Richteren 5:12-23
I. Hier wekt Debora zichzelf en Barak op om op de plechtigste wijze deze overwinning te bezingen tot heerlijkheid Gods en ter ere van Israël, ter aanmoediging van hun vrienden en ter groter beschaming van hun vijanden, vers 12.
1. Als profetes moet Debora het doen door een lied, en zij wekt zich op om het te dichten en te zingen, Waak op, waak op, Debora, en wederom: Waak op, waak op. Hiermede geeft zij te kennen zich bewust te zijn van het voortreffelijke en het moeilijke van het werk, het behoefde en verdiende de uiterste levendigheid en kracht van ziel in het volbrengen er van, al de krachten en gaven van de geest moeten er voor gebruikt worden. En aldus geeft zij ook uitdrukking aan de bewustheid, die zij had van haar eigen zwakheid, van haar neiging om in het werk te verslappen. Het loven van God is een werk, waartoe wij ons moeten opwekken, Psalm 108:3.
2. Barak, als generaal, moet het doen door een zegepraal. Leid uw gevangenen gevangen. Hoewel Sisera's leger te velde verslagen werd en geen lijfsgenade werd verleend, kunnen wij toch veronderstellen, dat bij het opvolgen van de overwinning, toen de krijg inhet landvan de vijand werd overgebracht, er velen gevonden werden, die geen wapens droegen, en dat deze tot krijgsgevangenen werden gemaakt, deze wilde zij in ketenen Barak doen volgen, als hij zijn openbare intocht hield in de stad, om zijn triomf op te luisteren, niet, alsof het hem een genoegen was zijn medeschepselen te vertreden, maar aldus moet hij eer geven aan God, en het goede doeleinde van Zijn regering dienen, welke daarin bestaat: de hoogmoedigen te zien en hen te vernederen.
II. Zij geeft een goede reden op voor deze lof en triomf, vers 13. Deze glorierijke overwinning had aan het overblijfsel van Israël en aan Debora in het bijzonder, een zeer groot aanzien gegeven, en zij waren dit volstrekt en alleen aan God verschuldigd.
1. De Israëlieten waren weinig talrijk en onbeduidend geworden, en toch gaf God hun heerschappij over de heerlijken, dat is de edelen. Velen van hen waren door de vijand gedood, velen stierven van verdriet, en misschien waren sommigen van hen met hun gezin en hun bezitting uitgeweken naar vreemde landen, en toch hebben de weinigen, die overgebleven waren, door de hulp Gods en met een enkele kloekmoedige daad, niet alleen het juk van de verdrukking afgeschud van hun eigen hals, maar macht verkregen over hun verdrukkers. Zolang er nog iemand van Gods Israël is overgebleven, (en ook in de slechtsten tijd zal God nog een overblijfsel hebben) is er hoop, al is dit overblijfsel ook nog zo klein, want God kan hem, die overgebleven is, al is hij slechts een enkel persoon, over de machtigsten en hoogmoedigsten doen zegevieren.
2. Debora zelf behoorde tot de zwakkere kunne, die sedert de val veroordeeld was tot onderworpenheid, en toch heeft de Heere, die zelf hoger is dan de hoogsten, haar gemachtigd om over de geweldigen te heersen, de geweldigsten van Israël, die zich gewillig onderwierpen aan haar leiding, en haar instaat gesteld om over de geweldigsten van Kanaän te zegevieren, die vielen voor het leger, dat onder haar bevelen stond, zo verwonderlijk heeft Hij de nederen staat van Zijn dienstmaagd aangezien. "De Heere heeft mij, een vrouw, doen heersen over de geweldigen." Een verachte steen wordt tot hoofd des hoeks gesteld. Dit is van de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen. III. Zij maakt bijzondere opmerkingen op hen die in deze grote krijgsverrichting betrokken waren, nota er van nemende, wie tegen hen streed wie voor hen streed, en wie onzijdig bleven.
