Richteren 8:1-3
Niet zodra waren de Midianieten, de gemene vijand, ten onder gebracht, of de Israëlieten zijn, wegens het geweld van sommige heethoofden onder hen, gereed om te twisten onder elkaar. Er was een ongelukkige vonk Opgevlogen, die, indien Gideon haar niet terstond met veel wijsheid en genade had uitgeblust, een groten brand met noodlottige gevolgen zou hebben ontstoken. De Efraïmieten hebben, toen zij de hoofden van Oreb en Zeeb brachten tot Gideon als generaal, inplaats van hem geluk te wensen met zijn voorspoed, en hem dank te betuigen voor zijn gewichtige diensten, zoals zij hadden behoren te doen, twist met hem gezocht, en waren ten uiterste vertoornd op hem.
I. Hun beschuldiging was even ongerijmd als onredelijk: Waarom riep gij ons niet toen gij vertrokt om tegen de Midianieten te strijden? vers 1. Efraïm was de broeder van Manasse Gideons stam, en heeft in de zegen van Jakob en van Mozes de voorrang gehad, en daarom was hij zeer ijverzuchtig op Manasse, vrezende dat deze stam op de een of anderen tijd de eer van hun in de schaduw zou stellen. Vandaar dat wij Manasse tegen Efraïm, en Efraïm tegen Manasse vinden, Jesaja 9:20. "Een beledigde broeder is weerspanniger dan een sterke stad, en de geschillen zijn als de grendel van een paleis," Spreuken 18:19. Maar hoe onrechtvaardig was hun twisten met Gideon! Zij waren toornig op hem, omdat hij niet om hen zond om de aanval te beginnen op Midian, zowel als om de slag op te volgen. Waarom waren zij niet geroepen om de voorhoede aan te voeren? De post van eer, dachten zij, kwam hun toe. Maar:
1. Gideon was door God geroepen, en moest handelen naar de bevelen, die hij van Hem ontving, hij heeft noch de eer genomen voor zichzelf, noch eer uitgedeeld aan anderen, of over eer beschikt voor anderen, hij liet het alles aan God over. Zodat de Efraïmieten in deze twist Gods doen afkeurden, en wat was Gideon, dat zij tegen hem murmureerden?
2. Waarom hebben de Efraïmieten zich niet vrijwillig aangeboden tot deze dienst? Zij wisten dat de vijand in hun land was, en zij hadden gehoord dat er een krijgsmacht op de been gebracht was om hem te weerstaan, waarbij zij zich hadden behoren te voegen in ijver voor de gemeenschappelijke zaak, al hadden zij er ook geen speciale uitnodiging toe ontvangen. Diegenen zoeken meer zichzelf dan God, die op het punt van eer blijven staan om zich van de werkelijke dienst te verontschuldigen voor God en hun geslacht. In Debora's tijd was er "een wortel uit Efraïm," Hoofdstuk 5:14. Waarom bleek die nu niet? De zaak zelf riep hen, zij behoefden niet te wachten op een oproep van Gideon.
3. Gideon had hun eer gered door hen niet op te roepen. Indien hij om hen gezonden had, dan zouden ongetwijfeld velen van hen teruggegaan zijn met hen, die week van hart waren, of weggezonden zijn met de tragen en onmatigen, zodat hij, door hen niet op te roepen, voorkomen heeft dat er deze schandvlek op hen geworpen werd. Lafaards zullen zich dapper voordoen als het gevaar voorbij is, maar diegenen gaan te rade met hun eer, die hun moed aan de dag leggen als het gevaar nabij is.
II. Gideons antwoord was zeer kalm en vreedzaam, en was bedoeld, niet zozeer om zichzelf te rechtvaardigen, als om hun genoegen te doen en hen tevreden te stellen, vers 2, 3. Hij antwoordt hun: 1. Met grote zachtmoedigheid. Hij nam de belediging niet kwalijk, heeft geen toorn met toorn beantwoord, maar in alle kalmte en vriendelijkheid bespreekt hij de zaak met hen, en heeft even waarlijk eer behaald door deze heerschappij over zijn geest als door zijn overwinning op de Midianieten, de lankmoedige is beter dan de sterke.
2. Met zeer veel bescheidenheid en ootmoed, hun daden roemende en verheerlijkende boven de zijne. Zijn niet de nalezingen van Efraïm, die de achterblijvers des vijands opving, en hen die ontkomen waren, gedood hebben, beter dan de wijnoogst van Abiezer? -een grotere eer voor hen, en van meer dienst voor het land, dan de eerste aanval, die Gideon op hen gedaan heeft? De verwoesting, het verderf van de vijanden van de kerk wordt vergeleken bij een wijnoogst, Openbaring 14:18. Hierin erkent hij hun nalezing beter te zijn dan zijn oogst. Het goede gebruik van een overwinning is dikwijls meer eervol en van groter gevolg de het behalen er van, hierin hebben zij zich onderscheiden, hun moed en beleid getoond, of liever, God heeft hen er toe verwaardigd, want hoewel hij om hun daden te verheerlijken bereid is de zijne te verkleinen, wil hij toch geen bloemen nemen van Gods kroon, om er de hun mee te versieren, God heeft de vorsten van de Midianieten in uw hand gegeven, en er is door uw talrijk leger een grote slachting aangericht onder de vijanden, en wat heb ik dan met driehonderd man kunnen doen gelijk gijlieden? Gideon staat hier als een zeer groot voorbeeld van zelfverloochening, en dit voorval toont ons:
a. Dat nijd of afgunst het best bestreden wordt door ootmoed. Weliswaar zelfs geschiktheid van het werk brengt de mens soms nijd aan van zijn naaste, Prediker 4:4, toch zullen zij er niet zo sterk aanleiding toe geven als zij, die het doen, er niet trots op schijnen te zijn. Diegenen zijn wel zeer boosaardig, die hen van hun voortreffelijkheid zoeken weg te stoten, die zichzelf verkleinen en verootmoedigen.
b. Dit is ook het zekerste middel om twist te doen eindigen, want "door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf," Spreuken 13:10.
c. Ootmoed is het beminnelijkst en het meest bewonderenswaardig onder grote kundigheden en grote bevordering. Gideons overwinningen deden zijn inschikkelijkheid sterk uitkomen. d. Het is de eigenaardigheid van de ootmoed dat "de een de ander uitnemender acht dan zichzelf."
En wat was nu de uitslag van de twist? De Efraïmieten hadden sterk met hem getwist vers 1, de eerbied vergetende, die zij hun generaal, een man, die door God geëerd was verschuldigd waren, en aan hun hartstocht lucht gevende in een zeer onbetamelijke vrijpostigheid in hun spreken-het onmiskenbare teken van een zwakke en onverdedigbare zaak. De rede, het verstand, gaat ellendig naar de laagte naarmate het twisten hoger opvliegt. Maar Gideons "zacht antwoord keerde hun grimmigheid af," Spreuken 15:1. Hun toorn nam jegens hem af, vers 3. Er wordt te kennen gegeven, dat zij nog enige toorn behielden, maar hij heeft dit wijselijk voorbijgezien, en liet hem langzamerhand verkoelen. Zeer grote en Godvruchtige mannen moeten er op bereid zijn, dat hun geduld op de proef wordt gesteld door de onvriendelijkheid en dwaasheid zelfs van hen, die zij dienen, en moeten dit niet vreemd achten.