Richteren 20:1-11
I. Hier is een algemene bijeenkomst van heel de vergadering Israëls om de zaak van het bijwijf van de Leviet te onderzoeken, en te overwegen wat dieswege gedaan moest worden, vers 1, 2. Het blijkt niet dat zij op het gezag van een algemeen hoofd saamgeroepen werden, maar bijeenkwamen met wederzijds goedvinden en overeenkomst, als het ware met een hart, ontstoken in heilige ijver voor de eer van God en van Israël.
1. De plaats hunner bijeenkomst was Mizpa, daar kwamen zij samen tot de Heere, want Mizpa was zó nabij Silo, dat men zeer goed kan denken, dat hun kamp reikte van Mizpa tot Silo. Silo was een kleine stad, daarom kozen zij, als er een algemene vergadering van het volk was om zich voor God te stellen, Mizpa tot hun hoofdkwartier, daar dit de naastbijgelegen stad van aanzien was, misschien omdat zij aan Silo die moeite niet wilden veroorzaken, welke zo groot een vergadering teweeg zou brengen, daar het de residentie was van de priesters, die in de tabernakel dienden.
2. De personen, die bij elkaar kwamen waren geheel Israël, van Dan, (de stad, die kort geleden aldus genoemd werd, Hoofdstuk 18:29) in het noorden, tot Ber-seba, in het zuiden, met het land van Gilead, dat is: de stammen aan de andere kant van de Jordaan, allen als een enig man, zó eensgezind waren zij in hun zorg voor het algemene welzijn. Hier was een vergadering van het volk van God, geen samenroeping van de Levieten en priesters hoewel een Leviet de voornaamste belanghebbende was bij de zaak, maar een vergadering van het volk, op welke de Leviet zich beriep met een "Appello populum-Ik beroep mij op het volk." Het volk Gods was vier honderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken, dit is: die gewapend en geoefend waren en geschikt voor de krijgsdienst, en sommigen van hen waren misschien de zodanigen, die de krijgen Kanaäns wisten, Hoofdstuk 3:
I. In deze vergadering van geheel Israël stelden de hoofden (of hoeken) van het volk (want de oversten zijn de hoekstenen des volks, die allen tezamen verbinden) zich als de vertegenwoordigers van de overigen, begaven zich naar hun respectieve posten aan het hoofd van de duizenden en honderden, de vijftigen en tienen, waarover zij gesteld waren, want wij kunnen onderstellen, dat er tenminste nog zoveel orde en regering onder hen was overgebleven, hoewel zij geen generaal of opperbevelhebber hadden. Zodat er:
a. Een algemeen congres was van de staten ter raadsvergadering, de hoofden des volks stelden zich om deze zaak te leiden en te regelen.
b. Een algemene verzamelplaats voor het krijgsvolk, om een oorlog aan te vangen, allen die het zwaard trokken, vers 17 mannen van oorlog, geen huurlingen of tot de dienst gepresten, maar vrijwilligers, inwoners van het land, die op hun eigen kosten uittogen.
Israël was meer dan zes maal honderd duizend, toen zij in Kanaän kwamen, en wij hebben reden te denken dat zij toen nog zeer waren toegenomen, veeleer dan verminderd: maar toenmaals waren allen tussen twintig en zestig jaren krijgslieden, nu waren, naar wij kunnen onderstellen, meer dan de helft van krijgsdienst vrijgesteld, ten einde het land te bebouwen, zodat deze het weerbaarheidskorps waren. Het krijgsvolk van de twee en een halve stam bedroeg veertig duizend man, Jozua 4:13, maar dat van de overige stammen bedroeg veel meer. II. Aan de stam van Benjamin wordt kennis gegeven van deze bijeenkomst, vers 3. Zij hoorden dat de kinderen Israëls opgetogen waren naar Mizpa, waarschijnlijk hadden zij een wettelijke oproeping ontvangen om met hun broeders daar te verschijnen, opdat de zaak behoorlijk besproken zou worden, eer er een besluit omtrent werd genomen, en dan zou het kwaad, dat nu volgde, voorkomen zijn, maar het bericht, dat zij van de bijeenkomst hadden, heeft hen veeleer verbitterd en hun hart verhard, dan hen opgewekt om te denken aan wat tot hun vrede en hun eer kon dienen.
III. Er had een plechtig onderzoek plaats naar de misdaad, die de mannen van Gibea ten laste was gelegd. Een zeer afgrijselijke voorstelling er van was gedaan in het bericht van de boden, die gezonden waren om hen samen te roepen, maar het betaamde om er een nog nauwkeuriger onderzoek naar in te stellen, omdat die soort van zaken dikwijls erger voorgesteld worden dan zij zijn, er werd dus een commissie benoemd om de getuigen te verhoren onder ede ongetwijfeld-en om rapport er over uit te brengen. Alleen het getuigenis van de Leviet zelf wordt hier meegedeeld, maar waarschijnlijk zijn ook zijn dienaar en de oude man ondervraagd, en hebben deze hun getuigenis afgelegd, want dat meer dan een een verhoor onderging, blijkt uit het oorspronkelijke in vers 3, hetwelk luidt: spreekt, hoe is dit kwaad geschied? En de wet schreef voor dat geen mens, veel minder nog vele mensen, ter dood gebracht moest worden op het getuigenis van een enkel persoon.
