Richteren 6:33-40
I. Hier hebben wij: de inval van de vijanden van Israël, vers 33. Een groot aantal van Midianieten, Amalekieten en Arabieren verenigden zich en trokken over de Jordaan, terwijl niemand het waagde of er aan dacht om die zo gewichtiger en voordelige pas tegen hen te verdedigen. Zij vestigden hun hoofdkwartier in het dal van Jizreël, in het hart van de stam van Manasse, niet ver van Gideons stad. Sommigen denken dat het bericht, hetwelk zij ontvingen van Gideons afbreken van Baäls altaar hen herwaarts had doen komen, en dat zij kwamen om voor Baäl te twisten, en dit tot een voorwendsel maakten om met Israël te twisten. Het is echter meer waarschijnlijk dat het nu oogsttijd was, wanneer zij gewoon waren ieder jaar zo'n inval te doen, vers 3, en verwacht werden, toen Gideon bezig was te dorsen, vers 11. God heeft Gideon verwekt om gereed te zijn tegen de tijd, wanneer die ontzettende slag zou vallen. Hun succes gedurende zovele jaren bij deze invallen, de weinige tegenstand, die zij er bij ontmoetten, en de rijke buit, die zij behaalden, hadden hen nu zeer ijverig en daarbij zeer gerust gemaakt, maar het bleek, dat de mate hunner ongerechtigheid nu vol was, het jaar van de vergelding was gekomen, zij moesten nu een einde maken aan de roof, en beroofd worden, en zij zijn "vergaderd als schoven voor de dorsvloer," Micha 4:12, 13, om door Gideon gedorst te worden.
II. Gideons toebereidselen om hen aan te vallen in hun leger, vers 34, 35.
1. Door Zijn Geest bezielde God Gideon met nieuw leven. De Geest des Heeren toog Gideon aan, Hij toog hem aan, dat is, bekleedde hem als met een gewaad, om eer op hem te leggen, bekleedde hem als met een harnas om hem te beschutten. Diegenen zijn goed gekleed, die aldus bekleed zijn. "Een geest van vastberadenheid en moed van het aangezicht des Heeren toog Gideon aan,' aldus de Chaldeër. Hij was uit zichzelf een strijdbare held, maar persoonlijke kracht en moed, hoe krachtig ook aangewend, zouden toch niet volstaan voor dit grote krijgsbedrijf, hij moet de wapenrusting Gods aanhebben, en die is het, waarop hij moet steunen. De Geest des Heeren toog hem aan op buitengewone wijze, die God roept tot Zijn werk, zal Hij er voor bekwaam maken en bezielen. Met zijn bazuin bracht Gideon leven in zijn naburen, God met hem werkende. Hij blies met de bazuin om vrijwilligers op te roepen, en er kwamen meer dan hij wellicht verwacht had.
a. De Abiëzrieten, hoewel nog kort tevoren op hem verwoed wegens het afbreken van het altaar van Baäl en hoewel zij hem ter dood hadden veroordeeld als een misdadiger, waren nu overtuigd van hun dwaling en kwamen hem kloekmoedig te hulp, zich aan hem onderwerpende als hun krijgsoverste, de Abiezrieten werden achter hem bijeengeroepen vers 34 zó plotseling kan God het hart wenden, zelfs van afgodendienaars en vervolgers.
b. Afgelegen stammen, zelfs Aser en Nafthali, die het verst verwijderd waren, en vreemdelingen voor hem waren, gehoorzaamden zijn oproep, en zonden hem hun beste krachten vers 35. Zij waren het verst verwijderd van het gevaar, maar overwegende dat, zo hun naburen nu door de Midianieten geteisterd en onderdrukt werden, de beurt weldra aan hen zou komen, waren zij ijverig om zich met hun broederen tegen de gemeenschappelijke vijand te verenigen.
III. De tekenen, die God hem toestond ter bevestiging van zijn eigen geloof en van het geloof van zijn volgelingen, en het was misschien meer om hunnentwil dan om zijnentwil, dat hij er om vroeg of ze begeerde. Het kan ook wezen, dat hij ze begeerde ten einde de overtuiging te hebben, dat dit de tijd was om de Midianieten te slaan en te overwinnen, of dat hij op een andere gelegenheid moest wachten.
