24. Mijn liefde zij (of misschien beter "is met u allen in Christus Jezus; zo velen als er in Hem zijn, met zo velen is ook mijn liefde. Amen. Het slotwoord in
Vers 24 is alleen aan de eerste brief aan de Corinthiërs eigen en wordt niet in de andere brieven van Paulus gevonden. De liefde, waarvoor hij in dit boek het kostbaar lied heeft gezongen (
Hoofdstuk 13), de liefde, die niet verbitterd wordt, alles verdraagt, gelooft, hoopt, duldt, de liefde, die nooit eindigt - zij brandde in het hart van Paulus en zo omvat hij met zijn liefde allen, allen tezamen in Christus Jezus; en wat zou hij liever willen dan dat zij, die gescheiden waren en tot het onchristelijke waren afgeweken, door zijn liefde zich lieten bewegen en dat zij tot de Heere Jezus zich zouden laten bekeren. Daartoe moet dan ook het belangrijk woord in
Vers 22 dienen. Als de apostel daar de pen wilde vatten om de gewone groet van zijn hand neer te schrijven, onder de door hem gedicteerde brief
Romeinen 16:22, schrok hij in zijn gedachte terug van hen, die misschien na het lezen van zijn vermaningen zonder berouw te gevoelen, zijn groet zich zouden toe-eigenen, die toch een groet in de Heere en een teken van gemeenschap in de Heere is.
Anathema betekent "vloek" d. i. verbanning uit de gemeenschap van God en de Zijnen. In de Christelijke gemeente behoort niemand te zijn, die Christus niet liefheeft; hij is hier en ginds uitgesloten van de zaligheid. "Maranatha" beduidt in het Aramees: de Heere komt. " De Apostel wilde met eigen hand nog een kort en krachtig woord ten besluite van de brief neerschrijven en hij voegde er in de hem gemeenzame, maar heilig en plechtig klinkende taal deze ernstige herinnering bij aan van de Heere nabij zijnde komst ten gerichte. Met de wens dat de genade van Jezus Christus hen steeds moge leiden en bewaren en de verzekering, dat zijn liefde in zoverre zij beiderzijds standvastig bleven in de gemeenschap met Christus steeds met hen zou zijn, sluit deze brief, die van zoveel wijsheid en liefde getuigt. (V.).
De brief aan "de gemeente van God, die te Corinthiërs is", is voltooid. Al wat de Apostel, die bijna achttien maanden in hun midden verkeerd heeft, de broeders in Achaje van uit Klein-Azië te zeggen heeft, is gezegd. De laatste vermaningen zijn gegeven, de verzochte groetenissen zijn gedaan. Niets ontbreekt dan de groetenis van Paulus zelf met zijn eigen hand, dat een teken is in iedere brief. Opdat dit werk van echtheid ook op deze brief gedrukt wordt, gaat de pen uit de hand van "Sosthenes, de broeder", die de brief geschreven heeft, over in de hand van de steller. Het is een plechtig ogenblik, het penseel van een gewijde kunstenaar wel waardig en waarvan al het gewicht moet worden gevoeld door een ieder, die iets voelt van de heilige ernst, die het hart van een apostel vervullen moest bij het drukken van het zegel van de voltooiing op een arbeid van deze betekenis. Nog een pennenstreek, nog een enkel woord en de brief, die zo vele vragen beantwoorden, in zo velerlei behoeften voorzien, zo menige verkeerdheid sluiten, zo menige dwaling terecht brengen en in het midden van de talrijke, maar helaas onenige gemeente van God te Corinthiërs een krachtig middel ter bevordering van geloof en hoop en liefde wezen moet, wordt opgerold, wordt in de hand van Stefanas gesteld en reist over zee en land, om te doen (God geve het!), waartoe hij biddend geschreven is en biddend gezonden wordt. Nog is hij niet gezonden; nog is hij niet opgerold; nog ligt hij open voor de blik van de apostel; nog is er tijd, nog is er plaats, voor zijn handtekening niet slechts, voor zijn liefdegroet niet alleen, maar ook voor een laatst, een allerlaatst woord van - wat zal het zijn? - vermaning of vertroosting? Mij dunkt, ik zie de apostel stilstaan, zich beraden, het oog ten hemel heffen. Daar grijpt hij de pen en met een hart brandende van de heiligste ijver voor zijn Heer en tegelijk vervuld van de tederste