1. Wie tegen hen streed. Er moet nota worden genomen van de macht van de vijand opdat de overwinning zoveel glorierijker uitkomt. Jabin en Sisera waren vermeld in de geschiedenis, maar hier blijkt nu nog:
a. Dat Amalek in verbond was met Jabin, en hem hulp zond, of dit tenminste poogde te doen. Efraïm wordt hier gezegd tegen Amalek te hebben gestreden vers 14, waarschijnlijk had hij hulptroepen van de Amalekieten onderschept en afgesneden, die op weg waren om zich met Sisera's krijgsmacht te verenigen. Amalek had Moab geholpen om Israël te verdrukken, Hoofdstuk 3:13, en had nu Jabin geholpen. De Amalekieten waren onverzoenlijke vijanden van Gods volk, wier hand altijd op de troon des Heeren was, Exodus 17:16, en daarom te meer gevaarlijk.
b. Dat anderen uit de koningen van Kanaän, die na de nederlaag, hun door Jozua toegebracht, zich enigszins hersteld hadden, zich bij Jabin hadden gevoegd, zijn leger met hun hulptroepen hadden versterkt, daar zij dezelfde onverzoenlijke vijandschap koesterden tegen Israël als hij, en die koninkrijken, toen zij in hun kracht waren onderworpen zijn geweest aan de koning van Hazor, Jozua 11:10 s. Deze koningen kwamen en streden, vers 19. Israël had geen koning, hun vijanden hadden velen, wier macht en invloed, inzonderheid als zij in verbond met elkaar handelden, hen zeer geducht maakten maar toch was Israël, dat de Heere tot zijn Koning had, hun allen te sterk. Van deze koningen wordt gezegd: Zij brachten geen gewin des zilvers daarvan, het waren geen huurlingen in de dienst van Jabin, (de zodanigen blijken dikwijls onbetrouwbaar in de nood) neen, het waren vrijwilligers, van harte de zaak tegen Israël toegedaan. Zij begeerden de schatten niet van zilver, zegt de Chaldeer, het was hun slechts om Israëls ondergang te doen. Handelende uit beginsel waren zij des te meer geducht, en zullen des te meer wreed zijn.
2. Wie voor hen streden. Van de verschillende stammen, die hen in deze grote krijgsverrichting bijstonden, wordt hier met ere gesproken, want, hoewel God voornamelijk en in de eerste plaats verheerlijkt moet worden behoren de werktuigen in Zijn dienst toch de hun toekomende lof te ontvangen ter aanmoediging van anderen, maar, met dat al: het was de hemel, die de schaal deed overhellen naar de zijde van Israël.
A. Efraïm en Benjamin, de stammen, onder wie Debora zelf leefde, hebben zich onder haar invloed veel moeite en inspanning getroost, en hielden zich kloekmoedig, want haar palmboom was in de stam van Efraïm, en dicht bij die van Benjamin, vers 14. Uit Efraïm was hun wortel, en in die wortel leven, tegen Amalek. Er was in Efraïm een berg, de berg van de Amalekiet genaamd, (vermeld in Hoofdstuk 12:15) die, naar sommigen denken, hier bedoeld is en sommigen lezen de zin: Er was een wortel in Amalek, dat is: in die berg, een krachtig besluit in het hart van dat volk, om de verdrukkers het hoofd te bieden, hetgeen de wortel was van de zaak. Hierin had Benjamin een goed voorbeeld gegeven onder zijn volk, Efraïm bewoog zich achter u, Benjamin. Hoewel Benjamin de jongste stam was, en vooral in die tijd zeer achterstond bij Efraïm in aantal zowel als in vermogen, heeft Efraïm toch, waar zij-de Benjaminieten voorgingen, hen gevolgd, en is voor de gemeenschappelijke zaak opgekomen. Als wij de stoutmoedigheid niet hebben om te leiden, voor te gaan, moeten wij toch niet zo trots of zo gemelijk zijn van niet te willen volgen, zelfs onze minderen te volgen, als het in een goed werk is. Efraïm was op enige afstand van de plaats van de handeling, en kon daarom niet veel van zijn takken uitzenden in de dienst. Maar Debora, die een van hun was, wist dat er een wortel in hen was, en dat zij de zaak van harte waren toegedaan. Dr. Lightfoot geeft hier een geheel andere zin aan: Jozua, van Efraïm, is een wortel van zulke overwinningen geweest over Amalek, Exodus 17, en Ehud van Benjamin, nu onlangs tegen Amalek en Moab.
