Richteren 3:12-30
Ehud is de volgende richter, wiens daden in deze geschiedenis worden vermeld, en hier is er een bericht van.
1. Als Israël weer zondigt, verwekt God een nieuwe verdrukker, vers 12-14. Het was een verzwaring van hun goddeloosheid, dat zij wederom kwaad deden, nadat zij zolang wegens hun vorige ongerechtigheid hadden geleden, zoveel goeds van zich lieten verwachten, toen Othniël hen richtte, en zoveel genade van God hadden ontvangen in hun uitredding. Hoe! na dit alles wederom Zijn geboden overtreden! Bleef de ziekte hardnekkig aanhouden tegen iedere methode van genezing is, bijtende zowel als verzachtende? Zo schijnt het geweest te zijn. Misschien dachten zij wel weer te kunnen toegeven aan hun oude zonden, omdat zij zich in geen gevaar zagen van hun oude verdrukker, de kracht van dat koninkrijk was verzwakt, maar God deed hun weten dat Hij velerlei roeden had om hen er mee te tuchtigen, Hij sterkte Eglon, koning van Moab tegen hen. Deze verdrukker lag naderbij dan de vorige, en zal hun dus zoveel temeer kwaad kunnen doen. Gods oordelen naderden langzaam tot hen, om hen nog tot bekering te brengen. Toen Israël in tenten woonde, maar aan zijn oprechtheid vasthield, werd Balak, de koning van Moab, die zich tegen hen wilde sterken, teleurgesteld in zijn voornemen en plannen hiertoe, maar nu Israël God had verlaten, en de goden aanbad van de volken, die rondom hen gelegen waren (misschien wel ook die van de Moabieten) was er een andere koning van Moab, die God tegen Israël sterkte, hem macht gaf, hoewel hij een goddeloos man was, om een gesel voor Israël te kunnen zijn. "De stok in zijn hand, waarmee hij Israël sloeg, was de grimmigheid des Heeren hoewel hij het zo niet meende, en zijn hart alzo niet dacht," Jesaja 10:6, 7. Israëlieten deden kwaad, en Moabieten deden, naar wij kunnen veronderstellen nog meer kwaad, maar toch wordt, omdat God de zonden van Zijn eigen volk straft in deze wereld, opdat het vlees teniet gedaan zijnde, de geest behouden zou worden, Israël verzwakt en Moab gesterkt tegen Israël. God wilde de Israëlieten, toen zij de sterksten waren, niet toelaten de Moabieten te beangstigen, noch zich met hen te mengen, hoewel zij afgodendienaars waren, Deuteronomium 2:9, en nu liet Hij de Moabieten toe Israël te beangstigen, en sterkte hen hiertoe, Uw oordelen, o God, zijn een grote afgrond! De koning van Moab nam de Ammonieten en de Amalekieten tot zijn hulp, vers 13, en dat sterkte hem, en hier wordt ons gezegd hoe zij overmocht hebben.
1. Zij sloegen hen in het veld. Hij toog heen en sloeg Israël vers 13, niet slechts de stammen aan de andere kant van de Jordaan, die het dichtst bij hem waren, en die wel het eerst gevestigd waren, maar, grensstammen zijnde, het meest verontrust werden, maar ook die aan de binnenzijde van de Jordaan, want zij maakten zich meester van de Palmstad, die waarschijnlijk een sterkte was nabij de plaats waar Jericho gestaan had, want die stad werd aldus genoemd, Deuteronomium 34:3. en waarin de Moabieten een garnizoen legden om Israël te beteugelen, en de passen over de Jordaan te beveiligen teneinde de gemeenschap met hun eigen land te onderhouden. Het was goed voor de Kenieten, dat zij deze stad verlaten hadden, Hoofdstuk 1:16, eer zij de vijand in handen was gevallen. Zie hoe spoedig de Israëlieten datgene verloren hebben door hun eigen zonde, wat zij door de wonderen van de Goddelijke genade hadden gewonnen.
2. Zij deden hen dienen, vers 14, dat is: eisten schatting van hen, hetzij in natura, de vruchten van de aarde, of inplaats daarvan, in geld. Zij veronachtzaamden de dienst van God, en brachten Hem deze schatting niet, daarom nam Hij Zijn koren van hen weg en Zijn most, Zijn olie, Zijn zilver en Zijn goud, dat zij voor Baäl bereidden, Hosea 2:8. Wat aan de Goddelijke genade betaald had moeten worden, maar niet betaald werd, werd in beslag genomen en betaald aan de Goddelijke gerechtigheid. De vorige dienstbaarheid, vers 8, duurde slechts acht jaren, deze achttien jaren, want indien de kleinere oordelen het werk niet doen, dan zal God grotere zenden.
