Prediker 4:4-6
Hier keert Salomo terug tot de waarneming en beschouwing van de ijdelheid en kwelling des geestes, die aan de zaken van deze wereld verbonden zijn, en waarvan hij tevoren gesproken had, Hoofdstuk 2:11.
1. Als iemand schrander en behendig en voorspoedig is in zijn zaken, dan bezorgt hem dit de kwaadwilligheid van zijn naburen, vers 4. Hij geeft zich zeer veel moeite en getroost zich allen arbeid, hij verkrijgt zijn bezitting niet op gemakkelijke wijze, het kost hem zeer veel zwoegen en zweten, ook verkrijgt hij haar niet op oneerlijke wijze, hij doet niemand tekort bedriegt niemand maar door zich met alle naarstigheid op zijn zaken toe te leggen en ze te besturen naar de regelen van billijkheid en goede trouw, en toch brengt het hem de nijd aan van zijn naaste, en nog te meer wijl hij om zijn eerlijkheid een goeden naam heeft verkregen. Dit toont:
a. Hoe weinig nauwgezet van geweten de meeste mensen zijn, daar zij een wrok hebben tegen hun naaste, hem boze woorden toevoegen en hem ondienst doen, alleen maar omdat hij vernuftiger is dan zij, en meer ijverig, en meer van de zegen des hemels ontvangt. Kaïn benijdde Abel, Ezau Jakob en Saul David, en allen om hun rechtvaardige werken. Dit is bepaald duivels.
b. Hoe weinig genot wijze en nuttige mensen moeten verwachten in deze wereld. Al gedragen zij zich nog zo verstandig en voorzichtig, zij kunnen er niet aan ontkomen benijd te worden, en wie zal voor nijdigheid bestaan? Spreuken 27:4. Zij, die uitmunten in deugd, zullen altijd een doorn in het oog zijn van hen, die zich tebuiten gaan in ondeugd, hetgeen ons niet de moed moet benemen voor enigerlei goed of geschikt werk, maar ons moet aansporen om er de lof voor te verwachten, niet van mensen, maar van God, maar niet te rekenen op voldoening of geluk in het schepsel, want indien geschikt werk blijkt ijdelheid en kwelling des geestes te zijn, dan kunnen geen werken onder de zon iets anders blijken te zijn. Maar voor ieder geschikt werk zal de mens goedkeuring van zijn God verkrijgen, en dan behoeft hij het zich niet aan te trekken als hij door zijn naaste wordt benijd, alleen zal het hem de wereld minder doen liefhebben.
2. Als iemand dom is in zijn zaken en er allerlei vergissingen en flaters in maakt, dan doet hij slecht voor zichzelf, vers 5. De zot, die aan zijn werk gaat alsof zijn handen omwonden of samengevouwen waren, die alles even links en onhandig doet, de luiaard want hij is de zot die zijn gemak liefheeft, en zijn handen samenvouwt om ze warm te houden omdat zij weigeren te werken, hij eet zijn eigen vlees, is een kannibaal voor zichzelf, brengt zich tot zo'n ellendige toestand, dat hij niets anders te eten heeft dan zijn eigen vlees, tot zo'n wanhopige toestand, dat hij uit ergernis zijn eigen vlees wil eten. Hij heeft het leven van een hond honger en gemak. Omdat hij ijverige mensen, die voorspoedig zijn in de wereld, benijd ziet, gaat hij tot het andere uiterste over, opdat hij niet benijd zal worden voor zijn geschikt werk, doet hij alles verkeerd, en verdient niet beklaagd te worden. Luiheid is een zonde, die zichzelf straft.
De volgende woorden: een handvol met rust is beter dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes, vers 6, kunnen genomen worden, hetzij:
a. Als het argument van de luiaard om zijn luiheid te verontschuldigen. Hij vouwt zijn handen samen en maakt ter rechtvaardiging van zichzelf van een goede waarheid een verkeerd gebruik en een verkeerde toepassing, alsof, omdat een weinig met rust beter is dan overvloed met twisten, daarom een weinig met luiheid beter is dan overvloed met eerlijke arbeid, zo wijs is hij in zijn eigen ogen, Spreuken 26:16. Maar,
b. Ik houd het veeleer voor Salomo's raad om het midden te houden tussen de arbeid, die iemand doet benijden, en de traagheid, die iemand zijn eigen vlees doet eten. Laat ons door eerlijke vlijt de handvol aangrijpen, opdat het ons niet aan het nodige zal ontbreken, maar niet beide de vuisten vol willen grijpen, dat ons slechts kwelling des geestes zal veroorzaken. Matige arbeid en matig gewin zullen het beste wezen. Een mens kan slechts een handvol van de wereld hebben, en er toch met grote rust en kalmte van genieten, met tevredenheid des harten, vrede van de consciëntie en de liefde en welwillendheid van zijn naasten, terwijl velen, die beide de vuisten vol hebben, meer hebben dan het hart kan begeren, daarbij zeer veel arbeid en kwelling des geestes hebben. Het is te vrezen dat zij, die niet leven kunnen op een weinig, niet zouden leven, zoals zij moeten, en zoals zij behoren te leven, al hadden zij nog zoveel.