Richteren 3:1-7
Hier wordt ons gezegd, wie er van de oude inwoners van Kanaän waren overgebleven.
1. Sommigen van hen bleven bij elkaar en vormden tezamen een verenigde macht vers 3. De vijf vorsten van de Filistijnen, namelijk Asdod, Gaza, Askelon, Gath en Ekron, 1 Samuël 6:17. Drie van deze steden waren gedeeltelijk tenondergebracht, Hoofdstuk 1:18, maar het schijnt dat de Filistijnen-waarschijnlijk met behulp van de andere twee, die van nu voortaan hun verbond met elkaar versterkten-er weer bezit van gekregen hadden. Van al de inboorlingen gaven deze de meeste onrust aan Israël, inzonderheid in de laatste tijd van de richters, en nooit waren zij geheel tenondergebracht, voordat David het gedaan heeft. Er was een bijzonder volk, de Kanaänieten genoemd, dat met de Sidoniers stand hield aan de kust van de grote zee. En in het noorden hielden de Hevieten veel van het gebergte van de Libanon in bezit, daar dit een afgelegen hoek van het land was, en zij waarschijnlijk ondersteund werden door sommigen van de naburige staten. Maar behalve deze:
2. Waren nog in alle delen van het land verstrooide benden over van deze volken, vers 5 Hethieten Amorieten, enz, die door de dwaze toegevendheid van Israël en hun oogluikend toelaten van deze benden, zo talrijk, zo gerust en zo onbeschaamd waren, dat de kinderen Israëls gezegd worden onder hen te wonen, alsof het recht nog altijd aan de zijde van de Kanaänieten was, en de Israëlieten met hun verlof als opzegbare huurders waren toegelaten.
Betreffende deze nog overgebleven inboorlingen valt op te merken:
I. Hoe wijselijk God hun vergund had te blijven. Aan het einde van het vorige hoofdstuk is er melding van gemaakt als van een daad van Gods gerechtigheid, dat Hij hen liet overblijven tot tuchtiging van Israël. Maar hier wordt er een andere verklaring aan gegeven, en blijkt het een daad van Gods wijsheid te zijn geweest, dat Hij hen liet blijven tot wezenlijk nut en voordeel voor Israël, opdat zij, die niet wisten van al de krijgen Kanaäns, de krijg zouden leren, vers 1, 2. Het was de wil van God, dat het volk van Israël gewend zou zijn aan de krijg.
1. Omdat hun land zeer rijk en vruchtbaar was, allerlei lekkernijen opleverde in groten overvloed, die, indien hun ook niet van tijd tot tijd geleerd werd ontberingen te lijden, hen in gevaar zouden hebben gebracht van tot de uitersten graad van weelde en verwijfdheid te verzinken. Zij moeten soms waden in bloed en niet altijd in melk en honing, opdat niet zelfs hun krijgslieden, door gedurende lange tijd de dienst van de wapenen ontwend te zijn, zo zacht en kieskeurig zouden worden "als de tedere en wellustige vrouw, die niet beproefd heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich teder en wellustig hield," een gemoedsgesteldheid, even verwoestend voor alles wat goed is als voor alles wat groot is, en waartegen dus zorgvuldig door geheel Israël gewaakt moet worden.
2. Omdat hun land grotendeels in het midden van vijanden was gelegen, door wie zij aangevallen kunnen worden, want Gods erfenis was "als een gesprenkelde vogel, de vogels zijn rondom tegen haar," Jeremia 12:9. Daarom was het nodig dat zij goed geoefend, goed aan krijgstucht gewend zijn, opdat zij hun landpalen kunnen verdedigen als zij worden aangevallen, en later hun grenzen zullen kunnen uitbreiden, zoals God hun beloofd had. De krijgskunst wordt het best geleerd door ervaring, die de mensen niet slechts bekendmaakt met krijgstucht, maar (hetgeen niet minder nodig is) hun een krijgshaftigen aard geeft. Het was in het belang van Israël krijgslieden aan te kweken, zoals het in het belang van een eiland is, om zeelieden te vormen, en daarom heeft God Kanaänieten onder hen gelaten, opdat zij door de mindere moeilijkheden en verdrukkingen, die zij hadden te verduren in de strijd met hen, toebereid zouden worden voor de grotere, en door te lopen met de voetknechten zouden leren zich te mengen met de paarden. Israël was een beeld van de strijdende kerk, die zich strijdende de weg moet banen tot de staat van de overwinning. De krijgsknechten van Christus moeten verdrukkingen lijden, 2 Timotheus 2:3. Daarom is er zelfs in het hart van goede Christenen nog bederf overgebleven, opdat zij de strijd leren, "de gehele wapenrusting Gods" aandoen en aanhouden, en gedurig op hun hoede zullen zijn. De geleerde bisschop Patrick wil hier nog een anderen zin aan geven, vers 2. Opdat zij zouden weten de strijd te leren, dat is, opdat zij zouden weten wat het is aan zichzelf overgelaten te zijn. Hun vaderen streden door een Goddelijke kracht, God onderwees hun handen ten oorlog en hun vingeren ten strijde, maar nu zij Zijn gunst verbeurd hebben, moeten zij leren wat het is te strijden zoals andere mensen.
II. Hoe goddeloos Israël zich vermengde met hen, die overgebleven waren. Eén ding, dat God bedoelde met hen aan henzelf over te laten, was Israël te verzoeken, vers 4, opdat zij, die getrouw waren aan de God Israëls, de eer zouden hebben van van de Kanaänieten verlokkingen tot afgoderij te weerstaan, en opdat zij, die ontrouw en onoprecht waren, ontdekt zouden worden, en onder de schande zouden vallen van aan hun verleiding toe te geven. Zo moeten er in de Christelijke kerken ketterijen zijn, "opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden," 1 Corinthiers 11:19. Bij deze proefneming bleek Israël slecht te zijn.
1. Zij gingen huwelijken aan met de Kanaänieten, vers 6, ofschoon zij door die huwelijken noch in eer, noch in bezitting konden toenemen. Zij bedierven hun bloed, inplaats van het verbeteren, en verminderden hun bezittingen, inplaats van ze te vermeerderen door zodanige huwelijken.
2. Zo werden zij er toe gehecht om zich ook met hen te verenigen in hun Godsverering, zij dienden hun goden, vers 6, de Baäls en de bossen, dat is: de beelden, die in bossen van dikke bomen werden aangebeden, die bossen waren een soort natuurlijke tempels. In zulke ongelijke huwelijken is er meer reden te vrezen, dat het slechte het goede zal verderven, dan te hopen dat het goede het kwade zal hervormen, zoals wanneer men twee peren bij elkaar legt de ene verrot en de andere gaaf. Als zij zich neigden om andere goden te aanbidden, dan vergaten zij de Heere hun God. Uit beleefdheid en inschikkelijkheid voor hun nieuwe verwanten, spraken zij van niets anders dan van Baäls en bossen, zodat zij langzamerhand de herinnering verloren aan de ware God, vergaten, dat er zo'n Wezen was, en welke verplichtingen zij aan Hem hadden. In niets is het verdorven geheugen van de mens meer verraderlijk dan hierin, dat het God vergeet, omdat Hij uit het gezicht zijnde, uit het hart is, en hier begint al de boosheid, die er in de wereld is, zij hebben hun weg verdorven, want zij hebben de Heere hun God vergeten.