Richteren 16:4-17
Een gebrand kind wacht zich voor het vuur, maar Simson, die meer dan de kracht heeft van een man, blijft hier ver in wijsheid achter bij een kind, want hoewel hij meer dan eens in de hoogste mate kwaad heeft ondervonden van, en in gevaar is gekomen door, zijn liefde voor vrouwen en door ze begeerd te hebben, wilde hij zich toch niet laten waarschuwen, maar wordt hier in dezelfde strik gevangen, en deze derde maal moet hij voor alles tegelijk boeten. Salomo schijnt inzonderheid naar deze geschiedenis van Simson te verwijzen, als hij in zijn waarschuwing tegen onkuisheid dit bericht geeft van een hoerachtige vrouw, Spreuken 7:26 :"Zij heeft veel gewonden nedergeveld, ja veel sterke mannen zijn door haar gedood," Spreuken 7:26. en Spreuken 6:20 :'De overspeelster jaagt de kostelijke ziel." Deze slechte vrouw, die Simson ten verderve bracht, wordt hier Delila genoemd, een schandnaam, zeer gepast gebruikt om de persoon of de zaak aan te duiden, die door vleierij of leugen kwaad en verderf brengt over hen, jegens wie vriendelijkheid wordt voorgewend. Zie hier:
I. De genegenheid van Simson voor Delila. Hij kreeg haar lief, vers 4. Sommigen denken dat hij haar gehuwd had, maar dan zou hij haar in zijn eigen huis hebben doen komen, anderen dat hij naar haar hand dong en haar wilde huwen, maar er is maar al te veel reden om te denken, dat het een zondige liefde was en dat hij in onkuisheid met haar leefde. Of zij een Israëlietische of een Filistijnse vrouw was, is onzeker. Indien zij een Israëlietische was, dat nauwelijks waarschijnlijk is, dan had zij het hart van een Filistijnse.
II. De invloed, die de vorsten van de Filistijnen bij haar aanwendden, om haar te bewegen Simson te verraden vers 5.
1. Hetgeen zij haar zeiden te bedoelen, was hem te vernederen of te plagen, zij wilden wel beloven hem geen kwaad te doen, zij wilden hem slechts onbekwaam maken om hun kwaad te doen. En zo nauwgezet schenen zij om hun belofte te houden, dat zelfs toen hij geheel in hun macht was, zij hem niet wilden doden, neen, ook niet toen het scheermes, dat zijn haar afsneed hem gemakkelijker en sneller de keel zou hebben kunnen afsnijden.
2. Wat zij begeerden om hun doel te bereiken, was: te weten waarin zijn grote kracht gelegen was, en waarmee hij gebonden zou kunnen worden. Misschien dachten zij dat hij de een of andere amulet bij zich droeg, die hem de kracht gaf om deze grote dingen te doen, zo zij die slechts van hem konden krijgen, dan twijfelden zij niet of zij zouden hem meester kunnen worden, en daarom, vroeger reeds reden genoeg gehad hebbende om te weten wat zijn zwakke zijde was, hoopten zij voor de tweede maal zijn raadsel te kunnen uitvinden door met zijn kalf te ploegen, haalden zij Delila over om het uit hem te krijgen, haar voorhoudende welk een dienst zij hun hiermede zou bewijzen, en haar misschien verzekerende, dat zij er geen kwaad gebruik van zouden maken, noch ten opzichte van hem noch ten opzichte van haar.
3. Zij deden haar een hoog bod hiervoor belovende dat ieder hunner haar elf honderd zilverlingen zou geven, met hun allen dus vijf duizend vijf honderd, een som gelijk staande aan meer dan twaalf duizend gulden. Daarmee werd zij gehuurd om een man te verraden, die zij voorgaf lief te hebben, zie van welk afschuwelijk kwaad de liefde tot het geld de wortel is. Onze gezegende Heiland werd aldus verraden door iemand, die Hij vriend noemde, en dat wel met een kus, voor vuil gewin. Geen wonder dat zij, die onkuis zijn, zoals Delila, ook onrechtvaardig zijn, zij die hun eerbaarheid verliezen in het ene, zullen haar ook verliezen in het andere.
