Ruth 2:4-16
Nu verschijnt Boaz zelf, en er is zeer veel waardigheid in zijn houding en gedrag zowel tegenover zijn eigen dienstknechten, als tegenover deze arme vreemdelinge.
I. Tegenover zijn eigen dienstknechten, en degenen die arbeidden om zijn koren te maaien en binnen te halen. De oogsttijd is een drukke tijd, vele handen moeten daarbij aan het werk zijn. Boaz, die veel had, daar hij een men was geweldig van vermogen, had veel te doen, en bijgevolg velen, die onder hem arbeidden en van hem leefden. Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten, wat nuttigheid hebben dan de bezitters er van, dan het gezicht hunner ogen? Boaz is hier een voorbeeld van een goed meester.
1. Hij had een dienaar, die over de maaiers gezet was, vers 6. In grote gezinnen is het een vereiste, dat er een persoon moet wezen, die het opzicht heeft over de andere dienstboden, aan ieder zijn deel aanwijst, zowel van werk als van spijs. Leraren zijn zulke dienstknechten in het huis Gods, en het is nodig dat zij beide wijs en getrouw zijn, zoals deze knecht van Boaz geweest is, vers 6.
2. Toch ging hijzelf uit tot de maaiers, om te zien hoe het ging met het werk, teneinde als er iets verkeerds was, dit te herstellen, en nadere orders te geven voor hetgeen gedaan moest worden. Dit was in zijn eigen belang, want wie zijn zaken geheel en al aan anderen overlaat, zal ze slechts ten halve gedaan vinden, des meesters oog maakt de paarden vet. En het was ook een aanmoediging voor zijn dienstknechten, die zoveel blijmoediger hun werk zullen doen, als hun heer hen in zoverre steunt, dat hij hun een bezoek brengt. Meesters, die op hun gemak kunnen leven moeten met vriendelijkheid denken aan hen, die voor hen werken, de last en de hitte des daags dragen.
3. Er werden vriendelijke en Godvruchtige begroetingen gewisseld tussen Boaz en zijn maaiers. Hij zei tot hen: De Heere zij met ulieden, en zij antwoordden: De Heere zegene u, vers 4. Hiermede gaven zij uitdrukking:
a. Aan hun wederkerige achting voor elkaar, hij voor hen als goede dienstknechten en zij voor hem als een goed meester. Als hij tot hen kwam, dan begon hij niet dadelijk te berispen, alsof hij alleen maar kwam om aanmerkingen te maken, en zijn gezag te tonen, maar hij bad voor hen: "De Heere zij met ulieden, make u voorspoedig, geve u gezondheid en kracht, en beware u voor ramp of leed". En zij waren niet, zodra hij buiten hun gehoor was, begonnen hem te vloeken, zoals boosaardige dienstknechten doen, die het oog huns meesters vrezen, neen, zij beantwoordden zijn beleefdheid met een: "De Heere zegene u, en make onze arbeid dienstbaar aan uw welvaart." De zaken zullen waarschijnlijk goed gaan in een huis, waar zo'n goede gezindheid heerst tussen meester en dienstknechten.
b. Hun afhankelijkheid van de Goddelijke voorzienigheid, zij drukten hun vriendelijkheid voor elkaar uit door voor elkaar te bidden. Zij tonen niet slechts hun beleefdheid maar hun Godsvrucht, en de erkenning, dat alle goed van de tegenwoordigheid en de zegen van God komt, die wij daarom boven alles moeten op prijs stellen en begeren, zowel voor onszelf als voor anderen. Laat ons hieruit leren:
a.a. Hoffelijke begroetingen te gebruiken als uitdrukkingen van oprechte genegenheid voor onze vrienden. b.b. Ons hart op te heffen in gebed tot God om Zijn gunst, in korte bewoordingen, zoals waarin zij hier ook werden uitgedrukt. Maar wij moeten daarbij wel toezien, dat dit niet in formalisme ontaardt, opdat wij er de naam des Heeren niet ijdellijk in gebruiken, maar als het er ons ernst bij is, dan kunnen wij er onze gemeenschap met God door onderhouden, en er zegen en genade door ontvangen. Het schijnt toen het algemene gebruik te zijn geweest, om de maaiers op die wijze voorspoed toe te wensen, Psalm 129:7. 8.
4. Hij won van zijn maaiers bericht in betreffende een vreemdelinge, die hij in het veld ontmoet had, en gaf haar betreffende noodzakelijke orders, namelijk dat zij haar niet zullen aanroeren, vers 9, en haar niet zullen beschamen, vers 15..