De Leviet geeft een omstandig verhaal van de zaak. Dat hij slechts als reiziger te Gibea kwam om er te overnachten, zonder de minsten argwaan op te wekken, dat hij kwaad tegen hen in de zin had, vers 4. Dat de mannen van Gibea, zelfs de aanzienlijken onder hen, die een vreemdeling in hun poorten hadden te beschermen, op oproerige wijze een aanval deden op het huis, waarin hij vernachtte en dachten hem te doden, schaamtegevoel belette hem om de eis mee te delen, die zij schaamteloos gedaan hadden, Hoofdstuk 19:22. Zij spraken hun zonde vrijuit, gelijk Sodom, namelijk de zonde van Sodom, maar zijn ingetogenheid liet hem niet toe het te herhalen, het was genoeg te zeggen, dat zij hem gedood zouden hebben, want hij zou zich eerder hebben laten doden, dan zich aan hun beestachtigheid te onderwerpen, en indien zij hem in handen hadden gekregen, zij zouden hem ten dode toe misbruikt hebben, getuige wat zij aan zijn bijwijf hebben gedaan, zij hebben haar geschonden, dat zij gestorven is, vers 5.. En om in zijn volksgenoten verontwaardiging op te wekken over deze gruweldaad, heeft hij aan al de stammen delen gezonden van het geschonden lichaam, wat hen heeft doen samenkomen om te getuigen tegen de schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan, vers 6. Alle ongebondenheid is dwaasheid, maar inzonderheid ongebondenheid in Israël, als zij hun lichaam verontreinigen, die het eervolle teken en zegel van het verbond in hun vlees hebben, als zij de Goddelijke wraak tarten, aan wie zij zo duidelijk van de hemel is geopenbaard, dan is Nabal hun naam, en dwaasheid is bij hen. Hij eindigt zijn verklaring meteen beroep op het oordeel van het hof, vers 7 :gij allen zijt kinderen Israëls, en weet dus de wet en het recht, Esther 1:13. "Gij zijt een heilig volk voor God, en hebt een afschuw van alles, wat God onteert en het land verontreinigt, gij behoort tot dezelfde gemeenschap, zijt leden van hetzelfde lichaam, en daarom lijdt gij ongetwijfeld onder de krankheden, waaraan sommige leden er van lijden, gij zijt de kinderen Israëls die bijzondere zorg behoort te dragen voor de Levieten, Gods stam onder ulieden, en daarom: spreekt uw gevoelen en geeft raad voor wat er behoort gedaan te worden."
IV. Het besluit, waartoe zij hierop kwamen hetwelk was dat zij, nu tezamen zijnde, niet uit elkaar zouden gaan, voor en aleer zij wraak geoefend hadden aan deze goddeloze stad, die de smaad en de schande was van het volk. Merk op:
1. Hun ijver tegen de schandelijke daad, die bedreven was. Zij wilden niet naar huis terugkeren, hoezeer hun gezin en hun zaken hun tegenwoordigheid ook vereisten, vóór zij de eer van God en van Israël hadden gewroken, en voldoening hadden verkregen door hun zwaard-indien zij op geen andere wijze verkregen kon worden-voor de misdaad, die de gerechtigheid van de natie eiste, vers 8. Hiermede betoonden zij zich ware kinderen Israëls te zijn, dat zij het algemeen belang stelden vóór hun eigen bijzondere aangelegenheden.
2. Hun wijsheid door een deel van hun krijgsmacht uit te zenden om levensmiddelen te halen voor de overigen, vers 9, 10, een van tien, en die moest aangewezen worden door het lot, dus in het geheel veertig duizend mannen moesten naar hun respectieve woonplaatsen gaan vanwaar zij gekomen zijn, om brood en andere levensbehoeften te halen voor het onderhoud van dit grote leger, want toen zij van huis gingen, hebben zij alleen mondbehoeften medegenomen voor hun reis naar Mizpa, niet voor een kampement (dat wellicht van langen duur kon zijn) voor Gibea. Dit was om hun verstrooiing te voorkomen, als zijzelf zouden gaan fourageren, want als zij dit gedaan hadden, dan zou het moeilijk geweest zijn om hen weer bij elkaar te krijgen, inzonderheid om hen allen in zo goede gezindheid weer bij elkaar te krijgen. Als er in een volk een Godvruchtige ijver gezien wordt voor een goed werk, dan is het het best om het ijzer te smeden terwijl het heet is, want zulk een ijver ken spoedig afkoelen, als met het in werking brengen er van te lang gewacht wordt. Laat er nooit gezegd worden dat wij een goed werk tot morgen hebben laten wachten, als het vandaag gedaan had kunnen worden.
3. Hun eenstemmigheid in dit besluit en in de uitvoering er van. Het besluit werd genomen "Nemine contradicente-zonder iemands tegenspraak," vers 8. Het was een en al, en toen het ten uitvoer werd gebracht, waren zij verbonden als een enig man, vers 11. Dit was hun roem en hun kracht, dat de onderscheiden stammen geen afzonderlijke belangen hadden als het algemene welzijn behartigd moest worden.