Prediker 6:1-6
Aan het einde van het vorige hoofdstuk had Salomo aangetoond hoe goed het is om een aangenaam gebruik te maken van de gaven van Gods voorzienigheid, en nu toont hier het kwaad aan van het tegenovergestelde, van het hebben en niet gebruiken, vergaderende om op te sparen voor ik weet niet welke toekomstige gebeurtenis, en het niet te besteden aan de noodzakelijkste behoeften van het ogenblik, dat is een kwaad, Salomo zelf gezien heeft onder de zijn, vers 1. Er is zeer veel kwaad onder de zon, er is een wereld boven de zon, waar geen kwaad is, maar God doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, hetgeen een verzwaring is van de bozen. God heeft voor Zijn dienstknechten een kaars ontstoken om bij te werken, maar als luie en onnutte dienstknechten, begraven zij hun talent, en alzo verspillen zij het licht en zijn het onwaardig. Als koning heeft Salomo de zeden en gewoonten zijns volks nagegaan en hij heeft dit kwaad opgemerkt als nadelig voor het publiek, dat geschaad wordt, niet alleen door van de mensen verkwisting aan de ene kant, maar ook door hun karigheid aan de andere kant. Zoals het is met het bloed in het natuurlijke lichaam, zo is het met het vermogen van het staatslichaam, indien het, in plaats van in omloop te zijn, stilstaat, dan zullen daar slechte gevolgen uit voortkomen. Als prediker heeft Salomo het kwaad opgemerkt, dat gedaan werd, ten einde het te bestraffen en het volk er tegen te waarschuwen. Dit kwaad was in zijn dagen veel onder de mensen, en toch was er toen een grote overvloed van zilver en goud, hetgeen zou men zo denken, het volk minder waarde had moeten doen hechten aan rijkdom, het was ook een tijd van vrede, en er was generlei vooruitzicht op benauwdheid of beroering, hetgeen voor sommigen een verzoeking is om op te leggen, maar geen omstandigheid, geen beschikking van Gods voorzienigheid, zal, tenzij Gods genade meewerkt, de verdorven neigingen genezen van het materieel gezinde hart voor de wereld en de dingen van de wereld, ja, als het vermogen toeneemt, dan vooral zijn wij geneigd er het hart op te zetten. Merk nu op betreffende deze gierigaard:
I. De grote reden, die hij heeft om God te dienen met blijdschap des harten, hoe God hem wel gedaan had.
1. Hij heeft hem rijkdom en goederen en eer gegeven, vers 2. Rijkdom en goederen bezorgen de lieden gewoonlijk eer onder de mensen. Al is het niet meer dan een beeld, zo het een gouden beeld is, zullen alle volken en naties en talen neervallen en het aanbidden. Rijkdom en goederen en eer zijn Gods gaven, de gaven van Zijn voorzienigheid, en niet gegeven, zoals Zijn regen en zonneschijn, gelijkelijk aan allen, maar aan sommigen, en niet aan anderen, naar dat God het goed acht. Maar zij worden gegeven aan velen, die er geen goed gebruik van maken, aan velen, aan wie God geen wijsheid en genade geeft om er het lieflijke van te nemen voor henzelf en er God mee te dienen. De gaven van de gewone voorzienigheid worden geschonken aan velen, aan wie de gaven van de bijzondere genade onthouden worden, zonder welke de gaven van de voorzienigheid dikwijls meer kwaad dan goed doen.
2. Hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek van alles wat hij begeert. De Voorzienigheid is zo mild voor hem geweest, dat hij alles, ja meer heeft, dan het hart kan begeren, Psalm 73:7. Hij begeert geen genade voor zijn ziel, het betere deel, al wat hij begeert is: genoeg om de zinnelijke lusten te bevredigen, en dat heeft hij, zijn buik is vervuld van deze verborgen schat, Psalm 17:14.
3. Hij wordt verondersteld een talrijk gezin te hebben, honderd kinderen te gewinnen, die de steun en sterkte zijn van zijn huis, en als een pijlkoker vol van pijlen voor hem zijn, de eer en het aanzien van zijn huis, en in wie hij het vooruitzicht heeft, dat zijn naam opgebouwd zal worden, en al de onsterflijkheid te hebben, die deze wereld geven kan. Zij zijn vol van kinderen, Psalm 17:14, terwijl velen van Gods volk kinderloos zijn aangeschreven, en van alles beroofd zijn.