II. Als Israël weer bidt, verwekt God een nieuwe bevrijder, vers 15. Zijn naam is Ehud. Hier wordt ons gezegd:
1. Dat hij een Benjaminiet was. De Palmstad lag in het lot van die stam, waardoor zij dus waarschijnlijk het meest van de vijand hadden te lijden, en daarom het eerst opgewekt werden om zijn juk af te schudden. Door de tijdrekenkundigen wordt verondersteld, dat de strijd van de Israëlieten tegen Benjamin om de ongerechtigheid van Gibea, waardoor de gehele stam tot op zes honderd man werd verminderd, voor dat tijdstip heeft plaatsgehad, zodat wij wèl kunnen denken dat die stam nu de zwakste van allen was. Toch heeft God uit hem deze bevrijder verwekt, ten teken dat Hij volkomen verzoend met hen was en Zijn eigen macht wilde openbaren door kracht uit zwakheid te doen voortkomen, en "overvloediger eer te geven aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft," 1 Corinthiers 12:24.
2. Dat hij links was. Velen van die stam schijnen dit geweest te zijn, Hoofdstuk 20:16. Benjamin betekent `de zoon van de rechterhand" en toch waren vele Benjaminieten links, want van de mensen aard beantwoordt niet altijd aan hun naam. De LXX zeggen dat hij een "ambidexter" was, dat is: dat hij beide handen evengoed kon gebruiken, in de veronderstelling dat dit een voordeel voor hem was bij de daad, waartoe hij geroepen werd, maar de Hebreeuwse uitdrukking, dat hij "van zijn rechterhand versloten was," geeft te kennen, dat hij, hetzij door ziekte, hetzij door ongewoonte, geen of weinig gebruik maakte van zijn rechterhand, maar alleen de linkerhand gebruikte, en aldus te minder geschikt was voor de strijd, omdat hij zijn zwaard wel zeer links moest hanteren, maar God verkoos deze linkse man om de man te zijn van Zijn rechterhand, die Hij zich sterken wilde, Psalm 80:18. Het was Gods rechterhand, die de zege verkreeg voor Israël, Psalm 44:4, niet de rechterhand van de werktuigen, die Hij gebruikte.
Er wordt ons hier gezegd wat Ehud deed voor de bevrijding van Israël uit de hand van de Moabieten. Hij redde de verdrukten door de verdrukkers te verdoen, toen de maat van hun ongerechtigheid vol was, en de bestemde tijd van gunst over Israël was gekomen.
A. Hij bracht Eglon, de koning van Moab, ter dood. Ik zeg: "hij bracht hem ter dood," niet: hij vermoordde hem, maar als een rechter of dienaar van de Goddelijke gerechtigheid heeft hij het oordeel Gods aan hem volvoerd, als een onverzoenlijk vijand van God en Israël. Deze geschiedenis wordt in bijzonderheden verhaald.
a. Hij had een goede gelegenheid, om toegang tot hem te verkrijgen. Een vernuftig, werkzaam man zijnde, geschikt om voor koningen te staan, heeft zijn volk hem verkozen om in de naam van geheel Israël, boven en behalve hun schatting, een geschenk te brengen aan hun machtige heer, de koning van Moab, ten einde genade te vinden in zijn ogen, vers 15. Het geschenk wordt in het oorspronkelijke "minchah" genoemd, het woord, dat in de wet wordt gebruikt voor de offers, die aan God geofferd werden om Zijn gunst te verkrijgen. Dezen hadden de kinderen Israëls niet geofferd op hun tijd aan de God, die hen liefhad, om hen nu te straffen voor dit verzuim, zijn zij in de noodzakelijkheid gebracht om hun offers te brengen aan een heidense vorst, die hen haatte. Ehud ging met zijn boodschap naar Eglon, bood hem met de gebruikelijke plechtigheid het geschenk aan, en met de gewone betuigingen van eerbied en onderdanigheid, ten einde zijn voornemen te beter bedekt te houden en achterdocht te voorkomen.
