Richteren 19:1-15
De huiselijke aangelegenheden van deze Leviet zouden niet zo uitvoerig verhaald zijn, als zij niet dienen moesten ter inleiding van het volgende verhaal van het kwaad, aan hem gepleegd, en waarin geheel het volk ging belangstellen. Bisschop Halls eerste opmerking omtrent deze geschiedenis is: Dat er geen klacht is betreffende de openbare staat van zaken of er is een Leviet in betrokken, hetzij als de bedrijvende of als de lijdende partij. In Micha's afgoderij was een Leviet de bedrijvende, in de goddeloosheid van Gibea was een Leviet de lijdende partij. Geen stam zal eerder het gebrek aan een regering gevoelen dan die van Levi, en in geheel het boek van de Richteren wordt van niemand uit deze stam gewag gemaakt behalve van deze twee. Deze Leviet was van het gebergte van Efraïm, vers 1. Hij huwde een vrouw uit Bethlehem-Juda, zij wordt zijn bijvrouw genoemd, omdat hij haar geen bruidsschat gaf, daar hij misschien niets had om haar te geven, toen hij daar slechte als vreemdeling verkeerde, en er dus niet gevestigd was. Het blijkt echter niet dat hij nog een vrouw had, en in de kanttekening van de Engelse overzetting wordt zij een echtgenote, een bijvrouw genoemd. Zij kwam uit dezelfde stad, waar Micha's Leviet vandaan kwam, alsof Bethlehem-Juda een dubbel kwaad moest doen aan het gebergte van Efraïm, want zij was even slecht voor de vrouw van een Leviet, als de andere een slechte Leviet was.
I. Deze bijvrouw hoereerde en verliet haar man, vers 2. De Chaldeër geeft de lezing dat zij haar man slechts onbetamelijk en minachtend behandelde, en daar hij hierover misnoegd was, ging zij van hem weg, en (hetgeen niet juist was) werd in haars vaders huis ontvangen en onthaald. Indien haar echtgenoot haar onrechtvaardig uit zijn huis had gezet, dan had haar vader medelijden moeten hebben met haar leed, maar als zij verraderlijk haar echtgenoot verliet om een vreemdeling te gaan omhelzen, dan had haar vader haar niet moeten ondersteunen in haar zonde. Misschien zou zij haar plicht jegens haar echtgenoot niet geschonden hebben, indien zij niet maar al te goed geweten had, waar zij vriendelijk ontvangen zou worden. Het verderf van de kinderen is maar al te dikwijls aan de toegevendheid van hun ouders te wijten.
II. De Leviet ging zelf heen om haar tot terugkeren te bewegen. Het was een teken, dat er geen koning, geen richter in Israël was, want anders zou zij vervolgd zijn geworden, en ter dood gebracht als overspeelster, maar inplaats hiervan wordt haar door haar beledigde echtgenoot in vriendelijke, eerbiedige bewoordingen verzocht tot hem weer te keren, hij had een lange reis ondernomen om haar te smeken zich met hem te verzoenen, vers 3. Indien hij haar weggezonden had, en zij eens anderen mans geworden was, het zou een misdaad in hem geweest zijn om tot haar weer te keren, Jeremia 1:3. Maar daar zij weg was gegaan, was het een deugd in hem om de belediging te vergeven en, hoewel hij de verongelijkte was, de eersten stap te doen tot verzoening. Het is de hoedanigheid van de wijsheid die van boven is, dat zij vreedzaam gezeggelijk, en vol barmhartigheid is. Hij sprak naar haar hart, hetgeen te kennen geeft dat zij in droefheid was, berouw had van haar verkeerdheid, waarvan hij waarschijnlijk gehoord had toen hij heenging om haar terug te halen. Zo belooft God betreffende het overspelige Israël, Hosea 2:13. "Ik zal ze lokken en ze voeren in de woestijn, en Ik zal naar haar hart spreken."