bekommering voor de zielen, waaraan hij die Heer gepredikt heeft, schrijft hij zijn naam en daarachter dit ontzaglijk woord: Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft die zij een vervloeking. Maranatha. Een ogenblik, dunkt mij, vertoeft hij als om uit te rusten van de gemoedsbeweging, waarin een woord als dit, geschreven heeft moeten worden, bij een hart als het zijne. De schaduw van heilige ernst, die zijn wenkbrauwen neergedrukt, zijn voorhoofd gerimpeld, zijn lippen samengeklemd heeft, gaat over in iets zachters. Er komt een glimlach, er komt een onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde en vriendelijkheid en vertedering. Weer wordt de pen opgevat en nu met vochtige ogen toegevoegd: De genade van de Heere Jezus Christus zij met jullie! Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus. Amen. - Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking. Maranatha. Hoe plechtig weergalmt na achttienhonderd jaren het woord van de heilige apostel nog steeds in de zielen, waartoe het gebracht wordt. Hoe plechtig! hoe vreselijk! Als een donderslag. Ja, als een donderslag, want ook donderslagen verkondigen liefde. Ook is het niet anders dan liefde, wat ons beweegt, met de heiligste ernst anderen te bepalen bij hetgeen ons voor onszelf met de heiligste ernst vervullen moet. Gelukkig dat hart, waarin bij het herhalen van een woord als dit die liefde leeft, die de vrees buiten sluit; de ziel, die in eenvoudigheid betuigen kan: Heere, U weet alle dingen; U weet dat ik U lief heb. Maar ook voor deze kan het zijn vrucht hebben, met heilige siddering stil te staan bij het ontzettend oordeel, waarmee het apostolisch woord hier dreigt, bij de vreselijkheid van de misdaad, die niet te bezitten, zo misdadig maakt en in zo'n oordeel vallen doet. Als iemand de Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij een vervloeking, zo schrijft de apostel; en hij gebruikt hier dezelfde uitdrukking, die wij ook in de brief aan de Galatiërs lezen, als hij aan deze schrijft: "Al was het ook dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt". De uitdrukking geeft te kennen dat hij, op wie ze met het hoogst en heiligst gezag wordt toegepast van de gemeenschap van Christus wordt uitgesloten, hier op aarde, zolang hij in de zonde blijft, die hem deze ban heeft op de hals gehaald, hierna, voor eeuwig, als hij die ban niet nog hier op aarde door ootmoed en berouw van zijn schuldig hoofd heeft weten af te wenden. Ach, hoe wenselijk, hoe dringend noodzakelijk is het, dat waar het geschieden moet, dit geen ogenblik wordt uitgesteld! Maranatha laat de apostel volgen en het welbekend en plechtig klinkend Syrisch woord heeft geen andere betekenis dan deze: De Heere komt. Zijn komen ten oordeel wordt bedoeld. Door dit komen wordt aller lot beslist. En voor de ongelukkigen, die Jezus Christus gekend hebben, maar Hem niet hebben liefgehad, zal een oneindige rampzaligheid de zin toelichten, maar nooit uitputten van dat woord: Vervloeking; van dat leed: Uitsluiting van de gemeenschap van Christus. Wij zullen ons in de voorstelling van dit oneindige leed niet verdiepen. De schildering van een ontzettende straf verbetert niet, maar verbittert, zo lang verstand en geweten van haar rechtvaardigheid niet overtuigd zijn. Maar deze overtuiging wordt geboren, wanneer het ontzettende van de misdaad, waarvan deze straf de vergelding is, met onpartijdigheid overwogen en ootmoedig erkend wordt. Zien wij dan af van de onvruchtbare poging de vlammen van de hel met doodverf te evenaren, of de akeligheden van de buitenste duisternis te peilen met de maatstaf van aardse jammeren. Het is genoeg als een heilzame huivering door de ziel vaart op het horen van dat éne woord: Vervloeking. Sterken wij ons slechts in de overtuiging, dat, wat dit woord ook in heeft, het zeker niets in heeft dat te hard of onrechtvaardig is voor die strafwaardige, die Jezus Christus kent en hem niet bemint.
