Richteren 8:4-17
In deze verzen zien wij:
I. Hoe Gideon als een dapper generaal de nog overblijvende Midianieten vervolgt, en kloekmoedig zijn strijd voortzet. Er was al in het begin een grote slachting onder de vijand aangericht, honderd en twintig duizend mannen die het zwaard uittrokken, waren gedood, vers 10. Zo ontzettend een bloedbad hadden zij onder elkaar aangericht, en zo gemakkelijk een prooi waren zij voor Israël. Maar het schijnt dat het de twee koningen van Midian, beter voorzien zijnde dan de overigen van middelen ter ontkoming, gelukt was om met vijftien duizend man over de Jordaan te komen voordat de passen er van door de Efraïmieten afgezet waren. Gideon denkt dat hij zijn opdracht om Israël te verlossen niet ten volle volvoerd heeft, indien hij hen laat ontkomen. Hij is niet tevreden met hen het land uitgejaagd te hebben, hij wil hen ook van de wereld verjagen, Job 18:18. Dit besluit wordt met grote volharding ten uitvoer gebracht, en met groten voorspoed gekroond.
1. Zijn standvastigheid was zeer voorbeeldig. Onder de ongunstigste omstandigheden en de grootste ontmoediging heeft hij zijn voornemen volvoerd.
a. Hij nam niemand mee dan zijn drie honderd man, die nu hun bazuinen en fakkels terzijde legden, om zwaard en spies ter hand te nemen. God had gezegd: Door deze drie honderd mannen zal Ik ulieden verlossen, Hoofdstuk 7:7. En vertrouwende op deze belofte, heeft hij deze alleen bij zich gehouden, vers 4. Hij verwachtte meer van drie honderd mannen, ondersteund door een bijzondere belofte, dan van zovele duizenden, die slechts ondersteund waren door hun dapperheid.
b. Zij waren moede, nochtans vervolgende, zeer vermoeid door hetgeen zij gedaan hadden, maar toch begerig om nog meer te doen tegen de vijanden van hun land. Zo moet onze geestelijke strijd gestreden worden met de kracht die wij hebben, hoe klein die ook zij, zeer dikwijls is dit de toestand van de Christen: moede, nochtans vervolgende.
c. Hoewel hij ontmoediging ervoer van zijn eigen volk, bespot werd om hetgeen hij deed, als iets, dat hij toch nooit zou kunnen volbrengen, is hij er toch mee voortgegaan. Indien zij, die onze helpers behoorden te wezen op de weg van onze plicht, hinderpalen voor ons blijken te zijn, dan moeten wij ons toch niet van die weg laten verdrijven. Diegenen weten Gods welgevallen niet te waarderen, die de smaad van de mensen niet weten te verachten.
d Hij deed een zeer verre tocht, op de weg van hen, die in tenten wonen, vers 11. Hetzij omdat hij hoopte hen minzamer te vinden dan de lieden van Sukkoth en Pnuel, die in ommuurde steden woonden (er wordt soms meer liefdadigheid gevonden in tenten op het land, dan in paleizen in de stad) of omdat het een weg was waarop hij het minst door de vijand verwacht werd, en zijn verschijning hen des te meer in verwarring zou brengen. Blijkbaar heeft hij geen moeite ontzien om zijn overwinning volkomen te maken. Nu bevond hij welk een voordeel het was om zijn drie honderd mannen te hebben, die honger, dorst en vermoeienis konden doorstaan. Hij schijnt de vijand `s nachts aangevallen te hebben, zoals hij ook tevoren gedaan had, want het leger was zorgeloos, overgegeven aan de slaap. De zorgeloosheid van de zondaren blijkt dikwijls hun verderf te zijn, en de gevaren zijn het noodlottigst, wanneer zij het minst gevreesd worden. 2. Zijn voorspoed was zeer bemoedigend voor vastberadenheid en ijver in een goede zaak. Hij sloeg het leger, vers 11, en nam de twee koningen gevangen, vers 12. De vrees van de goddelozen, die zal hem overkomen. Zij, die denken te vlieden van het zwaard des Heeren en van Gideon, zullen er slechts tegen inlopen. Hij zij gevloden van het ijzeren wapen, de stalen boog zal hem doorschieten, want het kwaad zal de zondaars vervolgen.