III. De kunstgrepen, waarmee hij haar van tijd tot tijd nog kon afschepen, en nog lang zijn geheim kon bewaren. Zij vroeg hem waarin zijn grote kracht was, en of het mogelijk was, dat hij gebonden en geplaagd kon worden, vers 6, voorgevende dat zij alleen begeerde, dat hij haar nieuwsgierigheid hierin zou bevredigen, en dat zij het onmogelijk achtte, dat hij gebonden kon worden, behalve door haar bekoorlijkheden. Toen zij zeer bij hem aandrong, zei hij haar:
1. Dat hij gebonden zou kunnen worden met zeven nieuwe touwen, vers 7. De proef werd genomen, vers 8, maar het ging niet. Hij verbrak de touwen gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt als het vuur ruikt, vers 9.
2. Toen zij hem nog meer lastig bleef vallen vers 10, zei hij haar, dat hij met twee nieuwe touwen zó geboeid en gekneveld zou wezen dat men met hem even gemakkelijk zou kunnen handelen als met ieder ander man, vers 11. Ook die proef werd genomen, maar met even weinig succes, de nieuwe touwen verbrak hij van zijn armen als een draad, vers 12.
3. Toen zij hem nog meer perste om haar het geheim mee te delen, en het hem als een onvriendelijkheid verweet, dat hij haar zolang om de tuin geleid had, zei hij haar, dat het vlechten van de zeven haarlokken van zijn hoofd een grote verandering bij hem zou teweegbrengen, vers 13. Dit kwam meer nabij de zaak dan iets dat hij haar nog gezegd had, maar toch het hielp niet, zijn kracht bleek grotelijks in zijn haar te liggen, bij de proefneming hiervan, heeft hij zuiver en alleen door de kracht van zijn haar de pin van de gevlochten haarlokken en de weversboom weggenomen.
a: Bij al deze proefnemingen nu is het moeilijk te zeggen of er meer Simsons zwakheid of Delila's boosheid in openbaar werd. Kon iets slechter zijn dan haar rusteloos, onredelijk aandringen bij hem, om een geheim te ontdekken, dat, naar zij wist, zijn leven in gevaar zou brengen, als het nog aan iemand anders dan aan hemzelf bekend werd? Wat kon meer laaghartig en onoprecht, meer vals en verraderlijk zijn, dan zijn hoofd op haar schoot te leggen, alsof zij hem liefhad, terzelfder tijd met het plan zwanger gaande om hem te verraden en over te leveren aan hen, die hem een dodelijken haat toedroegen?
b. Kan men zich grotere zwakheid denken, dan hij betoonde door zo'n gesprek of onderhandeling voort te zetten met iemand, die, naar hij duidelijk zag het op zijn verderf had gemunt, dat hij zolang het oor zou lenen aan zo onbeschaamd een verzoek, om haar te doen weten, hoe men hem zou kunnen plagen, dat is hoe men hem kwaad zou kunnen doen? dat hij, toen hij bemerkte, dat er een achterlage in de kamer was, gereed om hem gevangen te nemen, zo zij kon, niet onmiddellijk de kamer verliet met het vaste besluit om er nooit in terug te keren, ja, dat hij nogmaals zijn hoofd op haar schoot legde waaruit hij zo dikwijls gewekt was met de kreet: de Filistijnen over u, Simson? Men kan zich nauwelijks voorstellen, hoe een man zo volkomen verdwaasd kon wezen, zo volkomen gedachteloos als Simson nu was, maar hoererij is een van de dingen, die het hart wegnemen. Het is moeilijk te zeggen wat Simson bedoelde door haar toe te laten om zo dikwijls te beproeven of zij hem kon verzwakken en plagen. Sommigen denken dat hij niet met zekerheid wist waarin zijn kracht lag, maar het schijnt dat hij dit wèl wist, want toen hij haar datgene zei wat hem werkelijk zwak en onmachtig zou maken, wordt gezegd, dat hij haar zijn gehele hart verklaarde. Hij schijnt zich met haar te hebben willen vermaken, om te zien of hij er zich met een grap kon afmaken, en hen, die in achterlage lagen, teleur te stellen en voor de gek te houden, maar het was zeer onverstandig van hem, dat hij het veld niet heeft geruimd, toen hij bemerkte dat hij geen stand kon houden.