b. Het schijnt reeds van het begin zijn bedoeling geweest te zijn Eglon te doden. God had hem dit in het hart gegeven, en maakte hem er ook mee bekend, dat die beweging ertoe van Hem was, door de Geest die over hem kwam, en zo had hij de volle overtuiging, dat zijn poging wettig en geoorloofd was, en met een goede uitslag bekroond zou worden, waaraan hij anders wel reden zou gehad hebben te twijfelen. Als hij er zeker van is, dat God hem gebiedt dit te doen, dan is hij er ook zeker van dat hij het mag doen en zal doen, want een gebod God is genoeg om ons te steunen en door te helpen, en ons vrijuit te laten gaan tegenover ons eigen geweten en tegenover de gehele wereld. Dat hij de dood van deze tiran bedacht en beraamd heeft, blijkt uit zijn bereiden van een wapen voor dat doel, een korte dolk van ongeveer een el lengte, zoals een bajonet, die hij gemakkelijk onder zijn klederen kon verbergen, vers 10, misschien wel omdat niemand tot de koning werd toegelaten, die een zwaard op zijde droeg. Dit wapen droeg hij op zijn rechterheup, teneinde gemakkelijk door zijn linkerhand bereikt te kunnen worden, en opdat het te minder achterdocht zou opwekken.
c. Hij bedacht hoe hij alleen met hem kon zijn, hetgeen te gemakkelijker kon, omdat hij zich niet alleen aan hem bekend gemaakt heeft, maar zich aangenaam bij hem heeft gemaakt door hem het geschenk te brengen, en de plichtplegingen, waarmee hij het hem overhandigd had. Let er op, hoe hij de zaak overlegd heeft.
Ten eerste. Zelfs voor zijn eigen metgezellen hield hij zijn plan geheim. Een gedeelte van de weg ging hij met hen terug, maar gebood hun toen naar huis te gaan, terwijl hijzelf, alsof hij iets vergeten had, terugging naar het hof van de koning van Moab, vers 18. Er was slechts een hand nodig om de daad te volvoeren waren er meer voor in dienst genomen, zij zouden het geheim niet zo goed bewaard hebben, noch zo gemakkelijk ontkomen zijn.
Ten tweede. Hij keerde terug van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, die daar misschien opgericht waren door de Moabieten, bij de twaalf stenen die Jozua er had opgericht. Sommigen opperen het denkbeeld, dat het gezicht van deze afgoden zo'n toorn tegen de koning van Moab in hem heeft opgewekt, dat hij nu de daad ging volvoeren, die hij anders voor het ogenblik nog had opgegeven. Of, misschien terugkerende van de plaats, waar deze beelden waren, zou de koning van Moab te eerder geneigd zijn om te geloven, dat hij een boodschap van God had.
Ten derde. Hij verzocht om een bijzonder gehoor, en verkreeg het in een vertrek, dat hier een koele opperzaal wordt genoemd. Hij zei aan de koning, dat hij een geheime boodschap aan hem had, die hierop aan al zijn dienaren gebood zich terug te trekken, vers 19. Of hij nu geheime instructies verwachtte van een orakel, of wel een geheime mededeling omtrent de tegenwoordige toestand van Israël, alsof Ehud zijn land zou verraden, in elk geval was het onverstandig van hem om geheel alleen te zijn met een vreemdeling, die hij toch reden had als een vijand te beschouwen, maar zij, die ten verderve zijn gewijd, zijn verdwaasd, hun hart is voor kloek verstand verborgen, God neemt hun verstand van hen weg. e. Toen hij alleen met hem was, had hij spoedig afgedaan met hem. Zijn koele opperzaal, waarin hij zich placht toe te geven in genot en weelde, werd de plaats van de strafvoltrekking.
Ten eerste. Ehud vraagt zijn aandacht voor een boodschap van God, vers 20 en die boodschap was een zwaard. God zendt tot ons door de oordelen van Zijn hand, zowel als door de oordelen van Zijn mond.
Ten tweede. Eglon betoont eerbied voor een boodschap van God. Hoewel hij een koning was, een heidens koning, hoewel hij rijk en machtig was, en thans het volk van God tiranniseerde, hoewel hij een vet, zwaar man was, die zich niet gemakkelijk kon bewegen, niet gemakkelijk kon opstaan, en niet lang kon staan, hoewel hij in een gesloten vertrek was, waar niemand hem kon zien, is hij toch, toen hij orders van de hemel dacht te ontvangen, van zijn zetel opgestaan. Of die zetel nu laag en gemakkelijk, of hoog en statig was, hij verliet hem, en stond op, toen God tot hem ging spreken, waarmee hij God als zijn meerdere erkende. Dit is beschamend voor de oneerbiedigheid van velen, die zich Christenen noemen, maar er zich op toeleggen om, als hun een boodschap van God wordt gebracht, door alle mogelijke tekenen van onverschilligheid te tonen, hoe weinig acht zij er op slaan. Door hetgeen hij te doen had een woord of een boodschap Gods te noemen, betuigde Ehud duidelijk, dat hij er een Goddelijke opdracht voor had, en God, die Eglon er toe neigde om er voor op te staan, heeft de opdracht bevestigd en de volvoering vergemakkelijkt.
