Ruth 2:17-23
I. Ruth voleindigt hier haar dagwerk, vers 17..
1. Zij droeg zorg geen tijd te verliezen, want zij las op tot aan de avond, Wij moeten niet moede zijn van wèl te doen, want ter bestemder tijd zullen wij oogsten. Zij heeft geen voorwendsel gezocht om stil te zitten, of om naar huis te gaan vóór de avond, laat ons het werk werken van Hem, die ons gezonden heeft, zolang het dag is. Van de vriendelijkheid van Boaz heeft zij nauwelijks gebruik, en nog veel minder misbruik gemaakt, want, hoewel hij zijn dienaren gebood handvollen voor haar te laten vallen, bleef zij toch de verstrooide aren oplezen.
2. Zij droeg zorg niet te verliezen wat zij opgezameld had, maar dorste het zelf, teneinde het gemakkelijker naar huis te dragen, en het voor het gebruik gereed te hebben. "De luiaard zal zijn jacht vangst niet braden, en zo verliest hij er het voordeel van, maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen" Spreuken 12:27..
Ruth had het aar voor aar opgelezen, maar toen zij het alles uitsloeg, had zij omtrent een efa gerst. Veel kleintjes maken een groot geheel. Het is een aanmoediging voor vlijt, dat in allen arbeid, zelfs in die van aren oplezen, gewin is, maar het woord van de lippen strekt alleen tot gebrek.
Toen zij haar koren in zo klein een bestek had als zij kon, nam zij het op, en droeg het naar de stad, hoewel sommigen van Boaz' dienstknechten dit waarschijnlijk wel voor haar gedaan zouden hebben, als zij het hun gevraagd had.
Wij moeten er ons op toeleggen om zo weinig mogelijk last te veroorzaken aan hen, die vriendelijk voor ons zijn. Zij dacht niet dat dit werk te zwaar of te gering voor haar was, om zelf koren naar de staaf te dragen, maar smaakte veeleer genoegen in hetgeen zij door haar vlijt verkregen had, en was zorgzaam om het te behouden.
Laat ons aldus zorgdragen, "dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, dat wij verkregen hebben", 2 Johannes : 8.
II. Zij betoonde haar eerbied voor haar schoonmoeder, ging rechtstreeks naar huis, maar bleef niet praten met de dienstknechten van Boaz, toonde haar wat zij opgelezen had, opdat zij niet zou denken dat zij lui of traag geweest is.
1. Zij onthaalde haar op hetgeen zij van haar goed middagmaal had overgelaten, dat Boaz haar gegeven had. Zij gaf haar wat zij van haar verzadiging overgehouden had, vers 18. hetgeen verwijst naar vers 14.. Indien zij iets beters gehad heeft dan een ander, dan moest haar schoonmoeder het met haar delen. Aldus haar naarstigheid getoond hebbende buitenshuis, toont zij nu haar Godsvrucht in huis, aldus is het dat het onderhouden van de ouders door hun kinderen genoemd wordt, 1 Timotheus 5:4 en het behoort tot de eer, die hun verschuldigd is naar luid van het vijfde gebod, Mattheus 15:5. 2. Zij gaf een verslag van haar dagwerk, en hoe Gods voorzienigheid er haar gunstig in is geweest, waardoor het haar zeer lieflijk was, want het weinige-het oplezen-dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed-de oogst-van de goddelozen, Psalm 37:16..
A. Naomi vroeg haar waar zij geweest was: Waar hebt gij heden opgelezen? Ouders moeten er op bedacht zijn om navraag te doen naar het werk hunner kinderen, hoe, en waar, en in welk gezelschap zij hun tijd hebben doorgebracht, Dit kan veel ongeregeldheden voorkomen van de kinderen, waaraan dezen, indien zij aan zichzelf worden overgelaten, zich overgeven, en waardoor zij schande brengen over zichzelf en over hun ouders.
Indien wij al niet de hoeders zijn van onze broeders, dan zijn wij het toch zeker wel van onze kinderen en wij weten welk een zoon Adonia is gebleken te zijn, die zijn vader nooit bedroefd had. Ouders moeten hun kinderen ondervragen, niet om hen te verschrikken of te ontmoedigen, zodat zij een afkeer krijgen van het ouderlijk huis, of in verzoeking komen om te liegen, maar om hen te loven als zij wèl gedaan hebben zich goed hebben gedragen, en hen met zachtmoedigheid te bestraffen en te waarschuwen als hun gedrag niet goed is geweest. Het is een goede vraag, die wij onszelf aan het einde van iederen dag moeten doen: "Waar heb ik vandaag opgelezen? Welke vorderingen heb ik gemaakt in kennis en genade? Wat heb ik gedaan of verkregen, dat mij ten goede zal komen?"
B. Ruth verhaalde haar uitvoerig welke vriendelijkheid haar door Boaz was bewezen, vers 19,. en welke hoop zij koesterde van nog meer vriendelijkheid van hem te ontvangen. daar hij haar bevolen had om gedurende de gehelen oogst bij zijn knechten te blijven, vers 21.. Kinderen moeten zich verantwoordelijk houden aan hun ouders en aan hen, die over hen gesteld zijn, en het geen verkleining voor zich achten om ondervraagd te worden, laat hen goed doen, en zij zullen er voor geprezen worden. Ruth verhaalde aan haar moeder welke goedheid Boaz haar betoond heeft, opdat zij er hem bij gelegenheid dank voor kan betuigen maar zij zei haar niet welke lof Boaz haar had toegekend, vers 11.. Nederigheid leert ons niet alleen onszelf niet te prijzen, maar ook om niet ijverig te zijn om te verkondigen dat anderen ons geprezen hebben.