Merk op:
1. Zijn verzoek om een teken vers 36, 37. "Laat mij hieraan weten, dat Gij Israël door mijne hand zult verlossen, laat op een wollen vacht, uitgespreid in de open lucht, dauw zijn, en laat de grond er om heen droog wezen." De strekking hiervan is: Heere, ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp. Hij vond zijn eigen geloof zwak en wankelend, en daarom bad hij God om door dit teken te volmaken hetgeen er aan ontbrak. Wij kunnen veronderstellen dat God die voornemens was hem deze tekenen te geven tot heerlijkheid van Zijn eigen goedheid en macht, het in zijn hart heeft gegeven om erom te vragen, maar toen hij zijn verzoek deed om een tweede teken, dat het tegenovergestelde zou zijn van het eerste, heeft hij het gedaan met een zeer nederige bede om verontschuldiging, Zijn misnoegen afbiddende, omdat het de schijn had van een gemelijk en grillig wantrouwen van God, een niet voldaan zijn met de vele verzekeringen, die Hij hem reeds had gegeven, vers 39, Uw toorn ontsteke niet tegen mij. ander teken te vragen, deed hij het toch met zoveel vrezen en beven, dat er wèl uit bleek dat de gemeenzaamheid, waartoe God hem genadiglijk had toegelaten, geen minachting bij hem had teweeggebracht van Gods heerlijkheid of een misbruik maken van Gods goedheid. Abraham had hierin een voorbeeld gegeven, toen God hem veroorloofde zeer vrij en vrijmoedig bij Hem te zijn, Genesis 18:30, 32. Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreek. Gods gunst moet met grote eerbied worden gezocht, in het besef van de grote afstand, die ons van Hem scheidt, en in heilige vrees voor Zijn toorn.
2. Gods genadig toestaan van zijn verzoek. Zie hoe teder God is voor oprechte gelovigen, al zijn zij ook zwak, en hoe bereid om tegemoet te komen aan hun zwakheid, opdat het gekrookte riet niet worde verbroken, en de rokende vlaswiek niet worde uitgeblust. Gideon begeerde de vacht nat en de grond droog te zien, maar opdat nu niet iemand zou zeggen: "het is natuurlijk dat wol het minste vocht dat er valt in zich opneemt en dus was daar niets buitengewoons in", al was ook de hoeveelheid water, die hij uitwrong groot genoeg om die tegenwerping te voorkomen, verlangt hij toch dat in de volgenden nacht de grond nat zou zijn en het vlies droog, en zo bereid is God "om de erfgenamen van de beloftenis een sterke vertroosting te geven," Hebreeën 6:17-18, zelfs door twee onveranderlijke dingen, dat Hij zich niet alleen door hun dringen en aandringen laat overmogen, maar zelfs door hun twijfelingen en onvoldaanheid voorschrijven wat Hij doen zal.
Deze tekenen waren:
a. In waarheid wonderbaarlijk, en dus overvloedig dienstbaar tot bevestiging van zijn opdracht. Van de dauw wordt gezegd, dat hij "van de Heere is, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt." Micha 5:6. En toch heeft God hier in deze zaak naar de stem van een man gehoord, zoals Hij Jozua verhoord heeft in de leiding van de loop van de zon, zo heeft Hij Gideon verhoord in het leiden van de dauw, waaruit blijkt, dat hij-de dauw-niet valt bij geval, maar door de voorzienigheid Gods. Het laatste teken was een omkering van het eerste, en, om aan Gideon genoegen te doen werd dit wonder als het ware, van voren en van achteren te aanschouwen gegeven, waarnaar Dr. Fuller opmerkt, dat de wezenlijke wonderen des hemels het kunnen verdragen om van alle kanten beschouwd en, als het ware, binnenst buitenst gekeerd te worden. b. Vol van betekenis. Hij en zijn mannen gingen de strijd aan met de Midianieten, kon God onderscheiden tussen een kleine vacht van Israël en de groten vloer van Midian? Ja, hiermede maakt Hij bekend dat Hij het kan. Verlangt Gideon dat de dauw van de Goddelijke genade op hem in het bijzonder zal nederdalen? Hij ziet de vacht nat van de dauw, om hem er van te verzekeren. Begeert hij dat God als de dauw zal zijn voor Israël? Zie, de gehele aarde is nat. Sommigen houden deze vacht voor een embleem van het Joodse volk, dat indertijd bevochtigd was met de dauw van Gods Woord en inzettingen, terwijl het overige van de wereld droog was, maar sedert hun verwerping van Christus en Zijn Evangelie zijn zij dor en droog als de heide in de wildernis, terwijl de natiën rondom zijn als een bewaterde hof.