III. Haar vader heette hem zeer welkom, en poogde door buitengewone vriendelijkheid jegens hem de steun, die hij zijn dochter gegeven had in haar weggaan, van hem goed te maken, en hem te bevestigen in zijn gezindheid om met haar verzoend te worden. 1. Hij onthaalt hem vriendelijk, hij was vrolijk over zijn ontmoeting, vers 3, verleent hem gulle gastvrijheid gedurende drie dagen, vers 4. En om te tonen dat hij volkomen verzoend was, neemt de Leviet die vriendelijkheid aan, en wij bevinden niet dat hij hem of zijn dochter verwijten maakte over hetgeen was voorgevallen, maar was even vrolijk en aangenaam als bij zijn eerste bruiloft. Het betaamt allen, maar inzonderheid Levieten, te vergeven, zoals God vergeeft. Alles gaf hun nu de blijde hoop om voor het vervolg genoegelijk samen te leven, maar hadden zij kunnen voorzien, wat hun na een paar dagen zou wedervaren, hoe zou hun blijdschap in bitterheid en rouw zijn verkeerd! Als de zaken in ons gezin op haar best zijn, dan moeten wij ons nog verheugen met beving, omdat wij niet weten welk leed een dag baren kan. Wij kunnen niet voorzien welk kwaad ons nabij is, maar wij moeten bedenken wat zou kunnen komen, opdat wij niet al te gerust zijn, "alsof de dag van morgen zal zijn als deze, ja veel groter, veel voortreffelijker,' Jesaja 56:12.
2. Hij dringt zeer bij hem aan om nog te blijven, als nog een verder bewijs hoe welkom hij hem was, de genegenheid, die hij voor hem koesterde, en het genoegen, dat hij smaakte in zijn gezelschap, kwam voort:
A. Uit achting voor hem als zijn schoonzoon en een ingeënte tak van zijn eigen huis, zijn eigen geslacht. Liefde en achting zijn wij verschuldigd aan hen, die ons door een huwelijk aanverwant zijn, zowel als aan hen, die been zijn van ons been, en zij, die, evenals deze. Leviet, vriendelijkheid betonen, kunnen verwachten, evenals hij, vriendelijkheid te ontvangen. En:
B. Uit Godvruchtigen eerbied voor hem als Leviet, een dienaar van Gods huis, indien hij zo'n Leviet was als hij behoorde te wezen (en uit niets blijkt het tegendeel) dan moet zijn schoonvader geprezen worden voor zijn dringend aanhouden om zijn verblijf bij hem te verlengen, nuttigheid vindende in zijn gesprekken en gelegenheid hebbende om van hem de goede kennis des Heeren te leren, ook hopende dat de Heere hem weldoen zal, omdat hij een Leviet tot schoonzoon heeft, hem om zijnentwil zal zegenen.
a. Hij dringt hem om de vierde dag te blijven, en dat was vriendelijk, niet wetende wanneer zij weer bij elkaar kunnen komen, nodigt hij hem dringend om te blijven, zolang het hem mogelijk was. Hoewel de Leviet nu zo gul en gastvrij ontvangen was, wenste hij toch dringend te vertrekken. Het hart van een goede man is waar zijn zaken zijn waar zijn plicht hem roept, want gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. Het is een teken dat een man thuis weinig te doen heeft, of weinig hart heeft om te doen wat hij te doen heeft, als hij genoegen kan vinden om lange tijd afwezig te zijn, buitenshuis te zijn, waar hij niets te doen heeft. Het is inzonderheid goed om een Leviet te zijn, die graag naar zijn weinige schapen in de woestijn terugkeert. Maar deze Leviet werd door vriendelijke drang overreed, om langer te blijven dan hij voornemens was, vers 5-7. Wij moeten het uiterste vermijden van een al te gemakkelijk toegeven tot veronachtzaming van onze plicht aan de ene kant, en die van stuursheid en eigenzinnigheid ter veronachtzaming van onze vrienden aan de andere kant. Na Zijn opstanding hebben Zijn vrienden bij de Heiland aangedrongen om langer bij hen te blijven, dan Hij eerst voor Zijn doel voornemens is geweest, Lukas 24:28, 29.
