Richteren 10:1-5
Rustige en vreedzame regeringen zijn wel de beste om onder te leven, maar de ergste om beschreven te worden, daar zij de minste verscheidenheid of afwisseling opleveren voor de geschiedschrijver om er zijn lezer mee te onderhouden. Zodanig waren de regeringen van deze twee richteren, Thola en Jaïr, die slechts weinig vertoning maken, en een zeer kleine plaats innemen in deze geschiedenis. Maar ongetwijfeld waren beide door God verwekt om hun land te dienen in de hoedanigheid van richteren, niet, zoals Abimelech gedaan had, aanspraak makende op de grootheid van koningen, en ook niet, zoals hij, zichzelf de eer nemende, die zij hadden, zij waren er door God toe geroepen.
1. Van Thola wordt gezegd, dat hij na Abimelech opstond om Israël te behouden, vers 1. Nadat Abimelech Israël verdorven had door zijn goddeloosheid, hen had ontrust en beroerd door zijn rusteloze eerzucht en door het kwaad, dat hij over hen bracht, hen had blootgesteld aan vijanden van buiten, heeft God deze goede man opgewekt om op te treden voor het hervormen van misbruiken, het onderdrukken van afgoderij, het stillen van tumult en het helen van de wonden, die door Abimelechs overweldiging aan de staat waren toegebracht. Aldus redde hij hen van henzelf, en behoedde hij hen voor hun vijanden. Hij was uit de stam van Issaschar, een stam, geneigd om te dienen, want "hij boog zijn schouder om te dragen," Genesis 49:14, 15. Toch wordt nu een uit die stam verwekt om te heersen, want zij, die zich vernederen, zullen verhoogd worden. Hij droeg de naam van hem, die de voorvader was van het eerste geslacht van die stam, van Issaschars zonen was Thola de eerste, Genesis 46:13, Numeri 26:23. De naam betekent een worm, daar hij echter de naam was van zijn voorvader, schaamde hij zich niet die te dragen. Hoewel hij uit Issaschar was, is hij toch, toen hij aan de regering kwam, op het gebergte Efraïm gaan wonen omdat dit meer in het hart van het land was, zodat het volk gemakkelijker tot hem ten gerichte kon komen. Hij richtte Israël drie en twintig jaren, vers 2, hield de zaken in goede orde, maar heeft niets merkwaardigs gedaan.
2. Jaïr was, evenals zijn naaste opvolger, Jeftha, een Gileadiet, beide uit de halve stam van Manasse, die aan de andere kant van de Jordaan gevestigd was. Hoewel zij gescheiden schenen te zijn van hun broederen, heeft God er voor gezorgd dat, zolang de eer van de regering nog van stam op stam werd afgewisseld en vóór zij in Juda gevestigd bleef, zij, die het verst verwijderd lagen er soms ook in zouden delen, meer ere gevende aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft. Jaïr droeg de naam van een zeer vermaard man uit diezelfde stam, die in Mozes' tijd zeer ijverig was om dit land te veroveren, Numeri 32:41, Jozua 13:30 s. Het merkwaardigste omtrent deze Jaïr is de toeneming en eer van zijn geslacht, hij had dertig zonen, vers 4. En zij waren in aanzien, want zij reden op dertig ezelsveulens, dat is zij waren rondtrekkende rechters, als afgezondenen van hun vader, gingen van plaats tot plaats om recht te spreken. Wij zullen later zien dat Samuël zijn zonen tot rechters aanstelde, hoewel hij geen goede rechters van hen kon maken, 1 Samuël 8:1-3.
b. Zij hadden ook goede bezittingen. Ieder van hun had een stad uit die, welke naar hun voorvader, die dezelfde naam droeg als hun vader, Havvoth-Jaïr genoemd werden, de dorpen van Jaïr, maar zij worden steden genoemd, hetzij omdat deze jonge mannen, aan wie zij toegewezen waren, ze uitgebreid en versterkt hebben en ze aldus tot steden hebben bevorderd, of omdat zij even tevreden waren met hun deel in deze landstadjes, alsof zij steden waren met muren en poorten. Voor een tevreden gemoed zijn dorpen zo goed als steden.