1 Kronieken 21:7-17
David bevindt zich hier onder de roede, omdat hij het volk geteld had, de tuchtroede die de dwaasheid uitdrijft, welke in het hart gebonden is, de dwaasheid van de hoogmoed. Laat ons kortelijk opmerken:
I. Hoe hij getuchtigd werd. Als Godsliefste kinderen verkeerd doen, moeten zij verwachten er voor te zullen boeten.
1. Er wordt hem te verstaan gegeven dat God misnoegd is, en dat baart aan zo Godvruchtig een man als David was, geen kleine onrust, vers 7.
God merkt de zonden Zijns volks op, en is er misnoegd over, en geen zonde mishaagt Hem meer dan hoogmoed des harten, ook is er voor een Godvruchtige ziel niets meer vernederend en smartelijk, dan zich onder Gods misnoegen te zien.
2. Het wordt hem in de keus gelaten of hij gestraft wil worden door oorlog, hongersnood of pestilentie, want gestraft moet hij worden, en wel door een van deze. Ter van zijn grotere vernedering wordt hij aldus in de engte gedreven zodat het hem zeer bange is, en de verschrikking van alle drie deze oordelen heeft hij ongetwijfeld voor ogen, terwijl hij er over nadenkt welke van de drie hij kiezen zal.
3. Hij hoort van zeventig duizend van zijn onderdanen, die binnen weinige uren gedood zijn door de pestilentie, vers 14.
Hij was hoogmoedig op de menigte zijns volks, maar de Goddelijke gerechtigheid nam maatregelen om hun aantal te verminderen.
Rechtvaardig wordt ons datgene ontnomen, verzwakt, of bitter voor ons gemaakt, waar wij ons op verhovaardigd hebben.
David wil het volk geteld hebben: "brengt het getal tot mij, dat ik hun getal wete", zegt hij. Maar nu telt God hen naar een andere wijze, telt hen ten zwaarde, Jesaja 65:12.
En er werd aan David een ander getal van hen gebracht, een getal, dat meer tot zijn beschaming is dan het andere tot zijn voldoening was, het getal van de verslagenen, namelijk, een zwarte sterftelijst, die nadelig opweegt tegen zijn monsterrol.
4. Hij ziet de verderfengel met zijn uitgetrokken zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem, vers 16.
Dit moest wel zeer ontzettend voor hem wezen, daar het een zichtbare aanduiding was van de toorn des hemels, en de algehele verwoesting dreigde van de beminde stad.
Pestilentiën richten de grootste verwoestingen aan in de meest bevolkte plaatsen. Het zien van een engel, hoewel vreedzaam komende en met een vriendelijke boodschap, heeft zelfs helden doen sidderen, hoe vreeslijk moet dan het gezicht niet geweest zijn van een engel met een uitgetrokken zwaard in zijn hand, een vlammend zwaard, zoals dat van de cherubim, dat zich omkeerde om de weg naar de boom des levens te bewaren! Terwijl wij onder de toorn Gods zijn, zijn de heilige engelen tegen ons gewapend, hoewel wij hen niet zien zoals David deze engel gezien heeft.
II. Hoe hij de kastijding droeg.
1. Hij deed een zeer boetvaardige belijdenis van zijn zonde en bad vurig, dat zij hem vergeven mocht worden, vers 8.
Nu erkent hij gezondigd te hebben, erg gezondigd te hebben, zeer kwalijk gehandeld te hebben, en hij smeekt dat, hoe hij er ook gekastijd voor moet worden, de ongerechtigheid er van toch mocht worden weggedaan.
2. Hij nam de straf aan van zijn ongerechtigheid: "dat toch Uw hand tegen mij en tegen het huis mijns vaders zij". Ik onderwerp mij aan de roede, alleen maar, laat mij de lijder zijn want ik ben de zondaar, mijns is het schuldige hoofd, waarop het zwaard gericht moet zijn."
3, Hij geeft zich over aan Gods barmhartigheid, (hoewel hij wist dat Hij toornig op hem was), en koesterde generlei harde gedachten van Hem.
Laat mij toch in de hand des Heeren vallen want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, vers 13.
Godvruchtige mensen denken goed van God, zelfs als Hij hen toornig aanziet. "Zo Hij mij doodde, toch zal ik op Hem betrouwen", Job 13:15.
4. Hij geeft een zeer tedere bezorgdheid te kennen voor het volk, het trof hem in het hart hen geplaagd te zien om zijn overtreding: "deze schapen, wat hebben die gedaan?"