Richteren 9:22-49
Drie jaren heeft Abimelech zonder enigerlei stoornis geregeerd. Er wordt niet gezegd: Hij richtte Israël, of hij heeft zijn land enigerlei dienst bewezen, maar drie jaren lang heeft hij de titel en de waardigheid gehad van een koning, en ontving hij niet alleen van de Sichemieten, maar ook uit vele andere plaatsen eerbied en hulde. Zij moeten wel zeer verzot geweest zijn op een koning, die in zulk een behagen konden vinden. Maar het gejuich van de goddelozen is van korte duur. "Binnen drie jaren, (als de jaren van een huurling) dan zal die eer evenals die van Moab verachtelijk gemaakt worden," en in het stof worden gelegd, Jesaja 16:14. Het verderf van deze verbondenen in de boosheid was van de rechtvaardige hand van God wiens de wrake is. Hij zond een bozen geest tussen Abimelech en tussen de burgeren van Sichem, vers 23, dat is: zij werden jaloers op elkaar en afkerig van elkaar. Hij veronachtzaamde hen, die hem ondersteund en verhoogd hadden, en begunstigde andere steden misschien meer dan hun stad, daar zijn invloed zich begon uit te breiden, en toen begonnen zij ontevreden te zijn met zijn regering, keurden zijn gedrag af, en murmureerden tegen zijn belastingen. Dit was van God. Hij liet de duivel, die grote kwaadstoker, toe onenigheid tussen hen te zaaien, en hij is een boze geest, die God niet alleen in bedwang houdt, maar soms tot Zijn eigen doeleinden gebruikt. Hun eigen lusten waren boze geesten, zij zijn duivelen in van de mensen eigen hart, en van hen komen krijgen en vechterijen. Aan deze gaf God hen over, en zo kon Hij gezegd worden boze geesten onder hen te hebben gezonden. Als van de mensen zonde tot hun straf wordt gemaakt, dan is God niet de werker van de zonde, maar de straf is toch van Hem. De twist, die God met Abimelech en de Sichemieten had, was wegens de moord op de zonen van Gideon vers 24, opdat het geweld, gedaan aan zeventig zonen Jerubbaals kwam, en opdat hun bloed gelegd wierd, als een last op Abimelech, hun broeder, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem die zijn handen gesterkt hadden om zijn broederen te doden. Vroeg of laat zal God onderzoek doen naar bloed, onschuldig bloed, en het doen weerkeren op het hoofd van hen, die het vergoten hebben, aan wie bloed te drinken zal worden gegeven, want zij zijn het waardig. Met medeplichtigen zal afgerekend worden, als met de hoofdmisdadigers in deze en in andere zonden. De Sichemieten, die Abimelechs aanspraken ondersteunden, hem hielpen en steunden in zijn bloeddorstige plannen, en hun goedkeuring van die daad toonden door hem tot koning te maken, nadat hij haar gepleegd had, moeten met hem vallen, door hem vallen, het eerst vallen. Zij, die zich samen verbinden om slechtheid te bedrijven, worden rechtvaardig tegen elkaar te pletter gestoten. Voor generlei belang kan bloed een duurzaam cement wezen.
I. De Sichemieten begonnen Abimelech te beledigen, misschien wisten zij zelf niet waarom, maar zij hielden van verandering.
1. Zij handelden trouwelooslijk tegen Abimelech, vers 23. Er wordt niet gezegd: zij hadden berouw van hun zonde in hem te erkennen, indien zij dat gedaan hadden, dan zou het loffelijk geweest zijn hem te verloochenen, maar zij deden het alleen uit een bijzondere spijtigheid, die door hun hoogmoed of hun afgunst in hen was opgekomen. Zij, die hem aangesteld hadden, waren de eersten om hem te verlaten en te pogen hem te onttronen. Het is niet vreemd dat zij, die ondankbaar waren jegens Gideon, ontrouw waren aan Abimelech, immers, wat zal hen vasthouden, die niet vastgehouden willen worden door de verplichting aan verdiensten, zoals die van Gideon? Het is rechtvaardig in God, dat zij, die anderen verleiden om eenmaal vals te zijn, later zelf verraden worden door degenen, die zij geleerd hebben vals te zijn. 2. Zij beoogden hem te grijpen als hij te Aruma was, vers 41, zijn landhuis, verwachtende dat hij naar de stad zou komen, bestelden zij tegen hem, die lagen legden, vers 25, om hem tot hun gevangene te maken, die zij kort tevoren tot hun koning hadden gemaakt. Zij die aldus geposteerd waren, hebben, toen hij niet kwam, de gelegenheid waargenomen om reizigers te beroven, hetgeen zou bijdragen, om het volk al meer en meer onrustig en ontevreden te maken onder Abimelechs regering, als zij zouden zien dat hij hen tegen deze struikrovers niet kon of wilde beschermen.