B. Het ijs gebroken zijnde door Efraïm en Benjamin, hebben Machir (de halve stam van Manasse aan de andere kant van de Jordaan) en Zebulon mannen gezonden, die zeer dienstig waren voor dit grote doel. Als een leger op de been gebracht moet worden, inzonderheid onder zulke nadelige omstandigheden als veroorzaakt werden door het langdurig ontwend zijn aan het gebruik van de wapenen en de mismoedigheid des volks, dan is het van het grootste belang om voorzien te worden:
a. Van mannen van moed voor officieren, en van dezulken heeft het geslacht van Machir hen voorzien want vandaar kwamen de wetgevers, of eigenlijk de bestuurders. De kinderen van Machir waren inzonderheid vermaard om hun dapperheid in de tijd van Mozes, Numeri 32:39, en het schijnt dat die eigenschap van kloekmoedigheid voortleefde in hun geslacht, temeer, daar zij hun bezittingen hadden aan de grenzen.
b. Van mannen van geleerdheid en vernuft, om secretarissen te zijn van krijgszaken, en van de zodanigen werden zij voorzien uit de stam van Zebulon. Vandaar kwamen mannen, die de pen van de schrijvers hanteerden, schrijvers, die de orders uitvaardigden, circulaires schreven, lastbrieven opstelden, monsterrollen nazagen en de rekeningen bijhielden. Zo moet "een ieder gelijk hij gave ontvangen heeft, haar bedienen aan de anderen, tot welzijn van het algemeen" 1 Petrus 4:10. De ogen zien, en de oren horen, voor het gehele lichaam. Ik weet dat het algemeen verstaan wordt van de voortvarendheid zelfs van de geleerden uit die stam, die de wet bestudeerden en verklaarden, om voor deze zaak de wapens op te vatten, hoewel zij meer wisten van boeken dan van de krijgskunst. Zo zegt Sir Richard Blackmore:
"De geleerde schrijvers van Zebulon legden de pen neer en grepen naar het zwaard."
C. Ook Issaschar bewees goede diensten. Hoewel hij de rust zag, dat zij goed was, en daarom zijn schouder boog om te dragen, dat de hoedanigheid is van deze stam, Genesis 49:15, hebben zij het toch nu veracht om het juk te dragen van aan Jabin schatting te betalen, en gaven zij nu de voorkeur aan het moeizame, maar edele werk van de strijd, boven een slaafse rust. Hoewel er niet veel gewone soldaten uit die stam geworven schijnen te zijn, waren toch de vorsten in Issaschar met Debora en Barak, vers 15, waarschijnlijk in een grote krijgsraad om hun in geval van nood van raad te dienen. En het schijnt wel dat deze vorsten van Issaschar in persoon met Barak te velde zijn getogen. Ging hij te voet? Zij liepen met hem, noch met hun achtbaarheid te rade gaande, noch met hun gemak. Ging hij in het dal, de plaats van het meeste gevaar? Zij stelden zich met hem bloot aan het gevaar en waren nog aan zijn rechterhand om hem raad te geven, want "de kinderen Issaschars waren mannen, ervaren in het verstaan van de tijden," 1 Kronieken 12:32.
D. Zebulon en Nafthali waren de stoutsten en bedrijvigsten van al de stammen, niet alleen uit een bijzondere genegenheid voor Barak maar omdat zij het dichtst bij Jabin lagen, en het juk van de verdrukking hun zwaarder was de voor de andere stammen. Beter te sterven in eer, dan te leven in slavernij, en daarom hebben zij in vrome ijver voor God en hun land, hun ziel versmaad ten dode op de hoogten van het veld, vers 18. Met welk een heldhaftige dapperheid rukten zij voorwaarts, deden zij hun aanval, zelfs op de ijzeren wagens, het gevaar verachtende, en in zo goed een zaak de dood zelf tartende!
E. De sterren aan de hemel schenen op Israëls zijde, vers 20. De sterren uit haar loopplaatsen streden volgens de order en het bestuur van Hem, die de grote Heere is van hun heirscharen, tegen Sisera door hun boze invloeden, of door stormen te veroorzaken met donder en hagel, die zoveel hebben bijgedragen tot de volkomen nederlaag van Sisera. De Chaldeër leest de zin: "Van de hemel, van de plaats waar de sterren uitgaan, werd strijd gevoerd tegen Sisera, " dat is: de macht van de God des hemels was tegen hem, gebruik makende van de dienst van de engelen van de hemel. Op de een of andere wijze hebben de hemellichamen (niet in hun loop gestuit, zoals toen op Jozua's woord de zon stilstond, maar hun loop vervolgende) tegen Sisera gestreden. Tegen hen, van wie God een vijand is, voert geheel de schepping krijg. Misschien hebben de bliksemstralen, waarmee de sterren streden, de paarden verschrikt, zodat zij renden totdat hun hoeven verpletterd waren, vers 22, en waarschijnlijk de ijzeren wagens, die zij trokken, omvergeworpen werden, misschien wel op hen, die ze bestuurden.