Dat woord, hoe kan het anders, draagt een ernstig ontrustend karakter. Immers, het is bekleed met hoog gezag, het spelt de diepste ellende, het komt volstrekt algemeen over iedereen, die Christus niet liefheeft, al was hij zelfs in aller schatting de onberispelijkheid of lofwaardigheid zelf. Toch is dat vloekwoord volkomen rechtmatig, want wie heeft hoger aanspraak op de vurigste liefde van zijn verlosten dan Jezus en wat is ook, wel beschouwd, een Christendom, waaraan het levensbeginsel van de dankbare liefde tot de Redder van onze zielen ontbreekt? Er is dan ook geen twijfelen aan, of het is een waarachtig woord, dat de apostel hier neerschrijft; ja waarlijk, er is een vloek aan de liefdeloosheid jegens Christus verbonden; een vloek, die reeds hier wordt gedragen in gedurig klimmende mate en eindelijk in zijn volle kracht openbaar wordt aan de andere kant van het graf. Hoe dan is het hart, hoe onvruchtbaar het leven, hoe zwaar het lijden, hoe donker het sterven van de naam-Christen zonder liefde tot Jezus en wat kan hij anders dan het ergste verwachten, ten dage dat de verborgen dingen aan het licht gebracht worden! Met ontroering wenden wij het oog van de voorstelling af en toch, wij mogen voor dat vloekwoord de oren niet sluiten, omdat het nog altijd, ja zelfs in onze dagen, vooral zo uitnemend tijdig mag heten. Of laat het zich ernstig ontkennen, dat het heilig vuur van de liefde tot Christus op menig altaar verdoofd is, zelfs waar het vroeger helder gegloord heeft en dat meerderen dan wij kunnen tellen, met ons het hoofd moeten buigen voor het diep beschamend verwijt: ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde heeft verlaten.
CHRISTUS REMUNERATOR
Van de toren, Luid en schel, Doet het klingelend klokkenspel `t Plechtig middernachtsuur horen. `t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: "Maranatha, Jezus komt! "
Daar ruist bij nachten en bij dagen Een duizendstemmig geestenkoor, Een smachtend fluisteren en vragen de moederschoot der aarde door. Het ritselt in de groene blâren, Het murmelt in de ontroerde baren, Het zwerft in het koeltjen op en neêr. En alle heuvelen en dalen, De donders en de nachtegalen, Al het schepsel zucht: "Hoe lang nog, Heer? "
Zou de Aarde, o Koning! U vergeten, Al bent Ge uit haar gezicht verhoogd? Uw voetspoor is niet weggesleten, Al is Uw zoenbloed opgedroogd! Haar heugt het kloppen van Uw harte, Uw liefdetrouw en liefdesmarte, Uw worstlen van de kreb naar het kruis, Ze is aan Uw Hemel vastgeschakeld: U heeft in haar getabernakeld, Zij beidt U als Uw eeuwig Huis!
Zó blijft een woning eenzaam achter, Verreist de Heer naar verre kust: Zijn Geest, onzichtbre dorpelwachter, Omzweeft de wandlaar, die er rust. Maar het onkruid wortelt in de scheuren, De poort blijft op haar hengsels treuren, Tot - eindlijk! - de oude stem haar groet, Die het licht weêr door de venster schijnen, De doornen van het vervals verdwijnen, En liefde en leven keren doet!
