Richteren 3:8-11
Nu komen wij tot het verhaal van de regering van de bijzondere richters, de eerste van hen was Othniël, in wie de geschiedenis van dit boek verbonden is aan dat van Jozua, want zelfs in Jozua's tijd begon Othniël vermaard te worden, waaruit blijkt, dat niet lang na Israëls vestiging in Kanaän, hun reinheid reeds begon verdorven te worden, en dientengevolge hun vrede verstoord. En zij, die zich moeite hebben gegeven om de chronologie van de Schrift te bestuderen, zijn algemeen van gevoelen, dat de afgoderij van de Danieten en de oorlog met de Benjaminieten wegens hun mishandeling van de bijvrouw van de Leviet omtrent deze tijd hebben plaatsgehad, onder of voor Othniëls regering, die, hoewel een richter, toch niet zo'n koning was in Israël dat hij de mensen er van kon weerhouden om te doen wat recht was in hun eigen ogen.
In deze korte geschiedenis van Othniëls regering hebben wij:
I. De benauwdheid, waarin Israël gebracht was door hun zonde, vers 8. God, met recht misnoegd op hen zijnde omdat zij de heining hadden weggedaan, die hen van de andere omderscheidde van de andere volken, en zich met hen gelijk stelden, heeft de heining weggenomen, die hen beschermde, en legde hen bloot voor de volken stelde hen te koop, als goederen, waarvan Hij zich wilde ontdoen, en de eerste, die de hand op hen legde was Cuschan Rischathaim, koning van dat Syrië, hetwelk tussen de twee grote rivieren Tiger en Eufraat gelegen was, en daarom Mesopotamie genoemd wordt, hetwelk betekent "het midden van de rivieren." Waarschijnlijk was hij een oorlogszuchtig vorst, die, zijn grondgebied wenste uit te breiden, eerst de twee stammen aan de andere kant van de Jordaan aanviel, die het dichtst bij hen waren, en misschien later langzamerhand doordrong tot het hart van het lands en, waar hij kwam maakte hij hen belastingplichtig, en eiste de schatting met grote gestrengheid, wellicht krijgsvolk bij hen inlegerende. Laban was van dat land, die Jakob verdrukte met harden dienst maar het lag op zo'n afstand, dat men niet gedacht zou hebben, dat Israëls benauwdheid van zo ver een afgelegen land kon komen, waardoor er te meer de hand Gods in gezien wordt.
II. Hun wederkeren tot God in deze benauwdheid. Als Hij hen doodde, zo vroegen zij naar Hem, die zij tevoren veronachtzaamd hadden. De kinderen Israëls, het gehele volk zelfs, riepen tot de Heere, vers 9. In het eerst achtten zij hun moeilijkheid van geen grote betekenis, dachten zij, dat zij het juk van een vorst, die zó ver weg was, wel gemakkelijk zouden kunnen afschudden, maar toen zij acht jaren lang aanhield, begonnen zij er onder te lijden, en toen schreiden zij er onder, die er tevoren om gelachen hadden. Zij, die in de dagen van hun vrolijkheid tot de Baäls hadden geroepen en tot Astaroth, riepen, nu zij in benauwdheid waren, tot de Heere, van wie zij waren afgevallen, wiens gerechtigheid deze benauwdheid over hen heeft doen komen, en wiens macht en gunst alleen hen er uit kon verlossen. Beproeving en verdrukking doen hen met aandrang roepen tot de Heere, die tevoren nauwelijks tot Hem wilden spreken.
III. Gods wederkeren tot hen in genade tot hun verlossing. Hoewel de nood hen tot Hem dreef, heeft Hij daarom hun gebeden niet afgewezen, maar hun genadiglijk een verlosser verwekt.
Merk hier op: 1. Wie de verlosser was. Het was Othniël, die Kalebs dochter gehuwd had, een van het oude geslacht, dat de werken des Heeren gezien had, en zelf, zonder enige twijfel, aan zijn oprechtheid heeft vastgehouden, en in het verborgen zuchtte en treurde over de afval van zijn volk, maar wachtte op een roeping Gods om openlijk tot bevrijding van zijn volk op te treden. Hij was nu, naar wij kunnen veronderstellen, ver op jaren gekomen, toen God hem deze eer bewees, maar de gebreken van ouderdom stonden hem niet in de weg bij zijn verrichtingen, toen God hem werk te doen gaf.
2. Vanwaar hij zijn opdracht had, niet van mensen, noch door mensen, maar de Geest des Heeren was over hem, vers 10. De geest van de wijsheid en kloekmoedigheid om hem bekwaam te maken voor de dienst, en een geest van kracht om hem er toe op te wekken, ten einde hemzelf en anderen de volkomen overtuiging te geven, dat het de wil van God was, dat hij er zich toe zou begeven. De Chaldeër zegt: De Geest van de profetie bleef op hem.
3. Welke methode hij volgde: eerst richtte hij Israël, bestrafte hen, riep hen ter verantwoording voor hun zonden, voerde een hervorming onder hen in, en toen ging hij uit ten strijde. Dat was de rechte methode. Laat de zonde thuis overwonnen en tenonder gebracht worden, dat is de ergste vijand, en dan zal er met de vijanden van buiten des te gemakkelijker afgerekend worden. Laat Christus aldus onze Rechter en Wetgever zijn, dan zal Hij ons behouden, maar op geen andere voorwaarden, Jesaja 33:22.
4. Welke voorspoed hij had. Hij heeft het juk van de verdrukker verbroken, en, naar het schijnt, ook de nek van de verdrukker, want er wordt gezegd: De Heere gaf Cuschan Rischathaim in zijn hand. Nu was Juda, uit welke stam Othniël was, als een leeuwenwelp, opgeklommen van de roof.
5. De gelukkige gevolgen van Othniëls goede diensten. Hoewel zij geen veld wonnen, had het land toch gedurende veertig jaren rust, en ook wel enige vrucht van de hervorming, en die rust zou altijd geduurd hebben, indien zij zich dicht aan God en hun plicht hadden gehouden.