Ten derde. De boodschap werd gebracht niet tot zijn oor, maar onmiddellijk en letterlijk tot zijn hart, waarin het noodlottige zwaard gestoten en achtergelaten werd, vers 21, 22. Door zijn buitengewone zwaarlijvigheid was hij niet instaat zich te verweren, waarschijnlijk was die vetheid het gevolg van zijn toegeven aan weelde en overdaad, en toen het vet om het lemmer toesloot, wilde God door die omstandigheid tonen, dat zij, die het lichaam vertroetelen, zich slechts ellende bereiden. Maar het was ook een embleem van zijn vleselijke gerustheid en gevoelloosheid. Zijn hart was vet als smeer, en daarin dacht hij zich besloten. Zie Psalm 119:70, 17:10. Eglon betekent een kalf, en hij viel als een gemest kalf door het slachtmes, een welaangenaam offer aan de Goddelijke gerechtigheid. Er wordt nota genomen van het uitgaan van de drek, opdat de dood van deze trotse tiran te meer smadelijk en schandelijk zal wezen. Hij, die zo bijzonder kieskeurig was op zijn lichaam om het welvarend en rein te houden, zal nu gevonden worden zich wentelende in zijn eigen bloed en drek. Zo stort God verachting uit over de vorsten. Deze daad nu van Ehud kan:
1. Zichzelf rechtvaardigen, omdat hij een bijzondere aanwijzing van God had om het te doen, en zij in overeenstemming was met de gewone wijze van doen onder die bedeling die God aanwendde om de wraak van Zijn volk te doen aan hun vijanden, en aan de wereld Zijn gerechtigheid te openbaren. Maar,
2. Zij zal volstrekt niemand rechtvaardigen die thans zo'n daad zou doen. Geen zodanige opdracht wordt thans gegeven, en haar voor te wenden is God te lasteren en Hem tot de beschermer te maken van de grootste gruweldaden. Christus gebood aan Petrus zijn zwaard in de schede te steken en wij bevinden niet dat Hij hem gebood het weer uit de schede te trekken.
Nadat hij de daad volbracht had, heeft Gods voorzienigheid zijn ontkoming wonderbaarlijk begunstigd. Ten eerste. De tiran is in stilte gevallen, zonder een kreet te slaken of om hulp te roepen, hetgeen door zijn dienaren ook op een afstand gehoord had kunnen worden. Hoe zwijgend daalt hij neer in de groeve, verstikt als het ware in zijn eigen vet, dat zijn stervenszuchten smoorde, hoewel hij zoveel gedruis had gemaakt in de wereld en de schrik van de machtigen is geweest in het land van de levenden.
Ten tweede. De heldhaftige volvoerder van deze wraak heeft met een tegenwoordigheid van geest en kalmte, die toonde, niet alleen dat hij zich van geen schuld bewust was, maar een sterk, vast vertrouwen had in de bescherming Gods, de deuren achter zich gesloten, de sleutel bij zich gestoken, en is door het midden van de wacht heengegaan met zo'n voorkomen van onschuld, en vrijmoedigheid, en onbezorgdheid, dat zij niet het minste vermoeden hadden dat hij iets verkeerds gedaan had.
Ten derde. De dienaren in de antichambre, die naar de deur van het binnenvertrek gingen, toen Ehud was vertrokken, ten einde de orders van hun meester te vragen, die deur gesloten vindende, terwijl alles stil en rustig was, dachten dat hij zich te slapen had gelegd, zijn voeten bedekt had op zijn legerstede, en zijn hoofdkussen was gaan raadplegen over de boodschap, die hij ontvangen had, en er over was gaan dromen, vers 24, en daarom deden zij geen poging om de deur te openen. Door hun zorg om hem niet te storen in zijn slaap verloren zij de gelegenheid om zijn dood te wreken. Zie wat er van komt, als de mensen een te hoge staat voeren, en hen, die om hen heen zijn noodzaken om op een afstand te blieven, vroeg of laat zal dit, meer dan zij denken op hun nadeel uitlopen.