3. Zij verstonden zich met een zekeren Gaäl, en namen hem aan als hun aanvoerder in hun verzet tegen Abimelech. Deze Gaäl wordt gezegd de zoon te zijn van Ebed, hetgeen betekent een dienstknecht, wellicht de geringheid van zijn afkomst aanduidende, gelijk Abimelech de zoon was van een dienstmaagd, zo was hij de zoon van een knecht, hier was nu een doornenbos, strijdende met een andere. Wij hebben reden te vermoeden dat deze Gaäl een geboren Kanaäniet was, omdat hij de burgers van Sichem wil overhalen om in onderwerping te komen aan de mannen van Hemor die in Jakobs tijd heer was van deze stad. Hij was een vermetel, eerzuchtig man, die hun doeleinden verwonderlijk wel diende, toen zij geneigd waren om met Abimelech te twisten, zij hebben ook zijn doeleinden gediend, zo ging hij dan tot hen over om de kolen aan te blazen, en zij verlieten zich op hem.
4. Zij stortten alle mogelijke verachting uit over Abimelechs naam, vers 27. In zijn afwezigheid maakten zij zich vrolijk, als blij zijnde dat hij uit de weg was, en, nu zij iemand anders aan hun hoofd hadden, hoopten zij hem kwijt te raken, ja zij gingen in het huis van hun god om hun oogstfeest te vieren, en daar aten en dronken zij, en vloekten Abimelech, zeiden in hun tafelgesprekken en in hun dronkemansliederen niet alleen alle mogelijke kwaad van hem, maar wensten hem bij hun offeranden alle mogelijke kwaad toe, hun afgod biddende hem te verderven. Zij brachten een dronk uit op zijn beschaming, zijn ondergang, met evenveel gejuich als zij ooit op zijn voorspoed gedronken hadden. In dienzelfde tempel, waaruit zij geld genomen hadden om zijn verheffing te bevorderen, waren zij nu bijeengekomen om hem te vloeken en zijn verderf te beramen. Indien zij met hun schijnkoning ook hun afgod hadden verlaten, dan hadden zij kunnen hopen voorspoedig te zijn, maar zolang zij de afgod nog aankleven, zal Abimelech hen blijven aankleven tot hun verderf. Hoe zou Satan de Satan uitwerpen?
5. Zij schiepen behagen in Gaäls uittarten van Abimelech, vers 28, 29. Zij hoorden met genoegen hoe deze onbeschaamde parvenu met minachting sprak:
a. Van Abimelech, hoewel hij, door hem minachtend Sichem te noemen op hun eigen stad afgaf.
b. Ook van zijn Godvruchtige vader, van Gideon, Is hij niet de zoon van Jerubbaal? Zo noemt hij hem, misschien wel in goddelozen toorn over zijn naam en nagedachtenis, omdat hij het altaar van Baäl had afgebroken, datgene tot zijn versmaadheid verkerende, dat hem tot lof was
c. Van zijn eerste staatsdienaar, Zebul, zijn bevelhebber en overste van de stad. "Wij moeten ons schamen hen te dienen, en behoeven niet te vrezen hen tegen te staan." Mensen van een onrustig, eerzuchtig gemoed, verachten aldus de heerschappij en lasteren de heerlijkheden. Het was Gaäls bedoeling niet van de Sichemieten vrijheden te herwinnen, maar alleen hen van tiran te doen verwisselen. "Och dat dit volk in mijn hand ware! wat zou ik niet doen! Ik zou Abimelech tarten om zijn recht op de kroon te bewijzen, en hij scheen te wensen dat zijn vrienden aan Abimelech zouden doen weten, dat hij, Gaäl, bereid was, met hem te strijden, wanneer hij slechts wilde. Vermeerder uw leger en trek uit. Laat de zaak beslist worden door het zwaard." Dit behaagde de Sichemieten, die nu een even grote afkeer hadden van Abimelech, als zij ooit genegenheid voor hem hebben gehad. Mensen zonder geweten zijn mensen zonder standvastigheid of trouw.
