18. Het is goed, dat gij daaraan (
Vers 17)vasthoudt, en trek ook uwe hand van dit (
Vers 16)niet af (
Mattheus 23:23); want zowel de Farizese als de Sadducese gezindheid des harten berooft u van Gods genade, en brengt Gods oordelen over u; want die God oprecht vreest, dien ontgaat dat al, al die gevaren der ziel, waarvan in beide vorige verzen gesproken is.
De vreze Gods ontkomt het gevaar van het Farizeïsmus, omdat zij in het hart enen afkeer verwekt, om God door schijnvroomheid te willen misleiden, en omdat met de ware godsvrucht de kracht, die in de kennis der zonde ligt, noodzakelijk gepaard gaat (Jesaja 6:5 6:5); zij omkomt aan het gevaar van een leven in de zonde, omdat hij, die God vreest, schroomt zijnen God door zonden te beledigen, (Genesis 39:9) en den vromen wens koestert op den weg Zijner geboden te wandelen..
Vele oppervlakkige naamchristenen beroepen zich dwaselijk op de uitspraak van Vers 16-18, als zij beweren dat men de vroomheid niet te ver drijven moet, als zij trachten de waarheid en de leugen, de gerechtigheid en den dienst der zonde, Christus en den duivel met elkaar te verzoenen en een "gulden middenweg" te bewandelen. De Prediker verwerpt deze "aurea mediocritas" zo beslist mogelijk, maar vermaant veeleer tot een werken van zijn zelfs zaligheid met vreze en beven. In plaats daarvan wijst de Prediker een waar, echt evangelisch midden aan tussen twee gevaarlijke zijwegen, waarvan de ene de geestelijke hoogmoed, de andere de onverschillige wereldzin is; dezen weg van het ware midden bewandelt de godsvrucht..