst van de ark ophield, wijl zij tot niet was gekomen, werd hun ander werk te doen gegeven, (want Levieten moeten nooit lui of ledig zijn), en werden zij gebruikt in "het ambt des gezangs".
Zo zullen de kinderen Gods, als zij komen tot de rust, die voor hen overblijft hierboven, afscheid nemen van al hun lasten, en gebruikt worden in altijddurend zingen.
Deze zangers verrichtten die dienst in de tabernakel totdat de tempel gebouwd was, en toen stonden zij daar naar hun wijze in hun ambt, vers 32.
Toen zij in dat statige, prachtige huis kwamen, bleven zij even getrouw aan hun ambt en aan hun order, als zij in de tabernakel geweest waren. Het zou te betreuren zijn, als de bevordering van de Levieten hen nalatig zou maken in hun werk.
Wij hebben hier een bericht van de drie grote meesters, die in de dienst "des heiligen gezangs" gebruikt werden, met hun onderscheidene gezinnen, want zij "stonden daar met hun zonen", dat is: die met hen, die van hen afstamden of aan hen verwant waren, vers 33.
Heman, Asaf en Ethan waren de drie, die tot deze dienst werden aangesteld, een uit ieder van de drie huizen van de Levieten, opdat er gelijkheid zou zijn in de verdeling van dit werk van de ere, en ieder zijn plaats zou kennen, zo bewonderenswaardig een orde was er in deze koordienst. 1. Van het huis van Kahath was Heman met zijn gezin, vers 1 en 33, een man, bezwaard van geest, indien hij dezelfde Heman is, die de 88sten psalm geschreven heeft, en toch een zanger.
Hij was de kleinzoon van Samuël, de profeet, de zoon van Joël, van wie gezegd is dat hij "niet wandelde in de wegen van Samuël" 1 Samuël 8, 2, 3 , maar het schijnt dat, hoewel de zoon het niet deed, de kleinzoon het wèl deed.
Zo gebeurt het soms dat de zegen, beloofd aan het zaad van de oprechten, een geslacht voorbijgaat, om op het volgende te komen. En hoewel deze Heman de kleinzoon was van allen machtigen vorst, heeft hij het toch niet bereden zijn waardigheid geacht, om een voorzanger te zijn in het huis Gods.
David zelf had er een dorpelwachter in willen wezen. Wij kunnen deze bevordering van de kleinzoon in de kerk veeleer beschouwen als een beloning voor de nederiger, bescheiden, afstand van zijn gezag in de staat, door de grootvader gedaan. God heeft vele van zulke middelen om het verlies, dat Zijn kinderen lijden, te vergoeden.
Misschien heeft David, toen hij Heman tot opperzangmeester aanstelde, hierin wel enigen eerbied voor zijn ouden vriend Samuël willen betonen.
2. Uit het huis van Gersom was Asaf, zijn `broeder' genoemd, omdat hij in hetzelfde ambt en van dezelfde stam was, zij het dan ook van een ander huis of geslacht. Hij werd aan Hemans rechterhand in het koor geplaatst, vers 39.
Verscheidene psalmen dragen zijn naam hetzij dat zij door hem geschreven zijn of door hem als opperzangmeester getoonzet werden. Het is duidelijk dat hij de schrijver was van sommige psalmen, want wij lezen van hen, die de Heere loofden met de woorden van David en van Asaf, want hij was een ziener zowel als een zanger, 2 Kronieken 29:30. Zijn stamboom gaat hier door geheel onbekende namen tot aan Levi, vers 39-43.
3. Van het huis van Merari was Ethan, vers 44, die geplaatst werd aan Hemans linkerhand. Ook zijn stamboom klimt op tot aan Levi, vers 47.
Indien deze de Heman en de Ethan waren die de 88sten en 89sten psalm geschreven hebben, dan zien wij hier geen reden waarom zij `Ezrahieten' genoemd werden, (zie de opschriften van deze psalmen), zoals er wel een reden is waarom zij zo genoemd worden, zoals die in Hoofdstuk 2:6 vermeld zijn, die de zonen waren van Zerah.
II. Er was werk om te dienen, zeer veel dienst "des tabernakels van het huis Gods", vers 48, water en brandstoffen aan te dragen, te wassen en te vegen en de as weg te brengen te slachten en de offers te koken, voor al zulke diensten werden Levieten van de andere geslachten aangesteld, of misschien wel de zodanigen, die hetzij omdat zij geen goede stem of geen muzikaal oor hadden, ongeschikt waren om zangers te zijn.
Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve. Zij die niet konden zingen, moesten daarom niet als geheel onnut ter zijde worden gesteld hoewel zij ongeschikt waren voor deze dienst was er ander werk, waarin zij nuttig konden zijn. III. Er was werk bij de offeranden, en dat moest alleen door de priesters verricht worden vers 49. Zij alleen moesten het bloed sprengen en het reukwerk branden, en wat betreft het werk van het heilige van de heiligen, dat moest alleen door de hogepriester verricht worden.
Ieder had zijn werk, en zij hadden elkaar er bij nodig, en zij hielpen er elkaar in. Betreffende het werk van de priesters wordt ons hier gezegd:
1. Wat het doel was, dat zij er bij in het oog moeten hebben, zij moesten verzoening doen over Israël, middelaars zijn tussen het volk en God, niet zichzelf verhogen en verrijken, maar het volk dienen. Zij waren gesteld voor de mensen.
2. Welke regel zij in het oog hadden te houden, zij gingen voor in Gods huis, maar moeten doen wat hun gezegd was te doen, naar alles wat God had geboden. Aan die wet zijn ook de hoogsten onderworpen.