16. Zo vermaan ik u dan, a) wees mijn navolgers. Wandel ook u in ootmoed en zelfverloochening, zoals u die bij mij kunt opmerken (
Hoofdstuk 11:1. 1 Thessalonicenzen. 1:6. 1Co
Filippenzen 3:17).
a) 2 Thessalonicenzen 3:9.
De indruk van het gezegde, namelijk van de daarin vervatte paralellen tussen de apostelen en de lezers, kon zeker geen andere zijn dan een diep beschamende voor deze. Evenwel zegt de apostel, dat dit niet de bedoeling van zijn schrijven is. Want wat hij tot hen wil brengen is een vaderlijke vermaning, die zij nodig hadden. Wanneer deze voor hen niet zonder beschaming kon plaats hebben, dan is dat ten minste niet de gezindheid en de gedachte, die hem daarbij dringt.
"Vaders, terg uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden" (Colossenzen 3:21): dit gebod wilde Paulus zelf graag houden. Kon hij niet zonder beschaming uitspreken wat hij niet mocht verzwijgen, zo was de smart van zo'n beschaming niet zijn bedoeling, maar de opwekking van kinderlijke piëteit, waardoor zijn "lieve kinderen" mochten terecht worden gebracht en van de dwaling van hun weg teruggevoerd. Als de vermaning van een vader moesten zij aannemen wat hen beschaamde en zich niet verbitterd en schuw van hem afwenden.
Deze manier van bestraffing mag wel gevolgd worden, opdat boetvaardige harten niet tot wanhoop komen. Die belijdenis afneemt en zielenzorg waarneemt mag wel bij Paulus ter schole gaan.
De apostel grondt zijn recht om de Corinthiërs te vermanen op zijn vaderlijke betrekking tot hen, die hij in de eerste plaats noemt, terwijl hij dat vaderschap stelt tegen het enkel tuchtmeester zijn met heen wijzing naar andere leraars, die, hoe velen er ook mogen zijn, toch in andere betrekking tot hen staan dan hij, tot wie zij de oorsprong van hun geestelijk leven moeten terugleiden.
Het groot getal, dat Paulus bij de leermeesters noemt, ontleend aan de grote menigte slaven, die te Corinthiërs waren, zoals men die gewoonlijk tot het houden van opzicht en de opvoeding van onmondige kinderen bezigde, wijst op de rijkdom van gaven bij het leren, maar ook op de sterke drang om in de gemeente leraar te worden. Als hij in tegenstelling daarmee zegt: "niet vele vaders" wil hij de tegenstelling verzachten, daar hij eigenlijk slechts van één vader had moeten spreken en hij laat ook overigens enigen, zoals met name zijn metgezellen (Handelingen 18:5) enig aandeel toekomen aan het geestelijk vaderschap.