IV. Hoe hij ten laatste zijn groot geheim heeft bekend gemaakt, en zo die bekendmaking hem noodlottig is, heeft hij het zichzelf te wijten, die de kracht niet had om het te verzwijgen voor iemand, die klaarblijkelijk zijn verderf zocht. Zeker, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte, maar voor Simsons ogen wordt het net gespreid, en hij wordt er in gevangen. Indien hij niet reeds blind was geweest voordat de Filistijnen hem de ogen uitstaken, dan zou hij gezien hebben hoe hij verraden werd. Delila betekent iemand die verteert, en zij verteerde hem.
Merk op:
1. Hoe zij hem kwelde, hem zei niet te geloven dat hij haar liefhad, tenzij hij haar hierin ter wille was, vers 15. Hoe zult gij zeggen: ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Dat is: "als gij mij de raadslagen van uw hart niet kunt toevertrouwen?" Hartstochtelijke minnaars kunnen het niet dragen, dat er aan hun liefde getwijfeld wordt, zij zouden liever alles doen, dan dat hun oprechtheid verdacht wordt. Hier had Delila dus het overwicht op deze liefhebbende dwaas (vergeef mij, dat ik hem zo noem). Dit vertoog of beklag is wezenlijk op een grote waarheid gegrond, namelijk dat zij alleen onze liefde hebben, die-niet onze goede woorden of onze goede wensen hebben, maar ons hart hebben. Dat is liefde zonder geveinsdheid, maar het is in de hoogste mate leugen en vleierij, te zeggen: Wij hebben hen lief, met wie ons hart niet is. Hoe kunnen wij zeggen dat wij, hetzij onze broeder, die wij gezien hebben, of God, die wij niet gezien hebben, liefhebben, zo ons hart niet met hen is? Zij bleef hem vele dagen kwellen met haar persen en dringen, zodat hij ten laatste geen genot meer had in het leven met haar, zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe, vers 16. Waarom heeft hij haar toen dan niet verlaten? Het was omdat hij vastgehouden werd door de kracht van de liefde, valselijk aldus genoemd, maar die in waarheid zinnelijke lust moest heten. Dit betoverde en bedwelmde hem, en zie, hoe zij door de kracht er van:
2. Hem overwon, vers 17. Hij verklaarde haar zijn gehele hart. God heeft hem aan zichzelf overgelaten, om deze dwaasheid te doen, om hem te straffen voor zijn toegeven aan de lusten van de onreinheid. De engel, die zijn geboorte voorzegd had zei niets van zijn grote kracht, zei alleen dat hij een nazireër moest wezen, en inzonderheid, dat geen scheermes op zijn hoofd zou komen, Hoofdstuk 13:5. Zijn wijding aan God moest zijn kracht zijn, want hij moest "met alle kracht bekrachtigd worden naar de heerlijke kracht van de Geest, die in hem werkte met kracht, opdat zijn kracht door belofte, niet door de natuur, een type en afschaduwing zou wezen van de geestelijke kracht van de gelovigen", Colossenzen 1:11, 29. Daarom was het kenteken van zijn wijding het onderpand van zijn kracht-verliest hij het eerste, dan weet hij dat hij het laatste verbeurt. "Als ik geschoren word, ben ik geen nazireër meer en dan is mijn kracht weg." Dat zijn lichaamskracht zozeer afhankelijk was gemaakt van zijn haar, dat er toch generlei natuurlijke invloed op kon hebben, leert ons de Goddelijke inzettingen te verheerlijken, en Gods genade en de voortduring er van te verwachten in het gebruik van deze middelen van de genade, die Hij verordineerd heeft-het Woord, de sacramenten en het gebed. In die aarden vaten is deze schat.