Ten vierde. Eindelijk openden de dienaren de deur, en vonden dat hun meester inderdaad zijn langen slaap had geslapen, vers 25. De afschuw voor dit ontzettend toneel en de verwarring, die zich meester van hen maakte bij de gedachte aan hun onvoorzichtigheid om de deur niet eerder te openen deden hen vergeten om hem, die dit gedaan had, vervolgers achterna te zenden, en zij wanhoopten er nu aan hem te kunnen achterhalen.
Eindelijk. Hierdoor kon Ehud ontkomen naar Seïrath, volgens sommigen een "dicht woud, vers" 26. In deze geschiedenis wordt nergens gezegd waar Eglon toen woonde, daar er echter geen melding van wordt gemaakt, dat Ehud heen en weer over de Jordaan ging, ben ik geneigd te denken dat Eglon zijn eigen land Moab had verlaten, dat aan de andere kant van de Jordaan gelegen was, en toen de Palmstad tot zijn voornaamste residentie had gemaakt, in het land Kanaän dus, een rijker land dan het zijne, en dat hij daar gedood werd, en dan waren de gesneden beelden van Gilgal niet ver van hem. Daar, waar hij zich gevestigd had zich genoegzaam versterkt waande, om de meester te spelen over het volk van God, daar werd hij afgesneden, en bleek hij geweid te zijn als een lam in de weide.
B. Na de koning van Moab gedood te hebben, bracht Ehud nu aan de krijgsmacht van Moab een volkomen nederlaag toe, en schudde aldus voor goed het juk van hun verdrukking af.
a. Onmiddellijk bracht hij in het gebergte van Efraïm een leger op de been, op enige afstand van het hoofdkwartier van de Moabieten, en stelde zich aan het hoofd er van. De bazuin waarop hij blies, was in waarheid een jubelbazuin, zij verkondigde vrijheid, en een blij geklank was het voor de verdrukte Israëlieten die gedurende lange tijd geen ander trompetgeschal hadden gehoord dan dat van hun vijanden.
b. Als een Godvruchtig man, die dit alles deed in het geloof, ontleende hij voor zichzelf en voor zijn krijgslieden moed aan de macht van God, aangewend tot hun behoeve, vers 28, Volgt mij na, want de Heere heeft uw vijanden.de Moabieten, in uw hand gegeven, wij zijn er zeker van, dat God met ons is, en daarom kunnen wij stoutmoedig voortgaan, en wij zullen overwinnen".
c. Als een beleidvol generaal, verzekert hij zich eerst van de veren van de Jordaan, plaatst sterke wachten bij al die passen, ten einde de gemeenschap af te snijden tussen de Moabieten, die in het land Israël waren (want op deze alleen had hij het gemunt) en hun eigen land aan de andere kant van de Jordaan, opdat als zij, het krijgsgeschrei horende, zouden willen vluchten, zij derwaarts niet zouden kunnen ontkomen, en zo zij wilden strijden, geen hulp vandaar zouden kunnen krijgen. Aldus sloot hij hen op in dat land als hun gevangenis, waarin zij zich hadden verlustigd als in hun paleis en paradijs.
d. Toen viel hij op hen aan, en joeg hen allen over de kling, tienduizend van hen, die het aantal krijgslieden schijnen geweest te zijn, die Israël in bedwang moesten houden, vers 29, zodat er niet een man ontkwam. En zij waren de beste en uitgelezenste krijgslieden van Moabs leger, allen vette en strijdbare mannen, mannen van een forse gestalte, gezond en krachtig niet alleen, maar dapper en kloekmoedig, vers 29. Maar noch hun kracht, noch hun kloekmoedigheid is hun van enigerlei dienst of nut geweest, toen de door God bestemde tijd was gekomen, om hen in de hand van Israël over te leveren.
e. Het gevolg van deze overwinning was, dat de macht van de Moabieten voor goed verbroken was in het land van Israël, het land werd gezuiverd van deze verdrukkers, en het land was stil tachtig jaren, vers 30. Wij kunnen hopen, dat er ook een hervorming onder hen tot stand was gekomen, en door de invloed van Ehud de afgoderij in bedwang werd gehouden, en dat deze hervorming gedurende een groot deel van zijn leven aanhield. Een goede poos had het land toen rust, tachtig jaren. Maar wat betekent die in vergelijking met de eeuwige rust van de heiligen in het hemelse Kanaän?