4. Om zijn geluk te voltooien wordt hij verondersteld vele jaren te leven, of liever vele dagen want ons leven moet veeleer naar dagen dan naar jaren gerekend worden, de dagen van zijn jaren zijn vele, en zo gezond is zijn lichaamsgestel, en zo langzaam komt de ouderdom over hem, dat zij waarschijnlijk nog veel meer zullen zijn. Ja hij wordt verondersteld duizend jaren te zullen leven, dat geen mens, voorzover wij weten, ooit gedaan heeft, ja al leefde hij twee maal duizend jaren, men zou denken dat een klein gedeelte van die tijd genoeg zou zien om de mensen uit hun eigen ervaring te overtuigen van de dwaasheid beide van hen, die verwachten alle goed te vinden in wereldlijken rijkdom, en van hen, die verwachten er enigerlei goed in te vinden, behalve in het gebruiken ervan.
II. Hoe weinig hart hij heeft om te gebruiken wat God hem heeft gegeven voor het doel, waartoe het hem werd gegeven. Het is zijn schuld en zijn dwaasheid, dat hij niet vergeldt naar de weldaad, die hem bewezen is, en de Heer God, zijn weldoener, niet dient met vrolijkheid en blijdschap des harten in de overvloed van alle dingen. Ten dage van zijn voorspoed is hij niet blijde. "Trisfis es, et felix?" Zijt gij gelukkig en toch treurig? Zie zijn dwaasheid:
1. Hij kan het niet van zich verkrijgen om het lieflijke te smaken van hetgeen hij heeft. Hij heeft spijs voor zich staan, hij heeft hetgeen nodig is om zich en zijn gezin goed en betamelijk te onderhouden, maar hij heeft de macht niet om daarvan te eten, zijn karige schraapzuchtige aard laat hem niet toe het te gebruiken, ja niet eens voor zichzelf, ja niet eens voor het allernodigste voor hemzelf. Hij heeft de macht niet om door met zichzelf te redeneren die ongerijmdheid van zich weg te doen, deze gierige aard ten onder te brengen. Hij voorzeker is zwak, die de kracht niet heeft om te gebruiken wat God hem gegeven heeft, want God geeft hem die macht niet, maar onthoudt ze hem om hem te straffen voor ander misbruik, dat hij maakt van zijn rijkdom, omdat hij de wil niet heeft om er God mee te dienen, onthoudt God hem de macht om er zichzelf mee te dienen.
2. Hij laat toe dat diegenen op hem azen, aan wie hij generlei verplichting heeft, een vreemde man eet het op. Dat is het gewone lot van gierigaards, zij willen hun eigen kinderen niet vertrouwen, misschien, maar aanhangers en tafelschuimers, die de kunst verstaan van hen te vleien en te bepraten, weten zich bij hen in te dringen, en vinden middelen om te verslinden wat zij hebben, of om te maken dat het hun bij testament wordt nagelaten. God regelt het zo, dat een vreemd man het eet, vreemden verteren zijn kracht, Hosea 7:9, Spreuken 5:10. Dit kan wel ijdelheid genoemd worden, en een kwade smart. Wat wij hebben, hebben wij tevergeefs indien wij het niet gebruiken, en zo'n gemoedsgesteldheid is gewis een ellendige ziekte, die ons ervan terughoudt om het te gebruiken. Onze ergste krankheden komen voort uit het bederf van ons eigen hart.
3. Hij berooft zich van het goed, dat hij uit zijn wereldlijke bezittingen had kunnen hebben, hij verbeurt het niet slechts, maar berooft er zich van, en werpt het van zich, zijn ziel is niet verzadigd van het goed, vers 3. Hij is nog onbevredigd en ongerust. Zijn handen zijn gevuld met rijkdom zijn schuren zijn vol, zijn geldzakken zijn vol, maar zijn ziel is niet verzadigd van het goede, neen, niet van dat goed, want zij haakt nog altijd naar meer. Ja meer, vers 6, hij ziet het goede niet, hij kan niet eens zijn ogen genoegen doen, want die zien altijd nog verder, zien met afgunst op hen die meer hebben. Hij heeft zelfs het tastbare goed niet van zijn bezitting. Hoewel hij de blik niet richt over de dingen heen, die gezien worden, ziet hij toch met genoegen neer zelfs op deze dingen.
