1 Corinthiërs 7:17-24
Hier gaat de apostel er toe over om hen te vermanen te blijven een ieder in de beroeping, waarin het Christendom hen vond en waarin zij bekeerd werden, en dus
I. In het algemeen is de regel: gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft. Onze staat en omstandigheden in deze wereld zijn beschikkingen van de goddelijke Voorzienigheid. Deze bepaalt der mensen woonplaats en leidt hun gangen. God vernedert en verhoogt. En dus: zoals de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele. Welke ook de omstandigheden en toestand mogen zijn, waarin hij tot het Christendom bekeerd werd, laat hem daarin blijven en alzo wandelen. De regelen van het Christendom zijn voor elke toestand bruikbaar. In elke staat moeten we zo leven, dat wij er een aanbeveling voor zijn. Het is de plicht van iedere Christen om zijn gedrag te regelen naar zijn staat en de voorschriften van zijn godsdienst, tevreden te zijn met zijn lot, en zich in zijn stand en plaats te gedragen zoals het een Christen betaamt. De apostel voegt er bij, dat deze algemene regel geldt voor alle tijden en voor alle gemeenten. Alzo verorden ik in alle gemeenten.
II. Hij onderscheidt verschillende gevallen, en wel:
1. Dat der besnijdenis. Is iemand besneden zijnde, geroepen die late zich geen voorhuid aantrekken. Is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden. Het doet er niet toe of men Jood of Heiden was, binnen of buiten het verbond van afzondering met Abraham gemaakt. Hij, die Jood zijnde bekeerd werd, make zich daarom geen moeite en wense zich niet onbesneden. Evenmin is hij, die uit het Heidendom bekeerd werd, verplicht besneden te worden, ook behoeft hij er zich niet over te bekommeren, dat hij het teken der onderscheiding mist, waardoor men vroeger tot het volk Gods behoorde. Want, zo gaat de apostel voort, de besnijdenis is niets en de voorheid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods, vers 19. Ten opzichte van de aanneming door God doet het er niets toe of men al dan niet besneden is. Het is de praktijk van den godsdienst, de oprechte onderhouding van de geboden Gods, waarop het Evangelie den nadruk legt. Uitwendige maatregelen zonder innerlijke godsvrucht hebben geen waarde. Laat daarom ieder blijven in die beroeping (dien toestand) waarin hij geroepen is, vers 20.
2. Dat van dienstbaarheid of vrijheid. In dien tijd waren velen in den toestand van slavernij, gekocht en verkocht voor geld, en daardoor het eigendom van wie hen kocht. Welnu, zegt de apostel: Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren. Wees daarover niet al te zeer bekommerd. Het is niet onbestaanbaar met plicht, belijdenis of hoop van den Christen. Maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever, vers 21. De toestand van vrijheid biedt voordelen aan boven dien der dienstbaarheid, iemand heeft meer macht over zich zelven, meer beschikking over zijn tijd, en staat niet onder de bevelen van een anderen heer, derhalve is de vrijheid de meest- verkieslijke staat. Maar `s mensen uitwendige toestand verhindert of bevordert zijne aanneming door God niet. Want hij, die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, is een vrijgelatene des Heeren, desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. Ofschoon hij niet ontslagen is van dienstbaarheid aan zijn meester, hij is bevrijd van de knechtschap der zonde. Ofschoon hij niet door Christus slaaf gemaakt is, hij is gehouden zich geheel aan Zijn welbehagen en dienst te wijden, en die dienst is de hoogste vrijheid. Ons geluk en gemak zijn afhankelijk van hetgeen wij in Christus zijn, en niet van hetgeen wij in de wereld zijn. De voordelen van onzen uitwendigen toestand ontslaan ons niet van onze verplichtingen tegenover het Christendom, en de nadelen beroven ons niet van Christelijke voorrechten. Hij, die slaaf is, kan in Christus vrij man zijn, hij, die vrij is, is de dienstknecht van Christus. Hij is duur gekocht, en mag daarom geen dienstknecht van mensen zijn. Niet dat hij daarom den dienst zijns meesters verlaten moet, of niet alles moet aanwenden om zijn meester te behagen (dat zou in tegenspraak wezen met het gehele betoog des apostels), maar hij moet niet zo een dienstknecht van mensen zijn dat daardoor den wil zijns meesters meer ontzien en gehoorzaamd zou worden dan die van Christus. Deze heeft veel hoger prijs voor hem betaald en dus veel meer eigendomsrecht op hem. Dien moet hij gehoorzamen zonder enige beperking of terughouding. De dienstknechten van Christus moeten aan geen anderen meester dan aan Hem onbepaald gehoorzamen en niemand meer dienen dan met hun plicht bestaanbaar is.
Niemand kan twee heren dienen. Maar sommigen vatten dit woord des apostels op van mensen, die door de goedheid en weldadigheid van hun mede-Christenen uit de ketenen der slavernij vrijgekocht zijn, en lezen: Zijt ge uit de slavernij duur gekocht? Wordt dan niet opnieuw dienstbaar, omdat hij juist even tevoren had gezegd dat zij indien ze in slavernij enigen kans hadden om vrij te komen, dat liever moesten verkiezen. Het is mogelijk dat de woorden dit betekenen, maar de eerste verklaring is de natuurlijkste. Zie Hoofdstuk 6:20.
III. Hij besluit zijn raad met: Een iegelijk, waarin hij geroepen is, die blijve in hetzelve bij God, vers 24. Daarmee is bedoeld de toestand, waarin hij bij zijne bekering tot het Christendom was. Niemand mag zijn geloof en belijdenis tot voorwendsel maken om zijn natuurlijke en burgerlijke verplichtingen te verbreken. Ieder moet rustig en gewillig wachten in den toestand, waarin hij is, en dit kan hij doen, want hij wacht daarin met God. De bijzondere tegenwoordigheid en gunst Gods hangen niet af van enigen uitwendigen toestand. Hij die besneden is en hij die in den voorhuid is, kunnen die beiden genieten. Hij die gebonden is kan haar hebben zowel als hij die vrij is. In dat opzicht is er niet Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, Colossenzen 3:11. De gunst Gods is niet gebonden.