Meesters moeten zorgdragen niet alleen dat zij zelf geen leed doen, maar dat ook hun onderhorigen het niet doen. Hij gaf ook bevel om vriendelijk voor haar te wezen, en van de handvollen wat voor haar te laten vallen. Hoewel het betaamt dat meesters de verkwisting hunner dienaren beteugelen en bestraffen, moeten zij hen toch niet beletten barmhartig te zijn, maar er hun vergunning voor geven, met verstandige aanwijzingen er bij.
II. Boaz was zeer vriendelijk voor Ruth en betoonde haar veel gunst, hiertoe gedrongen door hetgeen hij van haar gehoord en gezien had, en daar God ook zijn hart neigde om haar te steunen en te helpen. Onder zijn maaiers komende, zag hij deze vreemdelinge onder hen, en vroeg zijn huisbezorger om inlichtingen nopens haar, en hier is een nauwkeurig bericht van hetgeen er over haar gezegd werd.
1. De huisbezorger gaf aan Boaz zeer gunstige inlichtingen omtrent haar, wel geschikt om haar aan te bevelen in zijn gunst, vers 6, 7.
a. Dat zij een vreemdelinge was, en daarom een dergenen, die volgens de wet van God de nalezing van der. oogst mochten opzamelen, Leviticus 19:9, 10, . Zij is de Moabietische jonge vrouw.
b. Dat zij verwant was aan zijn geslacht, zij is teruggekomen met Naomi, de vrouw van Elimelech, een bloedverwant van Boaz.
c. Dat zij een bekeerlinge was, want zij kwam uit het land van Moab om zich te vestigen in het land Israël.
d. Dat zij zeer zedig en ingetogen was, en geen aren had opgelezen voor zij er om verlof toe vroeg.
e. Dat zij zeer naarstig was, en ijverig aan haar werk was gebleven van de morgen af totnutoe. En armen, die vlijtig zijn en zich moeite willen getroosten, behoren aangemoedigd te worden. Thans, nu het op het heetst van de dag is, vertoefde zij een wijle in het huis-of de tent-t), die in het veld was opgericht tot een beschutting tegen het weer, om wat uit te rusten, en sommigen opperen de mening dat zij er ging om haar gebed te doen. Maar weldra keerde zij terug tot haar werk, en behalve deze kleine tusschenpoos is zij er de gehelen dag ijverig aan gebleven, hoewel zij aan zulk werk niet gewoon was. Dienaren moeten rechtvaardig zijn in de berichten, die zij omtrent anderen aan hun meesters geven, en er zich voor wachten om iemand verkeerd voor te stellen, of zonder reden hun meesters te ootmoediger in hun liefdadigheid. 2. Hierop was Boaz uiterst vriendelijk en beleefd jegens haar in verscheidene opzichten.
a. Hij beval haar bij zijn maaiers te blijven op elk veld, waar zij maaiden, en in geen ander veld te gaan oplezen, want zij behoefde nergens anders heen te gaan om het er beter te hebben, vers 8, hier zult gij u houden bij mijne maagden, want die van haar eigen sekse waren het beste gezelschap voor haar.
b. Hij gebood al zijn dienstknechten zeer zorgzaam voor, en zeer eerbiedig jegens haar te zijn, en ongetwijfeld zullen zij dit wezen jegens iemand voor wie zij hun meester zo vriendelijk zagen. Zij was een vreemdelinge, en waarschijnlijk waren haar taal, haar kleding en haar voorkomen zeer verschillend van de hunne, maar hij gelastte hun haar in niets te beledigen, of onaangenaam te zijn, zoals ruwe dienstknechten allicht voor vreemdelingen zijn kunnen.
c. Hij heette haar welkom aan het maal, dat hij voor zijn dienaren bereid had. Hij beval haar niet slechts om van het water te drinken, dat voor hen geput was, want die drank schijnt hij bedoeld te hebben, vers 9, en die geput was uit de vermaarden bornput van Bethlehem, die in de poort is, naar welks water David verlangde, 2 Samuël 23:15, S. maar ook als het etenstijd is te komen en te eten van het brood, vers 14,. en haar bete te dopen in de azijn om haar smakelijk te maken, want God geeft ons niet slechts voedzame, maar ook smakelijke spijze, niet slechts het nodige, maar ook het aangename. En ter harer aanmoediging, en ter aanwijzing van zijn dienaren, heeft hij zelf, daar hij nu tegenwoordig was, toen zijn dienaren zich aan de maaltijd zetten, haar geroost koren gelangd. Het is voor de fraaiste hand geen verkleining om haar "uit te steken tot de nooddruftige," Spreuken 31:20. en gebruikt te worden om de armen te dienen.