F. De beek Kison streed tegen hun vijanden. Zij wentelde hen weg, die gehoopt hadden er doorheen te zullen ontkomen, vers 21. Gewoonlijk was het slechts een ondiepe beek, en daar zij in hun eigen land stroomde, kunnen wij veronderstellen, dat zij goed met haar waadbare plaatsen bekend waren, maar nu was zij, waarschijnlijk door zware regens zo gezwollen, en was de stroom zo diep en sterk, dat zij, die beproefden haar te passeren, verdronken daar zij uitgeput van vermoeienis, zwak waren en niet instaat om er zich een weg door heen te banen. En toen werden de paardenhoeven verpletterd van het stampen of draven. De beek Kison wordt de oude beek genoemd, vers 21 omdat zij door oude geschiedschrijvers beschreven, of door oude dichters bezongen werd, of liever, omdat vanouds in de raad Gods besloten was om op dat tijdstip Zijn doeleinden tegen Sisera te dienen, en het ook deed, alsof zij expres daartoe gemaakt was, zo wordt van de wateren van de oude vijver gezegd, dat God ze lang tevoren geformeerd heeft, voor het gebruik, waartoe zij dienden, Jesaja 22:11.
G. Debora's eigen ziel streed tegen hen. Met een heilig juichen spreekt zij daarvan vers 21. O mijn ziel, gij hebt de sterken vertreden. Zij deed het door anderen op te wekken om het te doen, en hen bijstaande, hetwelk zij van ganser harte gedaan heeft, ook door haar gebed. Gelijk Mozes Amalek overwonnen heeft door zijn hand op te heffen, zo heeft Debora Sisera verslagen door haar hart op te heffen. En als de ziel werkzaam is in heilige oefeningen van de Godsvrucht, en daar hartewerk van gemaakt wordt, dan zullen door de genade van God onze geestelijke vijanden vertreden worden en vallen voor ons aangezicht.
3. Zij merkt op wie in de grote strijd onzijdig is gebleven, niet, zoals verwacht kon worden, aan Israëls zijde heeft gestaan. Het is vreemd te zien hoe velen, zelfs van hen, die Israëlieten werden genaamd, laaghartig deze glorierijke zaak hebben verlaten, geweigerd hebben er voor op te treden. Er wordt geen melding gemaakt van Juda of Simeon onder de stammen, die er bij betrokken waren, omdat zij, zover van het toneel van de oorlog verwijderd zijnde, geen gelegenheid hadden om op te komen, derhalve het van hen ook niet werd verwacht. Maar wat hen betreft die in de nabijheid waren, en toch niets wijden doen, hun wordt hier een onuitwisbaar brandmerk van de schande ingedrukt, en zij verdienden het. A. Ruben heeft laaghartig de dienst geweigerd, vers 15, 16. Met recht was hem lang tevoren het voorrecht van de eerstgeboorte ontnomen, en nog kleeft hem het oordeel van zijn stervende vader aan: "Onvast als water, gij zult niet uitmunten." Twee dingen stonden hem in de weg om zich tot de dienst te begeven.
a. Hun verdeeldheid. Tweemaal wordt deze wanluidende snaar door haar aangeroerd tot hun schande. Voor de gedeelten van Ruben (of in deze verdeeldheden) waren grote gedachten, indrukken en onderzoekingen van het hart. Niet alleen voor hun gedeeld of gescheiden zijn van Kanaän door de Jordaan, dat behoefde geen verhindering voor hen te zijn, indien zij hart hadden gehad voor de zaak, want Gilead was aan de andere kant van de Jordaan, en toch zijn van Machir in Gilead wetgevers afgetogen, maar het betekent: of dat zij verdeeld waren onder elkaar, het niet eens konden worden wie gaan zou of wie de aanvoerder zou zijn, ieder van hun de post van de eer begerende, en die het gevaar vreesde. De een of andere onzalige twist in hun stam belette hen zich te verenigen met elkaar en met hun broederen tot welzijn van het algemeen. Of, dat zij in mening omtrent deze oorlog verschilden van de overige stammen. Zij dachten dat de onderneming niet te rechtvaardigen of niet uitvoerbaar was, en daarom laakten zij hen, die er aan deelnamen, en weigerden dus om er zelf deel aan te nemen, dit veroorzaakte grote onderzoekingen van het hart bij de overigen, inzonderheid toen zij reden hadden om te vermoeden, dat wet Ruben nu ook mocht voorgeven, zijn stilzitten voortkwam uit verkoeling van zijn genegenheid voor zijn broederen, een vervreemding van het hart van hen, hetgeen vele treurige gedachten bij hen opwekte. Het smart ons te zien dat de kinderen van onze moeder toornig op ons zijn, omdat wij onze plicht doen, ons als vreemdelingen aanzien als wij hun vriendschap en hulp het meest behoeven.