II. Wij zien hier Gideon als een rechtvaardig rechter, de onbeschaamdheid straffende van de ontrouwe Israëlieten, de lieden van Sukkoth en van Pnuel, beide in de stam van Gad aan de andere kant van de Jordaan.
1. Hun misdaad was groot. Met een handvol zwakke, vermoeide mannen joeg Gideon de gezamenlijke vijand achterna, om de verlossing van Israël te voltooien. Zijn weg voert hem eerst door de stad Sukkoth, en daarna door Pnuel. Hij verwacht niet dat de overheden van de stad hem met plichtplegingen tegemoet zullen komen, om hem geluk te wensen met zijn overwinning en hem de sleutel van hun stad aan te bieden, en dat zij hem zullen onthalen, en nog veel minder dat zij een krijgsmacht zullen zenden om de zijne te versterken, al heeft hij op dit alles ook recht gehad, maar hij verlangt slechts enig noodzakelijk voedsel voor de soldaten, die bijna bezwijken wegens gebrek er aan, en hij begeert dit zeer nederig en dringend: Geeft toch enige bollen brood aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, vers 5. Het verzoek zou redelijk geweest zijn, al waren zij slechts arme reizigers geweest, maar, in aanmerking genomen dat zij krijgslieden waren, "geroepenen, en uitverkorenen, en gelovigen," of getrouwen, Openbaring 17:14, mannen die God grotelijks had geëerd, en aan wie Israël grotelijks verplicht was, mannen, die zich zeer verdienstelijk hadden gemaakt jegens het vaderland, en zich nu nog verder verdienstelijk maakten het nog meer dienst gingen bewijzen, dat zij overwinnaars waren, en de macht hadden hen te brandschatten, dat zij Gods strijd streden en Israëls strijd streden, zou niets meer recht en billijk geweest zijn, dan dat zij hun beste levensmiddelen gaven, die in hun stad voorhanden waren. Maar de oversten van Sukkoth hebben God niet gevreesd en geen mens ontzien. Want:
a. In minachting van God weigerden zij te beantwoorden aan de rechtmatige eisen van hem, die God verwekt had om hen te verlossen, beledigden hem, hoonden hem, minachtten de voorspoed, die hij reeds verkregen had, wanhoopten aan het welslagen van zijn tegenwoordige onderneming, deden wat zij konden om hem de moed te benemen om de oorlog voort te zetten, en wilden graag geloven, dat de overgebleven krijgsmacht van de Midianieten, die zij nu door hun land hadden zien trekken, te sterk voor hem zou wezen. Is dan de handpalm van Zeba en Tsalmuna reeds in uw hand? " Neen, en dat zal zij ook nooit wezen", is hun oordeel, afgaande op de ongelijkheid van hun getallen.
b. De ingewanden van de barmhartigheid waren toegesloten tegen hun broederen, zij waren even ontbloot van liefde als van geloof, wilden geen stuksken brood (zo lezen het sommigen) geven aan hen, die schier omkwamen van honger. Waren dat oversten? Waren dat Israëlieten? Beide benamingen weren zij onwaardig, het waren lage, ontaarde mannen! Gewis moeten zij aanbidders van Baäl geweest zijn, of wel het belang van Midian toegedaan. De lieden van Pnuel gaven hetzelfde antwoord op hetzelfde verzoek, daarmee tartende het zwaard des Heeren en van Gideon, vers 8.
