Richteren 16:18-21
Wij hebben hier de noodlottige gevolgen van Simsons dwaasheid in zijn verraden van zijn eigen kracht. Daar heeft hij spoedig duur voor moeten betalen. Een hoer is een diepe gracht, hij op wie de Heere vergramd is, zal daarin vallen. In die put verzinkt Simson.
Merk op:
1. Welke zorg Delila droeg om zeker te zijn van haar geld. Door zijn wijze van spreken bemerkte zij, dat hij haar zijn gehele hart had verklaard, en zij zendt om de vorsten van de Filistijnen, die haar gehuurd hadden om deze daad te plegen, maar zij moeten het geld meebrengen, en dat deden zij, zij brachten het geld in hun hand, vers 18. Zonder dat Simson het wist werd haar dus het loon van de ongerechtigheid gegeven. Het zou iemand smarten aan het hart, om aldus een van de kloekmoedigste mannen, die toen in de wereld leefden, verkocht en gekocht te zien als een schaap voor de slachtbank. Hoe wordt door deze gebeurtenis al de heerlijkheid van mensen bezoedeld, en wordt de sterke verboden om zich ooit te beroemen op zijn kracht!
2. Welke maatregel zij nam om hem volgens de overeenkomst over te leveren. Velen in de wereld zouden voor het honderdste deel dat hier aan Delila gegeven wordt, hen verkopen en verraden, voor wie zij de grootste achting voorwenden. Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamste vriend of leidsman. Zie welk een verraderlijke methode zij volgde, vers 19. Zij deed hem slapen op haar knieën. Josephus zegt, zij gaf hem de een of andere bedwelmende drank, die hem deed inslapen. Welk verdovend of slaapwekkend middel zij nu ook heimelijk in zijn beker liet vloeien weten wij niet, maar wij kunnen niet veronderstellen, dat hij met bewustheid wijn of sterken drank gedronken zal hebben, want daarmee zou hij zijn nazireërschap evenzeer verbeurd hebben, als door het afscheren van zijn haar. Zij wendde dus de grootste vriendelijkheid voor, toen zij het grootste kwaad met hem voorhad, dat zij echter niet tot uitvoering zou hebben kunnen doen komen, als zij hem niet had kunnen doen slapen. Zie de noodlottige gevolgen van gerustheid. Satan stort de mensen in het verderf door hen in slaap te sussen, hen vleiende, totdat zij een goede mening hebben van hun eigen veiligheid om hen er aldus toe te brengen, nergens om te geven, niets te vrezen, en dan berooft hij hen van hun kracht en hun eer, en leidt hen gevangen tot zijn wil. Als wij slapen, slapen onze geestelijke vijanden niet. Toen hij in slaap was, had zij een persoon bij de hand, om zijn haar af te scheren, dat hij zo stil deed en zo snel, dat Simson er niet van ontwaakte, maar dat hem blijkbaar kwelde, zelfs in zijn slaap werd zijn geest neergebogen. Ik denk dat wij mogen aannemen, dat hem deze kwade trek gespeeld was in zijn slaap, zonder dat hij er, zoals nu, zelf aan debet was, het die vreemde uitwerking niet op hem gehad zou hebben, maar het was zijn eigen slechtheid, die hem strafte. Het was zijn ongerechtigheid, anders zou het niet zo zijn ongeluk zijn geweest.
3. Hoe weinig hij zelf er in zorg of kommer om was, vers 20. Het kon niet anders, of hij moest bij zijn ontwaken zijn haar missen, en toch zei hij: "Ik zal ditmaal uitgaan als op andere malen, na geslapen te hebben, en mij uitschudden, of, als op andere malen, wanneer de Filistijnen over mij waren, om mij tegen hen te verdedigen." Misschien dacht hij dat hij zich te gemakkelijker zou kunnen uitschudden, en dat zijn hoofd lichter zou voelen, omdat zijn haar gesneden was, en er weinig aan denkende, dat de last van de schuld veel zwaarder is dan de last van haar. Wij hebben reden te denken, dat hij spoedig een verandering in zich ontwaarde, en toch wist hij niet, dat de Heere van hem geweken was. Hij bedacht niet dat dit de oorzaak was van die verandering. Velen hebben de gunstrijke tegenwoordigheid Gods verloren, en zijn er zich niet van bewust, zij hebben God er toe gebracht, om zich van hen terug te trekken, maar zij gevoelen hun verlies niet, noch klagen er over. Hun ziel kwijnt en verzwakt, hun gaven nemen af, alles gaat verkeerd met hen, maar zij schrijven het niet aan de werkelijke oorzaak toe, zij bespeuren niet dat God van hen geweken is, en zij zijn ook niet verlangend om zich met Hem te verzoenen en Zijn gunst te herkrijgen. Als God van ons geweken is, dan kunnen wij niet doen zoals anders.
4. Welk gebruik de Filistijnen spoedig maakten van het voordeel, dat zij op hem verkregen, vers 21. De Filistijnen namen hem, toen God van hem geweken was. Zij, die zich buiten Gods bescherming gesteld hebben, worden een gemakkelijke prooi voor hun vijanden. Indien wij slapen op de schoot van onze lusten, dan zullen wij zeker ontwaken in de handen van de Filistijnen. Waarschijnlijk hebben zij Delila beloofd hem niet te doden, maar zij namen afdoende maatregelen om hem het vermogen te ontnemen om hen te schaden. Het eerste wat zij deden, toen zij hem in handen hadden, en bevonden dat zij naar welgevallen met hem konden handelen, was hem de ogen uit te steken, door er vuur op te doen, zegt de Arabische overzetting. Zij overwogen dat hij het gezicht van zijn ogen nooit zou herkrijgen, zoals hij misschien zijn haar zou herkrijgen, en de sterkste armen zouden weinig kunnen uitrichten zonder ogen om ze te besturen, indien zij hem nu blind maken, zal hij voor altijd blind zijn. Zijn ogen hebben de zonde binnengelaten, hij zag de hoer te Gaza, en ging tot haar in, vers 1, en nu is zijn straf daar begonnen. Nu de Filistijnen hem blind gemaakt hebben, heeft hij tijd om te bedenken, hoe zijn eigen lusten hem verblind hebben. Het beste middel om de ogen te bewaren is ze af te wenden van de ijdelheden te zien. Zij voerden hem af naar Gaza, opdat hij in zwakheid zou verschijnen daar, waar hij kort tevoren zulke proeven had gegeven van zijn kracht, vers 3, en een spotrede zou zijn voor hen, voor wie hij zo'n verschrikking is geweest. Zij bonden hem met twee koperen ketenen, die te voren gehouden was in de banden van zijn eigen ongerechtigheid, en hij was malende in het gevangenhuis, werkte er, hetzij tot hun profijt of tot zijn straf, of wel voor beide. Zo doet de duivel ook met de zondaren, hij verblindt de zinnen van de ongelovigen, en maakt hen aldus dienstbaar aan zijn belangen. Arme Simson hoe zijt gij gevallen! Hoe is uw eer in het stof gelegd! Hoe is hij, die de roem en de beschermer van Israël was, de slaaf en de triomf geworden voor de Filistijnen! De kroon is van zijn hoofd gevallen, wee hem, dat hij zo gezondigd heeft! Laat allen gewaarschuwd worden door zijn val, om zorgvuldig hun reinheid te bewaren, en te waken tegen alle vleselijke lusten, want al onze eer is verloren, en onze schaduw van ons geweken, als het verbond van ons Gode afgezonderd zijn als geestelijke nazireërs, ontheiligd en verbroken wordt.