b. Hun wereldlijke zaken en aangelegenheden. Ruben bleef zitten tussen de stallingen, een warmer en veiliger plaats dan het leger, voorgevende dat zij de schapen, die zij hoedden, niet geschiktelijk konden verlaten, zij hoorden gaarne het geblaat van de kudden, of zoals sommigen het lezen, het fluiten van de kudden, de muziek, die de herders maakten op hun herdersfluiten, en de herdersliederen, die zij zongen, deze verkoos Ruben boven de krijgstrompet. Zo worden velen teruggehouden van hun plicht uit vrees voor moeite of last, uit gemakzucht en een ongeregelde gehechtheid aan hun wereldlijk bedrijf en gewin. Mensen van een enghartig, zelfzuchtig bestaan bekommeren zich niet om hetgeen er wordt van de belangen van Gods kerk, zo zij slechts geld kunnen verkrijgen, behouden en opleggen, zij "zoeken allen het hunne," Filipp. 2:21.
B. Dan en Aser deden hetzelfde, vers 17. Deze twee lagen aan de zeekust, en:
a. Dan gaf voor dat hij zijn schepen niet kon verlaten, of zij zouden aan gevaar zijn blootgesteld, en daarom: ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. De mannen uit die stam voerden misschien aan, dat hun zeehandel hen ongeschikt maakte voor krijgsdienst te land en er van afleidde, maar Zebulon was ook een haven voor schepen, een zeevarende stam, en was toch ijverig werkzaam in deze onderneming. Er is geen verontschuldiging, die wij aanvoeren om onze plicht van ons af te schuiven, of anderen hebben haar op zij gezet, wier moed en vastberadenheid tegen ons zullen opstaan en ons zullen beschamen.
b. Aser gaf voor dat hij thuis moest blijven om de scheuren te herstellen, die de zee op sommige plaatsen in zijn land heeft veroorzaakt, en om zijn kusten te versterken tegen de aanvallen van haar golven, of hij bleef in zijn inhammen of kleine havens, waar zijn handelsschepen lagen, om die te bewaken. Het minste en geringste zal hun tot voorwendsel dienen om thuis te blijven, die geen lust hebben om zich tot de dienst te begeven, al is die ook nog zo noodzakelijk, omdat er moeite en gevaar aan verbonden is.
c. Maar bovenal wordt Meroz veroordeeld, en een vloek uitgesproken over de inwoners er van, omdat zij niet gekomen zijn tot de hulpe des Heeren, vers 23. Waarschijnlijk was dit een stad die dicht bij het toneel van de oorlog was gelegen, derhalve de inwoners een schone gelegenheid hadden om hun gehoorzaamheid aan God te tonen, en hun zorgvolle belangstelling in Israël, en om aan de algemene zaak goede diensten te bewijzen, maar zij hebben het laaghartig geweigerd uit vrees voor Jabins ijzeren wagens, daar zij er hun huid niet aan wilden wagen. De Heere had hun hulp niet nodig, Hij heeft getoond dat Hij Zijn werk ook zonder hen wel afkon, maar dit was hun niet te danken, voor zoveel zij wisten zou de onderneming mislukt kunnen zijn uit gebrek aan hun hulp, en daarom werden zij gevloekt wegens hun niet komen tot de hulp des Heeren, toen toch de oproep was uitgegaan: Wie is er aan de zijde des Heeren? die kome en helpe! De zaak tussen God en de machtigen (de overheden en machten van het rijk van de duisternis) laat geen onzijdigheid toe. Op hen, die niet voor Hem zijn, ziet God als tegen Hem te zijn. Deze vloek wordt uitgesproken door de Engel des Heeren, onze Heere Jezus, de Vorst van het heir des Heeren, (en die Hij vloekt zijn in waarheid gevloekt) en verder dan wij van Hem last en bevel er toe ontvangen, mogen wij niet gaan met onze vloek. Hij, die al Zijn goede krijgsknechten rijkelijk zal belonen, zal gewis alle lafaards en deserteurs streng straffen. Deze stad Meroz schijnt toen een aanzienlijke plaats geweest te zijn, daar er iets groots van verwacht werd, maar waarschijnlijk is zij nadat de Engel des Heeren deze vloek er over uitgesproken heeft, achteruitgegaan, en evenals de vijgeboom, die Christus vervloekt had, verdord en vergaan, zodat wij er nooit meer van lezen in de Schrift.