C. Hier wordt ons meegedeeld wat Naomi hierop zei.
a. Zij bad hartelijk voor hem, die de weldoener harer dochter is geweest, vóór zij nog wist wie hij was, vers 19.. Gezegend zij hij wie hij ook wezen moge-die u gekend heeft, de pijl des gebeds als bij geval afschietende, maar inzonderheid toen haar gezegd was wie hij was, vers 20.. Gezegend zij hij de Heere. De armen moeten bidden voor hen, die goed en milddadig voor hen zijn, en hun aldus vergelding doen, als zij niet instaat zijn hun op andere wijze hun goedheid te vergelden. Laat de lenden van de armen hen zegenen, die hen verkwikt hebben, Job 29:13, 31:20.... En Hij, die het geroep hoort van de armen tegen hun verdrukkers Exodus 22:27,. zal, naar wij mogen hopen, de gebeden van de armen horen voor hun weldoeners. Nu herinnerde zij zich de vroegere goedheid van Boaz, betoond aan haar man en haar zonen, en voegt die bij de tegenwoordige: hij heeft zijn weldadigheid niet nagelaten aan de levenden en de doden. Als wij edelmoedig vriendelijkheid betonen zelfs aan hen, die onze vroegere gunsten vergeten schijnen te hebben, dan kan dit wellicht een middel zijn om de herinnering te verlevendigen zelfs aan die, welke begraven schenen.
b. Zij maakt Ruth bekend met de betrekking van haar familie tot Boaz, die man is ons nabestaande. Het schijnt dat zij door haar langdurig verblijf in Moab haar maagschap in het land Israëls had vergeten, totdat God ze haar door de leiding van Zijn voorzienigheid weer in het geheugen bracht. Zij had er tenminste Ruth niet van gesproken, hoewel dit anders wel een aanmoediging had kunnen zijn voorde jeugdige bekeerlinge. Zeer ongelijk aan Naomi zijn velen die, hoewel zelf vervallen, altijd snoeven op hun aanzienlijke verwanten. Maar let op de aaneenschakeling van gedachten, en daarin een aaneenschakeling van leidingen van de voorzienigheid Gods, om tot stand te brengen wat voor Ruth bestemd was. Ruth noemt Boaz als iemand die vriendelijk voor haar is geweest, Naomi denkt er over na wie dat zijn kan, en nu komt het haar in de gedachten: "die man is ons nabestaande. Nu ik zijn naam hoor, herinner ik mij hem zeer goed." Dit denkbeeld brengt een ander voort, hij is een van onze lossers, onze goël, die het recht heeft ons erfdeel, dat verpand was, te lossen, en daarom kunnen wij van hem meerdere goedheid verwachten. Dat is de man in geheel Bethlehem, van wie te hopen en te verwachten is dat hij ons helpen zal." Zo brengt God ons, soms zeer plotseling, dingen in de gedachten, die blijken zeer verwonderlijk tot ons welzijn te strekken.
c. Zij beveelt Ruth haar werk op het veld van Boaz voort te zetten, vers 22.. Laat hen u niet tegenvallen dat is ontmoeten-in een ander veld, want dat zou opgevat kunnen worden als een versmaden van zijn goedheid." Onze gezegende Heiland is onze Goël, Hij is het, die het recht heeft ons te lossen, indien wij verwachten weldadigheid van Hem te ontvangen, zo laat ons dicht en gestadig bij Hem blijven, bij Hem, bij Zijn velden en Zijn gezin, laat ons niet heengaan naar de wereld en haar velden voor hetgeen dat alleen bij Hem te vinden en van Hem te verwachten is.
Heeft de Heere ons welgedaan? Laat ons dan niet in een ander veld gezien worden, en geen geluk of voldoening in het schepsel zoeken. Kooplieden nemen het euvel op als zij, die schulden bij hen hebben naar andere winkels gaan. Als wij de gunst van God gering achten, dan verliezen wij haar. Sommigen denken dat Naomi aan haar dochter een stilzwijgende bestraffing gaf, in vers 21. had zij gesproken van zich te houden bij de jongens. "Neen", zegt Naomi, vers 22,. "het is goed dat gij met zijn maagden uitgaat, zij zijn beter gezelschap voor u dan de jongens". Maar die dit denkbeeld opperen zijn al te visachtig.
Ruth sprak van de jongens, omdat zij de voornaamste arbeiders waren, en zij waren het aan wie Boaz nopens haar bevelen had gegeven. Nu neemt Naomi aan, dat Ruth zich bij de jongens zou houden voor het werk, maar dat toch de maagden haar gezelschap zouden uitmaken.
Ruth heeft de bevelen harer moeder gehoorzaam opgevolgd. Zij bleef tot aan het einde aren oplezen, niet slechts tot aan het einde van de gersteoogst maar ook van de tarweoogst, die er op volgde, teneinde in de herfst-of in de oogst-spijs te vergaderen voor de winter, Spreuken 6:6-8. Zij hield zich ook bij de maagden van Boaz, met wie zij later een kennismaking aanhield, die haar van dienst kon zijn, vers 22.. Maar ter bestemder tijd des avonds kwam zij altijd weer tot haar schoonmoeder, zoals het een deugdzame vrouw betaamde, die des daags arbeidde, maar de avond niet in loszinnige vrolijkheid doorbracht. En toen de oogst geëindigd was, is zij niet gaan ronddwalen, maar bleef zij haar oude moeder gezelschap houden. Dina is uitgegaan om de dochteren van het land te bezien, en wij weten in welk een schande haar ijdelheid geëindigd is, Ruth bleef tehuis, en hielp haar moeder onderhouden, zij ging op geen andere boodschap uit, dan om provisie voor haar te halen, en wij zullen later zien, in welk een verhoging haar nederigheid en vlijt geëindigd is. Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is. Er wacht hem ere.