4. Hij heeft geen begrafenis, geen die overeen komt met zijn rang, geen betamelijke begrafenis, maar een ezelsbegrafenis, hetzij dat zijn gierigheid hem niet toeliet om voor een behoorlijke begrafenis te zorgen, of dat de vreemden, die zijn goed hebben opgegeten, hem zo arm hebben gemarkt, dat hij de kosten niet betalen kan, Of dat zij aan wie hij zijn goed nalaat, zo weinig achting hebben voor zijn nagedachtenis, en zo begeerlijk zijn naar hetgeen zij van hem hebben zullen, dat zij de onkosten niet willen dragen van een deftige begrafenis voor hem die zijn eigen kinderen, indien hij het hun had nagelaten, hem niet misgund zouden hebben.
III. De voorkeur, die de prediker geeft aan een miskraam boven hem. Een miskraam, een kind, dat van moeders lijf naar het graf wordt gebracht, is beter dan hij. Beter is de vrucht die afvalt van de boom voordat zij rijp is, dan die welke men er aan laat hangen totdat zij rot is. In zijn drift en hartstocht denkt Job dat de toestand van een misgeboorte beter was dan de zijne toen voor hem tegenslagen kwamen, Job 3:16. Maar Salomo verklaart hier dat hij beter is dan die van een wereldling in zijn grootste voorspoed, als de wereld hem vriendelijk aanziet.
1. Hij erkent dat de toestand van een misdracht in vele opzichten zeer treurig is, vers 4,5. Met ijdelheid komt zij, want ten opzichte van deze wereld was hij, die geboren werd en terstond daarna stierf, tevergeefs geboren, en in duisternis gaat zij weg, er wordt weinig of geen notitie van haar genomen, een misdracht zijnde, heeft zij geen naam, of, indien zij hem had, zou hij toch spoedig vergeten zijn, in vergetelheid worden begraven, hij wordt met duisternis bedekt, zoals het lichaam met aarde bedekt wordt. Ja meer, vers 5. Zij heeft de zon niet gezien, uit de duisternis van de baarmoeder werd zij terstond voort gehaast naar die van het graf, en, wat nog erger is dan aan niemand bekend te zijn, zij heeft niets gekend, vers 5, en derfde dus hetgeen het grootste genoegen en de eer is van de mens. Zij, die in moedwillige onwetendheid leven en niets goed weten zijn niet beter dan een misgeboorte, die de zon niet gezien heeft of iets heeft geweten.
2. Toch geeft hij er de voorkeur aan boven de toestand van de gierigaard. Deze miskraam heeft meer rust dan de gierigaard, want zij heeft nog enige rust, en hij heeft er geen, zij heeft geen verdriet of beroering, maar hij is in voortdurende onrust en spanning, hij heeft niets dan onrust, onrust, die hij zichzelf veroorzaakt. Hoe korter het leven is, hoe langduriger de rust, en hoe minder de dagen, en hoe minder wij te doen hebben in deze onrustige wereld, hoe minder onrust wij kennen.
De reden, die hij geeft, waarom zij meer rust heeft dan hij, is dat zij allen naar een plaats gaan om daarin te rusten, en zij is spoediger in de rust, vers 6. Hij, die duizend jaren leeft gaat naar dezelfde plaats als het kind, dat geen uur leeft, Hoofdstuk 3:20. Het graf is de plaats, waarin wij allen elkaar ontmoeten. Welk verschil er ook moge zijn in de mensenselijke toestand in deze wereld, zij moeten allen sterven, liggen allen onder hetzelfde vonnis, en naar het uiterlijk aanzien is hun dood gelijk. Voor de een evenals voor de ander is het graf een land van stilte, van duisternis, van scheiding van de levenden, en een slapende plaats. Het is de algemene plaats van bijeenkomst van rijken en armen, achtbaren en geringen, geleerden en ongeletterden. Die kort geleefd hebben en die lang geleefd hebben ontmoeten elkaar in het graf, alleen maar, de een reist er heen per post, en de ander met een langzamer voertuig, beider stof wordt onder elkaar gemengd en is niet meer te onderscheiden.