Wanneer, o u verouderde aarde, Wier vreemd geworden kind ik ben! Wordt u opnieuw de levensgaarde, Waar ik mijn Vaderland herken? Wanneer zal ik de pelgrimsblikken Aan het Tweede Paradijs verkwikken. Waarvan u het Eerste een schaduw gaf? Godlof! wij zijn niet lang gescheiden! - Eén heuvel ligt nog tussenbeide: De groene heuvel van mijn graf!
Zo waak, mijn ziel! En waakt, u bozen, Die onbezorgd in zwijmel zeegt! U zult verwelken vóór uw rozen, Verdwijnen éér ge uw beker leegt! De proeftijd klimt - nog moogt ge kiezen! Wat wilt ge winnen, wat verliezen, Het kort genot? de langen schrik? Ziet de uchtend der vergelding krieken! Uwe eeuwigheid rust op de wieken Van het tegenwoordig ogenblik!
Waai op, u sluier van Gods heemlen! Ziet, alle dingen zijn gereed: Tien duizenden, reisvaardig, weemlen In het nieuw ontvangen gloriekleed! Reeds hoor ik de optochtsliedren menglen: Reeds houdt de machtigste uit de Aartsenglen Nabij de Koning van het heelal De richtbazuin omhoog geheven, Die op één wenk het teken geven En `s werelds loop voleinden zal!
Van de toren Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel `t Plechtig middernachtsuur horen. `t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren. "Mara-natha", Jezus komt! `t Zal geschieden! `t Is voorzeid! Aarde en hemel zullen vlieden Voor des Konings heerlijkheid! Wat ontwaken Op dien dag, Als van het aardrijks diepten kraken. Op de laatsten klepelslag! Als met losgereten slinger `t Zonne-uurwerk stil zal staan, Waar de Koning met Zijn vinger Sterren wegwist van heur baan! Als in afgrond en vulkaan Heilge vlammen zich bereiden, Om het ingeroeste slijk Van de wereld af te scheiden, Tot ze een luister zal verspreiden Aan gelouterd goud gelijk! Plotsling staat, ten tweeden male, `s Mensen Zoon Voor de aard ten toon: Valle nu wat ademhale Bevend neer voor Zijn troon! Ziet, de teeknen Zijner wonden! Ja, Hij is dezelfde wel, Die gebonden Voor de zonden, De overwinning van de hel In Zijn sterven heeft verslonden, God met ons, Immanuël! Maar om de eens bebloede slapen Speelt een goddelijke glans, En de doornen zijn herschapen In de paarlen Zijner krans! Heerlijke omkeer - Toen en Thans! Bethlêms zuigling, zwak en teder En die Hemeltroonbekleder! De aardworm in Gethsémané En die Richter op de wolken! Eeuwig Wel, of eeuwig Wee Brengt Hij op Zijn weegschaal mee. Wat benauwdheid bij de volken! Wat rumoer in `s aardrijks kolken! Wat ontroering in de zee!
Waarom splijt ge uw marmren deuren, Stad der doden! dus van een, Dat de slapers daar beneên `t Licht zien scheemren door de scheuren Van den kranken tombesteen? Waarom werpt ge, ontzette golven! Onder huilend angstgeluid Al die bleke beendren uit. In uw woestenij bedolven? Al dat stof, als Alpensneeuw Opgehoopt van eeuw tot eeuw? `t Is gesproken, `t Dagingswoord! Roepende englen dragen het voort: "De eeuwigheid is aangebroken - "Rijst, gestorv'nen! komt en hoort! " En zij rijzen En zij komen, Opgevaren uit hun as, Dwazen, wijzen, Bozen, vromen, Al wat leefde en - stervling was! Beelden, die wij lang vergaten, Zie ik door elkaar kruisen: Alle kluizen Zijn verlaten, De eerste groef, de laatste kist! `t Is een leger van geslachten: En geen natie laat zich wachten, En geen zuigling wordt gemist! Maar bij millioenentallen, Spreukenakloos luistrend, staan zij allen Voor d' ontzaggelijken troon - Tot het woord van de splitsing klinke: "Tot Mijn rechte! Tot Mijn slinke! "Kiest uw plaatse! Neemt Uw loon! "
Van de toren, Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel `t Plechtig middernachtsuur horen., `t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: "Maran-atha, Jezus komt! "
Sidderend heir, in de schaduw gegroept! U, eens op aarde Vóóraan geschaarde! Hoe nu zo traag, nu de hemel u roept?