II. Abimelech keerde al zijn macht tegen hen, en in weinig tijds had hij hen verdelgd. Let op de stappen, die er toe leidden.
1. De beraadslagingen van de Sichemieten werden aan Abimelech verraden door Zebul, zijn vertrouweling, de overste van de stad, die hem van harte bleef toegedaan. Zijn toorn ontstak, vers 30, te meer, omdat Gaäl ook van hem met minachting had gesproken, vers 28, want indien hij hem geprezen en gevleid had, dan zou hij hem, nu de zaken tot een crisis waren gekomen, misschien voor zijn belangen gewonnen hebben, maar beledigd en geminacht zijnde, zendt hij aan Abimelech bericht van al wat er in Sichem tegen hem gezegd en gedaan was, vers 31. Verraders worden dikwijls door de een of ander uit hun eigen midden verraden, en van het vloeken van de koning wordt soms op verwonderlijke wijze door het gevogelte des hemels de stem weggevoerd. Hij raadt hem wijselijk aan om terstond tegen de stad op te trekken, en geen tijd te verliezen, vers 32, 33. Hij acht het het best, dat hij zijn krijgsmacht in de nacht naar de omtrek zal laten oprukken, om dan des morgens de stad te verrassen. Hoe konden de burgeren van Sichem verwachten te zullen slagen in hun pogingen, als de overste van de stad in het belang van de vijand was? Zij wisten het, en hebben toch niet gezorgd hem gevangen te nemen.
2. Gaäl, die hun partij aanvoerde, verraden zijnde door Zebul, Abimelechs vertrouweling, werd wredelijk door hem bespot. Volgens de raad van Zebul had Abimelech des nachts zijn gehele krijgsmacht op Sichem doen aanrukken, vers 34. Des morgens ging Gaäl uit naar de stadspoort, vers 35, om te zien hoe de zaken stonden en naar berichten te vragen. Zebul, als overste van de stad, ontmoette hem daar als een vriend. Abimelech zich met zijn krijgsmacht in beweging stellende naar de stad heen, ontdekt Gaäl hem, vers 36, en hij maakt Zebul, die bij hem stond, opmerkzaam op hun nadering, weinig vermoedende dat deze om hem gezonden had, en hem nu verwachtte. "Zie", zei hij, "zie ik daar geen volk van de hoogte van de bergen afkomen? "Daar ginds," naar de plek heenwijzende, "zijn zij". "Neen, neen", zegt Zebul, "gij bedriegt u, het is slechts de schaduw van de bergen, die gij voor een leger aanziet". Hiermede bedoelde hij:
a. Hem te bespotten, als een man zonder verstand of moed, en daarom zeer ongeschikt voor hetgeen hij op zich genomen had, als een man, die licht misleid en bedrogen kon worden, en die men alles kan laten geloven, en die zo dom en lafhartig was, dat hij gevaar duchtte waar geen gevaar was, en met een schaduw wilde gaan vechten.
b. Om hem aan de praat te houden en aldus te verhinderen van iets te doen, totdat Abimelechs krijgsmacht nabij was, en aan deze aldus dit voordeel te verzekeren. Maar toen Gaäl wel wilde geloven dat hetgeen hij nu zag slechts de schaduw van de bergen was (misschien van de bergen Ebal en Gerizim, die dicht bij de stad lagen) werd hij toch van zijn dwaling genezen door de ontdekking van twee andere troepen, die snel op de stad afkwamen, en toen volgde Zebul een andere wijze om met hem te gekscheren, hem herinnerende aan hetgeen hij een paar dagen tevoren gezegd had in minachting van Abimelech, vers 38. "Waar is nu uw mond, deze uw vuile mond, waarmee gij zeid: Wie is Abimelech?" Hoogmoedige lieden moeten soms binnen zeer korten tijd van toon veranderen, diegenen vrezen, die zij het meest hebben geminacht. Gaäl had in blufferij Abimelech getart zijn leger te vermeerderen en uit te trekken, maar nu daagt Zebul hem in Abimelechs naam uit: trek uit, en strijd tegen hem". Met recht wordt aldus over de onbeschaamde gezegevierd.