Merk op: Boaz was niet karig in zijn voorziening voor de maaiers, maar zond hun zoveel, dat zij meer dan genoeg hadden, en nog een vreemdeling konden onthalen. Aldus is er een die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt, Spreuken 11:24..
d. Hij prees haar voor haar eerbiedig gedrag jegens haar schoonmoeder, waarvan hij, hoewel hij haar van aanzien niet kende, toch gehoord had, vers 11.. Het is mij wel aangezegd alles wat gij bij uw schoonmoeder gedaan hebt. Zij, die wèl doen, behoren er de lof voor te ontvangen. Maar wat hij inzonderheid in haar loofde, was dat zij haar land had verlaten, en een bekeerlinge was geworden tot de Joodse Godsdienst, want aldus verklaart het de Chaldeer: "Gij zijt gekomen, om bekeerd te worden en te wonen onder een volk, dat gij van tevoren niet kendet." Zij, die alles verlaten om de ware Godsdienst te omhelzen, zijn dubbele eer waardig.
e. Hij bad voor haar, vers 12.. De Heere vergelde u uw daad. Haar sterke genegenheid voor het burgerschap Israëls, waaraan zij door haar geboorte vreemd was, was zo'n werk van Gods genade in haar, dat het voorzeker gekroond zal worden met een volle beloning door Hem, onder wiens vleugelen zij gekomen was, om toevlucht te nemen. Zij, die door het geloof onder de vleugelen van de Goddelijke genade komen, kunnen zich verzekerd houden van een volle beloning voor dit hun doen. Naar deze uitdrukking duiden de Joden een proseliet aan als iemand die vergaderd is onder de vleugelen van de Goddelijke Majesteit. Eindelijk. Hij moedigde haar aan om voort te gaan met haar oplezen van aren, en poogde niet haar daarvan af te houden want de grootste vriendelijkheid, die wij onze armen bloedverwanten kunnen bewijzen, is hen te helpen in hun naarstigheid en er hen in aan te moedigen. Boaz beval zijn dienstknechten, haar te laten oplezen tussen de garven, waar anderen, die aren oplezen, niet mochten komen, en haar niet te beschamen dat is: haar niet dievegge te noemen, of haar te verdenken van meer te nemen dan haar vergund was. vers 15.. Dit alles toont dat Boaz een man was van een edelaardig gemoed, iemand die, overeenkomstig de wet, het gemoed eens vreemdelings kende.
3. Ruth ontving zijn gunsten met zeer grote nederigheid en dankbaarheid, en gedroeg zich met evenveel waardigheid in haar plaats als hij in de zijne, weinig denkende dat zij weldra de meesteres zou zijn van die velden, waarin zij nu aren oplas.
a. Zij betoonde hem allen mogelijken eerbied, en gaf hem eer naar het gebruik des lands, vers 10.. Zij viel op haar aangezicht, en boog zich ter aarde. Goede manieren zijn een sieraad voor de Godsdienst, en wij moeten ere geven aan wie ere toekomt.
b. Ootmoedig erkent zij zich zijn gunsten onwaardig, ik ben een vreemde, vers 10, en ben niet gelijk een uwer dienstmaagden, vers 13,. niet zo goed gekleed, noch zo wel onderwezen, noch zo netjes, noch zo handig. Het betaamt ons allen gering te denken van onszelf, en hetgeen verkleinend is in ons op te merken, anderen uitnemender achtende dan ons zelf.
c. Dankbaar erkent zij zijn goedheid jegens haar, hoewel het geen grote onkosten voor hem waren, en hij niet veel meer deed dan waartoe hij door de wet Gods verplicht was, toch acht zij het groot en bewondert zij het. Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen? vers 10..
d. Zij verzoekt om de voortduring van zijn goedheid: Laat mij genade vinden in uw ogen, vers 13, en erkent dat wat hij gezegd had een hartsterking voor haar was dewij gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt. Zij, die groot en aanzienlijk zijn, en een hoge plaats innemen in de maatschappij, weten niet hoeveel goed zij aan hun minderen kunnen doen door een vriendelijke blik, of door hun vriendelijk toe te spreken, en tegen zo klein een uitgaaf zullen zij- naar men zou denken-geen bezwaar hebben, als zij op de rekening hunner liefdadigheid komt.
e. Toen Boaz haar een middagmaal gat met zijn maaiers, at zij zoveel als haar genoeg was, en liet het overige staan, en toen stond zij onmiddellijk op om weer te gaan oplezen, vers 14, 15. Zij heeft niet onder voorwendsel van haar gebrek, of van de arbeid, die zij verricht had, meer gegeten dan zij nodig had, of haar ongeschikt zou gemaakt hebben om weer aan de arbeid te gaan, matigheid bevordert arbeidzaamheid, wij moeten eten en drinken om ons te versterken voor ons werk, maar niet om er ons opgeschikt voor te maken.