Held, voor wien het volk, dat Uw voetschabel was, Zaam' is gekrompen! Purperen lompen Dekken uit schaamte uw doorluchtig karkas! Geessel der aarde, eindt uw almacht zó ras?
Oproerprofeet, die in naam van het volk Tronen en steden Plat heeft getreden! Preêk nu gelijkheid met fakkel en dolk! Bons dézen Vorst van Zijn lichtende wolk!
Trotse Verachter van het Hoogste Gebod! Die Gods genade Honend versmaadde, Die met uw moeders gebed heeft gespot! Vrijgeest, u bidt?, U gelooft aan een God?
Huichlende vrome, zo vriendlijk en fijn! Teedre hyenen Leerden u wenen: Hang voor uwe ogen een tranengordijn! Achter dat floers mag de Richter niet zijn!
Rijke, om wiens sterven geen wees heeft gerouwd! Proef, of millioenen De Almacht verzoenen! Zie nu, wat hemel ge uit slijk heeft gebouwd! Koop, zo ge kunt, nu uw ziel voor uw goud! Slaaf van uw vlees, nu in spinrag gehuld! Kom en bevredig `t Eeuwige ledig, Dat in uw hart om verzadiging brult, Immer vergrotend en nimmer gevuld!
Sidderend heir in de schaduw gegroept! Gij, eens op aarde Vóóraan geschaarde! Hoe nu zo traag, nu de hemel u roept?
En waarom zouden zulke geesten Dan ingaan tot de grote rust? Daar zijn de minsten de allermeesten En `s Heeren lof is al hun lust! `t Hart, dat Gods liefde niet deed rijpen, Zou dat Gods zaligheid begrijpen? De nachtuil haat de zonneschijn: De hemel met Zijn uitverkoornen Zou voor `t geweten van de verloornen Een zevendubble helle zijn!
Zij deinzen voor de blik van de Heere, Die als richtzwaard hen doordringt. Zij storten neer naar lager sferen. Op het onbedrieglijkst ziels-instinkt. Zij dwarlen, waar geen heilige ogen Hun pelgrimaadje volgen mogen, Zelfs die van de ware deernis niet! En bij hun sporeloos verdwijnen, Daar heft een wolk van serafijnen Het voorspel aan van het nieuwe lied.
Van de toren, Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel `t Plechtig middernachtsuur horen. het Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren "Maran-atha, Jezus komt! "
Jezus komt! Hij is gekomen! Altijd voller wordt het licht: Heiligende stralen stromen Van Zijn vriendlijk aangezicht. Boven het smeltend harpgeluid Klinkt Zijn stem vertroostende uit, Met een moederlijk erbarmen: "Komt, vermoeiden, in Mijn armen! "
Herwaarts! aan Zijn rechterzijde, Magdalene! Omhoog dat hoofd! Diepstbedroefde! hoogstverblijde, Die geboet heeft en geloofd! Zoudt u twijflen aan uw kroon? Liefde is liefde's heerlijk loon: In de Liefde is het Eeuwig Leven. `t Werd gevonden, het is gegeven!
Herwaarts! nader, altijd nader, Dolend maar hervonden lam! `t Hart zal juichen bij de Vader, Dat er schreiend wederkwam. U de volle kinderrang! U der broedren welkomstzang! Eer ge uw zwerftocht hadt begonnen, Lag uw feestkleed reeds gesponnen!
Herwaarts! dichter, altijd dichter, Saulus, die een Paulus werdt! Zie, Uw Redder is de Richter, Die u - plaats geeft aan Zijn hart! Dood, waar is uw prikkel thans? Helle, waar uw zegekrans? `t Beste was: "met Jezus wezen: " `t Is den besten uitgelezen!