3. Abimelech versloeg de troepen van Gaäl, die de stad uittrokken, vers 39, 40. Ontmoedigd ongetwijfeld door Zebuls dreigende en spottende woorden, en bemerkende dat zijn invloed zwakker was dan hij dacht, heeft hij, toen hij met zijn geringe krijgsmacht tegen Abimelech uittrok, spoedig de nederlaag geleden, en was hij genoodzaakt zich overhaast in de stad terug te trekken. In dit gevecht was het verlies van de Sichemieten zeer aanzienlijk, daar vielen vele verslagenen, het gewone gevolg van een volksoploop, wanneer de onnadenkende menigte in een noodlottigen strik getrokken worden door hen, die hun een glorierijke overwinning beloofden.
4. Die nacht verdreef Zebul Gaäl en zijn aanhangers, die hij met zich in Sichem had gebracht, uit de stad, vers 41, hem heenzendende naar de plaats vanwaar hij gekomen was. Want hoewel de meerderheid in de stad nog afkerig bleef van Abimelech, zoals uit het vervolg van de geschiedenis zal blijken, wilden zij toch wel van Gaäl scheiden, en hebben zij zich niet verzet tegen diens uitdrijving, omdat hij wel groot was in zijn spreken, maar in moed en beleid gefaald had toen hij deze had behoren te tonen. De meeste mensen oordelen over iemands geschiktheid voor zaken naar zijn succes, en van hem die niet wèl slaagt, wordt geoordeeld dat hij niet wèl deed. En zo is het dan met Gaäls invloed te Sichem spoedig gedaan, en hij, die er van gesproken had Abimelech te zullen verjagen, is zelf verjaagd, en later horen wij niet meer van hem. Zebul verdreef Gaäl en zijn broederen, vers 41.
5. De volgende dag trok Abimelech tegen de stad op en verwoestte haar wegens haar verraderlijke handelingen jegens hem. Misschien was aan Abimelech kennis gegeven van hun verdrijving van Gaäl, die het oproer had aangevoerd, waarmee, naar zij dachten, hij tevreden zou zijn gesteld, maar de misdaad waste groot om aldus verzoend te worden, en zijn toorn te fel om door zo klein een blijk van onderworpenheid tot bedaren te worden gebracht, behalve nog, dat dit meer Zebuls doen was dan het hun. Maar hun handen waren er door verslapt, en daarom besloot hij zijn slag op te volgen, en hun verraad gevoelig te straffen. Er werd hem bericht gebracht dat het volk van Sichem uittrok in het veld, vers 42, sommigen denken dat zij uittrokken voor hun zaken, om te ploegen en te zaaien, (daar zij onlangs hun oogst binnengehaald hadden) of om hun oogst te voleindigen, want toen hadden zij slechts hun wijnoogst geëindigd, vers 27, en dan geeft het te kennen dat zij gerust waren. En omdat Abimelech zich teruggetrokken had, vers 41, dachten zij zich in geen gevaar van hem, en dan is het gevolg er van een voorbeeld van plotselinge verwoesting over hen, die roepen: Vrede en geen gevaar. Anderen denken dat zij uittrokken naar het oorlogsveld, Gaäl was wel verdreven, maar daarom wilden zij de wapens niet nederleggen, maar nog eens slag leveren tegen Abimelech, in de hoop van te herwinnen wat zij de vorige dag hadden verloren.
b. Hij zelf kwam met een sterke afdeling krijgsvolk, en sneed de gemeenschap af tussen hen en de stad, zij bleven staan aan de deur van de stadspoort, opdat zij zich noch terug konden trekken in de stad, noch hulp van de stad konden verkrijgen, en toen zond hij twee compagnieën van zijn mannen, die hun te sterk waren, en hen allen over de kling joegen zij overvielen allen, die in het veld waren, en versloegen ze. Als wij uitgaan op onze zaken, dan zijn wij er niet zeker van dat wij zullen terugkeren, dat wij weer thuis zullen komen, de dood is zowel in de stad als op het veld. c. Toen viel hij op de stad zelf aan, en in toornigheid, die tot aan de hemel raakt, heeft hij haar, hoewel het zijn geboorteplaats was, in een puinhoop veranderd, al het volk, dat daarin was, gedood, de gebouwen afgebroken, en ten teken van zijn begeerte, dat zij voor altijd verwoest zou blijven, haar met zout bezaaid ten einde een blijvend gedenkteken te zijn van de straf over valsheid en verraad. Toch is het Abimelech niet gelukt om die stad tot in eeuwigheid verwoest te laten blijven, want zij werd later herbouwd, en werd zo aanzienlijk een plaats, dat geheel Israël daar samenkwam, om Rehabeam koning te maken, 1 Koningen 12:1 En de plaats bleek een slecht voorteken te zijn. Abimelech bedoelde er mee de Sichemieten te straffen omdat zij hem nu veronachtzaamden maar God bedoelde hen te straffen omdat zij hem tevoren gediend hadden in het vermoorden van Gideons zonen. Zo is het dat, als God gebruik maakt van mensen als werktuigen in Zijn hand om Zijn werk te doen, Hij een ding bedoelt, en zij een ander ding bedoelen, Jesaja 10:6, 7. Zij bedoelen hun eer te handhaven, maar God de Zijne te handhaven.