b. Hij dringt hem om te blijven tot aan de namiddag van de vijfde dag, en dat was-zoals bleek- onvriendelijk, vers 8, 9. Hij wilde hem volstrekt niet laten gaan vóór de middagmaaltijd, belooft hem, dat die spoedig gereed zal zijn, hiermede bedoelende om hem, evenals de vorige dag, nog de nacht terug te zullen houden, maar de Leviet wilde naar het huis des Heeren trekken te Silo, vers 18 en zeer verlangende om daar te komen, wilde hij nu niet langer blijven. Waren zij vroeg op reis gegaan, zij zouden misschien een herbergzamer oord gevonden hebben dan dat, waar zij nu genoodzaakt waren heen te gaan, ja misschien wel te Silo zijn aangekomen, De door onze vrienden bedoelde vriendelijkheid blijkt dikwijls, zoals hier in dit geval, schade en nadeel te zijn, wat bedoeld is tot ons welzijn, wordt een strik. Wie weet wat in dit leven goed is voor een mens? Het was onverstandig van de Leviet om zo laat te vertrekken, hij zou beter thuis gekomen zijn, indien hij een nacht langer gebleven was, en vroeg op de volgende dag was vertrokken.
IV. Op zijn terugweg was hij genoodzaakt om te Gibea te vernachten, een stad in de stam van Benjamin, later Gibea Sauls genoemd, dat op zijn weg naar Silo en het gebergte van Efraïm lag. Toen de dag daalde en de schaduwen van de avond langer werden, begonnen zij te denken (zoals ons betaamt te doen als de dag van ons leven ten einde spoedt) aan een plaats, waar zij konden vernachten. Toen de nacht kwam, konden zij hun reis niet vervolgen, die in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat. Zij moesten wel naar rust verlangen, waarvoor de nacht bestemd is, zoals de dag voor arbeid bestemd is.
1. De dienstknecht stelde voor om in Jebus te overnachten, dat later Jeruzalem genoemd werd, maar nu nog in het bezit was van de Jebusieten. "Kom," zei de dienstknecht, "laat ons in deze stad van de Jebusieten overnachten," vers 11. En zo zij dit gedaan hadden, dan zouden zij er waarschijnlijk een veel betere behandeling gevonden hebben dan in Gibea-Benjamins. Verdorven, ongebonden Israëlieten zijn erger, en veel gevaarlijker zelfs dan Kanaänieten.
2. Maar zoals het betaamde aan iemand van Gods stam, wilde de meester zelfs geen enkele nacht doorbrengen in een vreemde stad, vers 12, niet omdat hij aan zijn veiligheid aldaar twijfelde, maar als hij het vermijden kon, wilde hij niet in zo'n samenzijn met de vreemden komen, als het overnachten bij hen zou meebrengen, en ook wilde hij hun niet zoveel verplicht zijn. Door deze plaatste mijden, wilde hij getuigen tegen de goddeloosheid van hen, die vriendschap aangingen met deze gevloekte volken en gemeenzaam met hen omgingen. Laat Israëlieten, inzonderheid Levieten, omgaan met Israëlieten, en niet met de kinderen van vreemden.
3. Jebus voorbijgegaan zijnde, dat ongeveer anderhalf uur gelegen was van Bethlehem de plaats vanwaar zij kwamen, en geen daglicht meer hebbende om naar Rama te komen, bleven zij te Gibea, vers 13 15. Daar zaten zij neer in een straat, omdat niemand hun een nacht verblijf aanbood. Toentertijd waren er in deze landen geen herbergen, waar, zoals bij ons, vreemdelingen onthaald konden worden voor hun geld, maar zij namen hun benodigdheden met zich, zoals deze Leviet hier gedaan heeft, vers 19, en rekenden op de gastvrijheid van de inwoners voor een nachtverblijf. Laat ons hieruit aanleiding nemen om, als wij op reis zijn, God te danken voor dit, onder andere gerieflijkheden, dat er herbergen zijn om vreemdelingen te ontvangen, waar zij voor hun geld goed onthaald en verzorgd worden. Er is voorzeker geen land ter wereld, waar men met meer voldoening thuis kan blijven, of met meer gemak op reis kan gaan dan in ons eigen land. Deze reiziger ontmoette ofschoon hij een Leviet was-(en God had inzonderheid geboden dat Zijn volk voor hen, die van deze stam waren, bij alle gelegenheden vriendelijkheid moest bewijzen) een zeer koud onthaal te Gibea, er was niemand, die hem in zijn huis nam om te vernachten. Als zij reden hadden te denken dat hij een Leviet was, heeft dat het volk wellicht zo slecht gezind voor hem gemaakt. Er zijn van de zodanigen, aan wie op de grote dag dit ten laste gelegd zal worden: Ik was een vreemdeling, en gij heb Mij niet geherbergd.