Ziet! daar staat Hij In hun reien, het Beeld van d' Ongezienen God! Zeegnend gaat Hij Langs de meijen, Die zij voor Zijn voeten spreien, Overstelpt van heilgenot!
Welkom, leger van Profeten! Welkom, hoge Apostelschaar. Midden in den kring gezeten, Met de martelpalm om het haar! Welkom, adelijk geslachte! Heilige ad'laars der gedachte, Met de koningskroon gehuld, Die des hemels hierarchijen. Machten, krachten, heerschappijen Richten en regeren zult!
Sluit u aan in hun kreits, o gij leraars van de wet! En u, blijde gezanten van het goede! Die zo menige ziel van het verderf heeft gered en zo menig geredde behoedde! Elke blik, die u dankte, is een straal in uw glans, Die de starren beschaamt aan de weemlenden trans!
Stille weldadigen! Zeg'nende braven! Laat u verzadigen, Troosten en laven! Viert in uw hoogtijkleed `t Feest, van Gods ere: Wat u den minste deedt, Deedt u de Heere! Ware zachtmoedigen! Juichende strijders! Blijde rampsnelen! Vorstlijke lijders! Hier is de smart geheeld! Christus is Koning: Heeft ge eens Zijn kruis gedeeld, Deelt nu Zijn kroning;
Pelgrims, wier bedevaart Nooit mocht verpozen! Hier bloeit uw vredegaard: Rust in zijn rozen! Hier drukt uw eerste stap `t Land der geboorte: `t Heimwee van de vreemdlingschap Sterft in Zijn poorte!
Moeders! die zingend en Kozend regeerde, Vriendelijk dringend en Spelende leerde! Buigt naast uw kindren nu Dankend de knieën De Englen begroeten u, Heilge Marieën!
Schuldloze kinderkens! Zalige wichtjens! Hemelse vlinderkens! Cherubsgezichtjens! Mengt, waar ge fladderwiekt, Jezus uw loflied: `t Groen waar uw krans van riekt, Bloeide in het stof niet!
Neen! heel het aardrijk is herboren Tot een jonge Hemelbruid: Sarons rozen botten uit: Ziet de Paradijsvrucht gloren Tussen het kruid, Waar de Levensboom ontspruit! Duizend koren Jubelschat'ren. Als een stemme veler wat'ren: "Hij regeert "Van sfeer tot sferen! " Opgerold is het luchtgordijn, Waar geen starren nodig zijn: `t Zalig aangezicht des Heeren Is een eeuwge lenteschijn! Lam en tijger dartlen zamen. `t Knaapjen streelt de drakenmuil In der basilisken kuil, Waar de duifjens nestlen kwamen. Op de berg van de heiligheid Woont de vrede. En des Konings majesteit Deelt heur gloed aan alles mede. Zoals eens de zonneglans Sneeuw lei op de lelieknoppen. Zilver op de regendroppen, Purper op de morgentrans! Elke zalige bewoner Van het eeuwig koninkrijk Is de anderen gelijk: De Oude Broeder slechts is schoner! En toch zwemen zij naar Hem In die reinheid zonder vlekken, In dien adeldom van de trekken, In die zilverklank van de stem, In die rijkdom aller deugden, Aller gaven, aller vreugden, `t Erfdeel van Jeruzalem! Stad des hemels! trek uw straten, Schiet uw stralen van kristal Overal, Tot geen plek is leêggelaten In het Heelal! En nu - boven en beneden, U die `s Heeren huis bevolkt Die daar aan Zijn voeten wolkt, Als het stof van onze schreden! Duizenden tien duizend keer! Valt ontroerd op het aanschijn neêr! Werpt de kronen uwer hoofden Voor den troon des Hooggeloofden! d' Alverzoener, d' Alvergelder, zij alleen en eeuwig de eer!
Van de toren. Luid en schel, Doet het klinglend klokkenspel `t Plechtig middernachtsuur horen. `t Is verstomd! Maar de nagalm dreunt in de oren: "Maranatha, Jezus komt!