2. Hij heeft hen eerlijk en voegzaam gewaarschuwd voor de straf, die op hun misdaad zou volgen. a. Hij heeft hen niet terstond gestraft, omdat hij geen tijd wilde verliezen om de vluchtenden vijand na te jagen, en hij het ook niet wilde doen in drift of hartstocht, en het liever wilde doen tot hun meerdere beschaming, als hij zijn onderneming volbracht zou hebben, die zij onuitvoerbaar echtten. Maar
b. Hij zei hun hoe hij haar zou straffen vers 7, 9, om te tonen dat hij vertrouwde in de kracht Gods wèl te zullen slagen, en omdat zo er nog het minste vonkje van genade of welwillendheid in hen was overgebleven zij bij nadere overweging tot inkeer zouden komen, hun dwaasheid zouden inzien en er berouw van hebben en zouden bedenken hoe hun gedrag te vergoeden door hem hulp en levensmiddelen te zenden, en zo zij dit gedaan hadden, zou Gideon hun ongetwijfeld vergiffenis hebben geschonken. God geeft kennis van het gevaar, en tijd voor berouw en bekering, opdat de zondaren de toekomende toorn zouden ontvlieden.
3. De waarschuwing in de wind geslagen zijnde, was de straf, hoewel zeer streng, toch rechtvaardig.
A. De oversten van Sukkoth werden het eerst tot een waarschuwend voorbeeld gesteld. Gideon had bericht gekregen van hun aantal, hun namen en hun woonplaatsen, die hem schriftelijk werden opgegeven, vers 14. En tot hun grote verwondering was hij, toen zij dachten dat hij de Midianieten nog nauwelijks ingehaald kon hebben, reeds als overwinnaar wedergekeerd. Zijn drie honderd mannen waren nu zijn dienaren van de gerechtigheid, zij namen al de oversten gevangen en voerden hen voor Gideon, die hun zijn koninklijke gevangenen toonde in ketenen. "Dat zijn de mannen, tegen wie gij mij niet opgewassen hebt geacht, en om wie te vervolgen gij mij geen hulp hebt willen verlenen," vers 15. En hij tuchtigde hen met doornen en distelen, doch, naar het schijnt, niet ten dode. Hij veroorzaakte er pijn mee aan hun lichaam, hetzij door hen er mee te geselen of hen er in te wentelen, hij dorste hen er mede, vers 7. Diegenen zullen een oordeel ontvangen zonder barmhartigheid, die geen barmhartigheid getoond hebben. Misschien zag hij dat zij zwakke mannen waren, die hem en zijn metgezellen verachtten om hun ruwheid en gehardheid en daarom heeft Gideon hen om deze weekheid aldus getuchtigd.
b. Hij onderwees hun geest, hun gemoed, hij deed de lieden van Sukkoth door dezelve verstaan, vers 16. De kastijding, die hij hun gaf, was bedoeld, niet voor hun verderf, maar als heilzaam tuchtmiddel, ten einde hen voor het vervolg wijzer en beter te maken. Hij deed hen kennen-zo is het woord in het Hebreeuws-zichzelf en hun dwaasheid God en hun plicht, deed hen verstaan wie Gideon was, daar zij het-niet verstonden, door de voorspoed, waarmee God hem gekroond had. Velen worden onderwezen door doornen en distelen, die op geen andere wijze onderwezen willen worden. Door de roede en bestraffing geeft God wijsheid, Hij kastijdt en onderwijst, en door bestraffing opent Hij het oor ter tucht. Onze gezegende Heiland heeft, hoewel Hij de Zoon was, "gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden," Hebreeën 5:8. Laat iedere smartende doorn en weedoende distel inzonderheid als het een doorn in het vlees wordt, aldus begrepen en gebruikt worden: "Hiermede bedoelt God mij te onderwijzen, welke goede les zal ik leren?
B. Vervolgens kwam Pnuels oordeel, en dat scheen strenger te zijn dan het vorige, ongetwijfeld om goede redenen, vers 17..
a Hij wierp hun toren af, waarin zij roemden en waarop zij vertrouwden, misschien aan Gideon en zijn mannen minachtend de raad gevende, om daar liever veiligheid in te zoeken dan de Midianieten te vervolgen. Datgene, waarop de mensen zich verhovaardigen, zal door verwoest te worden dikwijls en terecht tot hun schande worden gemaakt.
b. Hij doodde de lieden van de stad, niet allen misschien niet de oversten of oudsten, maar hen, die hem hadden beledigd, en hen alleen. Hij doodde sommige lieden van de stad, die het onbeschaamdst en beledigendst waren geweest ter verschrikking van de overigen, en aldus deed hij het de lieden van Pnuel verstaan.