Richteren 11:1-3
Aan het einde van het vorige hoofdstuk lieten wij het volk en de oversten, tezamen beraadslagende over de keus van een generaal, tot het besluit gekomen zijnde, dat hij, die het op zich nam hun krijgsmacht tegen de kinderen Ammons aan te voeren, met algemene toestemming tot hoofd zou worden gesteld over al de inwoners van Gilead. De onderneming was hachelijk, en het was voegzaam, dat zo een duidelijke aanmoediging gegeven zou worden aan hem, die haar op zich nam. Nu waren allen het er over eens, dat Jeftha, de Gileadiet een strijdbaar held was, zeer geschikt voor dit doel, niemand was er zo geschikt en bekwaam voor als hij, maar er waren drie dingen tegen hem.
1. Hij was een hoerekind, vers 1, de zoon van een vreemde vrouw, vers 2, van een vrouw, die noch een echtgenote, noch een bijvrouw was. Sommigen denken dat zijn moeder een heidense vrouw was, zo noemt hem Josephus "een vreemdeling van moeders kant." Een Ismaëlietische, zeggen de Joden. Indien zijn moeder een hoer was, dan was dat niet zijn schuld, al was het ook iets schandelijks voor hem. Men moet de mensen geen smaadheid aandoen, geen verwijtingen tot hen richten wegens ongelukkige omstandigheden, verbonden aan hun maagschap of afkomst, zolang zij door hun eigen gedrag er naar streven de schande van zich af te wentelen. De zoon van een hoer zal, indien hij wedergeboren is, van boven is geboren, Gode welbehaaglijk zijn, even welkom wezen als ieder ander, aan de heerlijke vrijheden van Zijn kinderen. Jeftha kon in de wet het brandmerk niet lezen, dat daar ingedrukt is in de Ammonieten, de vijanden, tegen wie hij te strijden heeft, dat zij in de vergadering des Heeren niet zullen komen, of hij moest wel in dezelfde paragraaf datgene ontmoeten, wat op hemzelf ziet, namelijk dat geen bastaard in de vergadering des Heeren zal komen, Deuteronomium 23:2,3 Maar indien deze wet alleen bedoelt-hetgeen zeer waarschijnlijk is- degenen die uit bloedschande geboren zijn, maar niet uit hoererij, dan viel hij niet onder het bereik er van.
2. Hij was door zijn broederen uit het land verjaagd. De wettige kinderen van zijn vader drongen aan op strenge toepassing van de wet, verklaarden dat hij niet met hen zou erven, zonder acht te slaan op zijn buitengewone hoedanigheden, die wel een vrijstelling van deze wet verdienden, en hem tot een kracht en sieraad van hun geslacht gesteld zouden hebben, indien zij zijn onwettige geboorte hadden voorbijgezien, en hem tot een kindsdeel hadden toegelaten. Men zou niet gedacht hebben dat die verstoten jongeling bestemd was Israëls bevrijder en richter te zijn, maar God vernedert dikwijls hen, die Hij voornemens is te verhogen, en maakt die steen tot een hoofd des hoeks, die door de tempelbouwers verworpen werd, aldus zijn Jozef, Mozes en David, drie van de uitnemendsten van de herders van Israël allen uitgeworpen door de mensen, eer zie door God tot hun hoge ambt werden geroepen.
3. Hij was in zijn ballingschap aan het hoofd gekomen van een bende van gespuis. Zijn grote ziel liet hem niet toe te graven noch te bedelen, hij moest leven van zijn zwaard, en spoedig vermaard geworden zijnde om zijn dapperheid, hebben zij, die in dezelfde moeilijke omstandigheden verkeerden en door eenzelfden geest waren gedreven, zich onder zijn aanvoering geschaard. IJdele mannen worden zij hier genoemd, dat is mannen, die hun goed hadden doorgebracht en nu op de een of andere wijze aan de kost moesten zien te komen, zij togen met hem uit, niet om te roven of te plunderen, maar om op wilde dieren te jagen, en wellicht invallen te doen in de landen, waar Israël recht op had, maar die nog niet in hun bezit waren gekomen, of door welke zij op de een of andere wijze benadeeld werden.
Dat is de man, die Israël moet verlossen. Dat volk had zich door hun afgoderij tot kinderen van de hoererijen gemaakt, zich vervreemd van God en zijn verbond, en daarom zullen zij tot hun vernedering, en om hen te herinneren aan hun zonde, wel door God verlost worden, maar Hij verkiest als werktuig er voor een man, die een hoerekind en een balling is.