6. Zij, die zich terugtrokken in een sterkte van hun afgodstempel, zijn daar allen omgekomen. Dezen worden de burgers van de toren van Sichem genoemd, vers 46, 47, het was het een of ander kasteel, of fort, dat bij de stad behoorde, maar op enige afstand ervan gelegen was. Deze burgers, horende van de verwoesting van de stad, trokken zich terug in een sterkte van de tempel, waarschijnlijk minder vertrouwende op de sterkte van deze plaats, dan op het gewijde er van, zij stelden zich onder de bescherming van hun afgod, want aldus zullen alle volken wandelen elk in de naam van zijn god, en zullen wij dan niet verkiezen te wonen in het huis des Heeren al de dagen van ons leven? Want "ten dage des kwaads versteekt Hij ons in Zijn hut," Psalm 27:5. "De naam des Heeren is een sterke toren,' Spreuken 18:10. Maar wat zij hoopten tot hun heil te zijn, bleek een valstrik te wezen, zoals diegenen gewis zullen ervaren, die een schuilplaats zoeken bij afgoden, zij zal een toevlucht van de leugen blijken te zijn. Toen Abimelech hen daar allen opgesloten zag, verlangde hij niets meer. Terstond kwam het barbaarse plan bij hem op om die sterkte in brand te steken, en, om zo te spreken, al de vogels in het nest te verbranden. Hij hield het plan voor zich, maar zette al zijn manschappen aan het werk om er uitvoering aan te geven, vers 48, 49. Hij gebood hun allen hem te volgen en te doen zoals hij deed, zoals zijn vader tot zijn mannen gezegd had, Hoofdstuk 7:17. Ziet naar mij en doet alzo, zo zei hij tot de zijnen, zoals het voegt aan een generaal, die niet in gebreke zal blijven om beide de duidelijkste bevelen en de grootste aanmoediging te geven aan zijn soldaten: Wat gij mij hebt zien doen haast u, doet als ik. -Niet: Ite illuc-Gaat derwaarts, maar Venite huc-Komt herwaarts. Zo moeten de officieren in Christus' leger door hun voorbeeld onderwijzen, Filippenzen 4:9. Hij en zij haalden ieder een tak uit een nabijgelegen woud, legden al die takken op elkaar aan de voet van de toren die waarschijnlijk van hout was, en staken de takken in brand, en verbrandden aldus de sterkte met allen, die er in waren, die of verbrand werden, òf verstikt zijn van de rook. Wat hebben de mensen al niet verzonnen om elkaar te vernielen! Vanwaar komen deze wrede oorlogen en vechterijen anders dan van hun lusten? Sommigen denken dat de burgers van de toren van Sichem dezelfde waren als van het huis van Millo, en dan is Jothams verwensing naar de letter uitgekomen: vuur ga uit van Abimelech en vertere niet slechts de burgers van Sichem in het algemeen, maar die van het huls van Millo in het bijzonder, vers 20. Ongeveer duizend mannen en vrouwen zijn in deze vlammen omgekomen, van wie waarschijnlijk velen in generlei wijze betrokken waren in de twist tussen Abimelech en de Sichemieten, zich met geen van de partijen hadden ingelaten, maar toch in deze burgeroorlog tot dit ongelukkig einde zijn gekomen, want de mannen van een woelzieken oproerigen geest sterven niet alleen in hun ongerechtigheid, maar doen over velen, die hen volgen in hun eenvoudigheid, dezelfde rampen komen, waardoor zij zelf getroffen worden.