Richteren 16:1-3
1. Hier is: Simsons zonde, vers 1. Dat hij in het begin van zijn tijd een Filistijnse vrouw gehuwd heeft, was enigermate te verontschuldigen, maar zich te voegen bij een hoer, die hij bij geval onder hen zag, was zo'n ontwijding van zijn eer als Israëliet en nazireër, dat wij wel moeten blozen als wij het lezen. Verkondigt het niet te Gath. Deze lage onreinheid maakt het bevallig gelaat van deze nazireër "zwarter dan kool," Klaagliederen 4:8. Wij bevinden niet dat Simson iets te doen had te Gaza, indien hij er heenging om een hoer te zoeken, dan zou dit ons bereid maken te hopen, dat, hoe slecht overigens de zaken ook waren in Israël, er toch onder de dochteren Israëls geen prostituées gevonden werden. Sommigen denken dat hij er heenging om de toestand en de houding van de Filistijnen op te nemen, ten einde enig voordeel op hen te verkrijgen. Indien dit zo is, dan vergat hij zijn zaken, veronachtzaamde ze, en viel aldus in deze strik. Zijn zonde begon in zijn oog, waarmee hij een verbond had moeten aangaan, hij zag daar een vrouw in hoerenversiersel, en de begeerlijkheid ontvangen hebbende, bracht zij de zonde voort, hij ging tot haar in.
2. Simsons gevaar. Er werd bericht gezonden aan de magistraten van Gaza-misschien wel door de verraderlijke hoer zelf-dat Simson in de stad was, vers 2. Waarschijnlijk kwam hij er vermomd, of in het duister van de avond, en ging in een herberg, die door een hoer werd gehouden. Hierop werden de stadspoorten gesloten, wachten uitgezet, en alles werd stil en rustig gehouden, opdat Simson geen gevaar zou vermoeden. Nu dachten zij hem als in een gevangenis te hebben, en twijfelden er niet aan, of zij zouden hem de volgenden morgen ter dood brengen. Ach, mochten allen, die zich toegeven in hun zinnelijke lusten, in dronkenschap, onkuisheid of andere vleselijke lusten, zich dus omsingeld zien, zien hoe er door hun geestelijke vijanden lagen gelegd zijn tot hun verderf! Hoe vaster zij slapen en hoe veiliger zij zich wanen, hoe groter hun gevaar is.
3. Simsons ontkoming. Te middernacht stond hij op, misschien gewekt door een droom in de sluimering op het leger, Job 33:15, door zijn beschermengel, of liever door de bestraffing van zijn eigen geweten. Hij stond op met berouw en afschuw-naar wij hopen-van de zonde, die hij bedreef, en met een Godvruchtig besluit om er niet toe weer te keren, stond op onder een vermoeden van het gevaar, waarin hij verkeerde, en dat hij was als iemand, die sliep op de top van een mast, stond op met gedachten als deze: "Is dit een bed, geschikt voor een nazireër om in te slapen? Zal een tempel van de levenden God aldus verontreinigd worden?" Het was slecht dat hij zulke bestraffingen van zijn geweten niet had toen hij ging liggen, maar het zou nog erger geweest zijn, indien hij er stil onder was blijven liggen. Onmiddellijk begeeft hij zich naar de stadspoort, vindt waarschijnlijk de wachters in slaap, anders had hij hen hun laatsten slaap doen slapen, houdt zich niet op om de deuren open te breken, maar rukt de posten uit de grond, neemt deuren en grendelen en al, allen zeer groot en sterk, en zeer zwaar-op zijn schouder, en draagt ze verscheiden mijlen ver naar de hoogte van de berg, in minachting van hun poging om hem door deuren en grendels vast te houden, bedoelende zich aldus nog meer geducht te maken voor de Filistijnen, en meer aangenaam aan zijn volk, om aldus een bewijs te geven van de grote kracht, die God hem had geschonken, en een type te zijn van Christus' overwinning over dood en graf. Hij heeft niet slechts de steen afgewenteld van de deur van het graf en is aldus zelf uitgegaan, maar droeg de deuren weg van het graf met grendel en al, en heeft het aldus voor al de Zijnen een open gevangenis laten blijven, het zal, het kan hen niet voor altijd houden. Dood waar is uw prikkel? Waar zijn uw poorten? Dank zij Hem, die niet slechts voor zichzelf de overwinning behaald heeft, maar ook ons de overwinning geeft!