Richteren 20:12-17
I. Hier is de billijke en rechtvaardige eis, die de stammen Israëls, welke nu voor Gibea gelegerd waren, aan de stam van Benjamin deden, om de boosdoeners van Gibea aan de gerechtigheid over te leveren, vers 12, 13.
Indien de stam van Benjamin was opgegaan naar de algemene vergadering, zoals hij had behoren te doen, en ingestemd had met het genomen besluit, dan zouden de kinderen Israëls alleen met de mannen van Gibea te doen hebben gehad, daar hij echter door weg te blijver. de partij van de misdadigers had omhelsd, moeten zij zich nu tot de hele stam wenden.
De Israëlieten waren ijverig tegen de goddeloosheid, die bedreven was, maar zij waren voorzichtig in hun ijver, en dachten niet dat het rechtvaardig zou zijn om de gehelen stam van Benjamin aan te vallen, tenzij zij door te weigeren de misdadigers uit te leveren en hen tegen de gerechtigheid te beschermen, zich schuldig zouden maken "Ex post facto-als medeplichtigen na de daad."
Zij verlangen dat zij zullen bedenken hoe groot de misdaad was, die zij hebben begaan, vers 12, en dat die misdaad onder hen gepleegd was, en hoe noodzakelijk het dus was dat zij, òf, overeenkomstig de wet van Mozes, zelf de doodstraf aan de misdadigers zouden volvoeren, òf hen aan deze algemene vergadering zouden uitleveren, ten einde nog meer openlijk en plechtig gestraft te worden, opdat het kwaad uit Israël weggedaan, de schuld van de natie weggenomen, het voortwoekeren van het kwaad belet zou worden door het verkankerde deel af te snijden, en aldus nationale oordelen zouden voorkomen worden. Want de zonde was zozeer gelijk aan die van de Sodomieten, dat zij met recht konden vrezen dat God, indien zij haar niet straften, hagel op hen zou doen regenen, zoals Hij niet alleen op Sodom, maar ook op de naburige steden hagel heeft doen regenen.
Indien de Israëlieten deze redelijken eis niet hadden gedaan, zij zouden nog veel meer reden gehad hebben om over de verwoesting, die over Benjamin kwam, te treuren. Alle middelen om tot een schikking en verzoening te komen moeten aangewend worden, eer wij de toevlucht nemen tot de krijg of tot de wet.
De eis was gelijk aan die van Joab aan Abel, 2 Samuël 20:20,21 : "lever allen de verrader, en dan zullen Wij de wapens nederleggen". Op die voorwaarden, en geen andere, zal God met ons verzoend zijn, namelijk dat wij aflaten van onze zonden, onze lusten en begeerlijkheden kruisigen en doden, dan zal alles wèl wezen en zal Zijn toorn worden afgewend.
II. De ongelukkige hardnekkigheid en boosheid van de mannen van Benjamin, die even eenstemmig en ijverig schijnen geweest te zijn in hun besluit om de misdadigers te steunen en te beschermen, als de overige stammen om hen te straffen, zo weinig besef hadden zij van hun eer en plicht en van hun belang.
1. Zij waren zo ontzettend laag, dat zij de misdaad, die gepleegd was, in bescherming namen. Zij wilden niet horen naar de stem hunner broederen, vers 13. Hetzij omdat zij, die tot die stam behoorden, toen over het algemeen slechter en meer verdorven waren dan de andere stammen, en er dus niet van wilden horen om datgene te straffen in anderen, waaraan zij zichzelf schuldig wisten. Sommigen van de vruchtbaarste en aangenaamste delen van Kanaän vielen in het lot van deze stam, hun land was, evenals dat van Sodom, als de hof des Heeren, wat er wellicht toe bijdroeg om de inwoners als de mannen van Sodom te maken, "boos en grote zondaars tegen de Heere," Genesis 13:10, 13. Of wel omdat, zoals bisschop Patrick vermoedt, zij het euvel opnamen, dat de andere stammen zich met hun zaken bemoeiden. Zij wilden niet doen wat zij wisten hun plicht te zijn, omdat zij er door hun broederen toe aangemaand werden, en zij versmaadden het om door hen onderwezen te worden, of onder hun toezicht te staan.
Indien er wijze mannen onder hen waren, die aan de hun gedanen eis zouden willen toegeven, werden zij overstemd door die van de meerderheid, die dus de misdaad van de mannen van Gibea tot de hun maakten. Aldus hebben wij gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, indien wij ons verbinden met hen die ze doen, en maken wij ons schuldig aan anderer zonden door hen te steunen en te verdedigen. Het schijnt dat geen zaak zo slecht is, of zij zat nog beschermers vinden, advokaten die er voor willen optreden, maar wee hun door wie deze ergernissen komen. Diegenen zullen zeer veel te verantwoorden hebben, die de loop van de noodzakelijke gerechtigheid stuiten, en de handen van de bozen sterken door te zeggen: o goddeloze, gij zult niet sterven.
2. Zij waren zo verbazend ijdel en verwaand, dat zij aan de verenigde krijgsmacht van geheel Israël het hoofd willen bieden. Nooit voorzeker waren mensen zo verdwaasd als zij, toen zij de wapens opvatten:
a. Tegen zo goed een zaak als die van Israël. Hoe konden zij verwachten voorspoedig te zijn als zij streden tegen de gerechtigheid, en bijgevolg tegen de rechtvaardigen God zelf tegen hen, die de hogepriester en het orakel aan hun zijde hadden, zodat zij in bepaalde rebellie handelden tegen het heilig oppergezag des volks?
b. Tegen zo groot een krijgsmacht als Israël had. De onevenredigheid hunner getallen was veel groter dan die, waarvan gesproken wordt in Lukas 14:31, 32, waar hij, die slechts tien duizend man had, dengenen niet durfde ontmoeten, die met twintig duizend tegen hem kwam, en daarom om vredesvoorwaarden vroeg. Daar was de vijand slechts twee tegen een, hier meer dan vijftien tegen een, en toch versmaadden zij de vredesvoorwaarden.
De gehele krijgsmacht, die zij te velde konden brengen, bedroeg slechts zes en twintig duizend man, behalve nog zeven honderd van Gibea, vers 15, en toch willen zij hiermee vier maal honderd duizend man van Israël tegentreden, vers 17.
Zo worden de zondaren verdwaasd tot hun eigen verderf, en verwekken Hem tot ijver, die oneindig sterker is dan zij, 1 Corinthiers 10:22.
Maar zij schijnen gesteund te hebben op de bekwaamheid hunner mannen, als vergoeding voor hun minderheid in aantal, inzonderheid op een regiment van slingeraars zeven honderd man sterk, die, hoewel links zo bedreven waren in het slingeren van stenen, dat zij hun doel op geen haar misten. Maar deze bekwame schutters misten al te zeer hun doel, toen zij zo slecht een zaak omhelsden.
Benjamin betekent de zoon van de rechterhand maar wij bevinden dat zijn nakomelingen links waren.