10. Dwaal niet (
Hoofdstuk 15:33.
Galaten 6:7), a) noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het koninkrijk van God beërven (
Galaten 5:19,
Efeze 5:5).
a) Openbaring 2:15.
"Onrechtvaardigen" in Vers 1 van de heidenen gezegd wordt hier opzettelijk herhaald, om de gelijkstelling uit te drukken van hen, waarvan hij spreekt, met de heidenen. Zij zijn degenen, bij wie het onrecht doen gewoon is geworden, of die in het schenden van het recht volharden, zich niet boetvaardig daarvan afkeren. Dat nu een gedrag, dat het recht van God, de orde van de heilige liefde verstoort, wordt uitgesloten van het beërven van het rijk van God, zoals dit in zijn volkomenheid wordt gedacht, ligt in de aard van de zaak. In de gemeente te Corinthiërs schijnt het echter niet ontbroken te hebben aan lichtvaardige mensen, die zich en anderen probeerden te bepraten, dat God het zo nauw niet nam, dat hem, die in de Christelijke gemeente was ingegaan, die erfenis niet kon uitgaan. Zo bestond onder de Joden de mening, dat reeds het geloof in één God ook bij een zondig leven voor de toekomstige straffen beveiligde (Jakobus 2:19). Voor zulke lichtzinnige woorden waarschuwt Paulus met het woord: "Dwaal niet, laat u niet verleiden! " en hij laat een nadere optelling volgen van de onzedelijkheden, die van de erfenis van het rijk van God uitsluiten.
Heeft de apostel in Hoofdstuk 5:9, zijn gebod, dat in de eerste plaats op de hoereerders betrekking heeft, namelijk om geen verkeer met zulke te houden, over alle dergelijke uitgestrekt, zo strekt hij nu ook de uitsluiting uit het rijk van God, die hij in de eerste plaats de onrechtvaardigen heeft aangekondigd, uit over allen, die in grove zonden leven, terwijl hij telkens twee verschillende soorten verbindt 1) noch hoereerders noch afgodendienaars, 2) noch overspelers noch ontuchtigen, 3) noch die bij mannen liggen noch dieven, 4) noch gierigaards noch dronkaards, 5) noch lasteraars noch rovers. Hij noemt drieërlei geslachtszonden op (hoererij, overspel, bij mannen liggen) en drieërlei soorten van zonden tegen de eigendom (heimelijke diefstal, de winzucht, die anderen benadeelt, de openlijke beroving); daarbij komen de zonden van weelderigheid, dronkenschap, lastering en deelnemen aan afgoderij. Die de eer van zijn naaste schandvlekt en het goed van de naaste tot zich trekt, staan bij elkaar, eveneens de gierigaard en de dronkaard, die met de man ontucht bedrijft en die de vrouw van de naaste verleidt, de heimelijke misdadiger tegen de goddelijke orde van eigendom en de zondaar tegen de goddelijke regeling van het geslachtsleven, de hoereerder, die niet de man van één vrouw en de afgodendienaar, die niet de vereerder van één God is. Opzettelijk verbindt de apostel de verschillende soorten van zware zonden zo veelvuldig tezamen, om voor te stellen, hoe zij alle één zijn; maar vooral zijn het de zonden, die aan volken, volgens hun natuur ontwikkeld, in het bijzonder eigen zijn, die ook elders als hoererij en gierigheid (Efeze 5:3) bij elkaar worden genoemd, wier verschillende soorten en namen gedurig terugkeren.
Ontzettend streng en geducht is de uitspraak, die de Apostel deed over allen, die in een of andere openbare en ergerlijke zonde leefden; maar zij is volkomen waarachtig, omdat onheiligheid met gelukzaligheid net zo min als Christus met Belial en de gerechtigheid met de ongerechtigheid verenigbaar zijn. Elk, die zichzelf aan een van deze wandaden schuldig kent, moge daarbij opmerken dat hij het vonnis van de veroordeling al in zichzelf heeft, als hij zich niet bekeert en niemand vleit zich met een verschoning van de barmhartigheid, waarvoor buiten een ootmoedig, hartreinigend en met Christus verenigd geloof niet de minste grond is; maar daarom geeft de Apostel ook aan de Christenen te Corinthiërs te kennen, dat zo'n denk- en levenswijs wel tot hun vroegere stand behoorde, maar dat zij nu door de herinnering aan hun Doop, aan de heiligende invloed van de Geest en aan de vrijspraak van de genade, die zij in Christus Jezus hadden, tot een geheel andere levenswijs geroepen werden en verplicht waren, wilden zij hun belijdenis en hun overgang niet geheel verzaken en zichzelf niet van alle troost en hoop voor altijd beroven. Het Christendom roept tot liefde, heiligheid en nauwgezetheid en als wij daarin niet wandelen willen, dragen wij zijn naam geheel vergeefs, doen onze Heiland oneer aan en maken onszelf ten enenmale ongelukkig.