Numeri 4:21-33
Wij hebben hier de last van de twee andere geslachten van de Levieten, die, hoewel niet zo eervol als de eerste, toch nodig was en geregeld gedaan moest worden.
1. De Gersonieten waren belast met al de behangselen van de tabernakel, de gordijnen en de bedekselen van dassenvellen, vers 22-26. Die moesten zij afnemen als de wolk zich bewoog, en de ark en de overige heilige dingen weggedragen werden. Zij moesten ze inpakken en medenemen, en ze weer ophangen als de wolk staan bleef. Aäron en zijn zonen wezen hun ieder hun last aan: "Gij moet u belasten met de zorg voor de gordijnen, en gij met dit behangsel, opdat een ieder wete wat zijn werk is, en er geen verwarring zij", vers 27. Ithamar inzonderheid had het toezicht over hen, vers 28.
2. De Merarieten waren belast met het zware vervoer, de stijlen en richelen, de pilaren en voeten, de pinnen en zelen, en die werden hun met name overgegeven, vers 31, 32. Er werd hun een lijst gegeven, waarop alle zaken vermeld stonden, opdat alles er zij, en niets gezocht behoefde te worden, als de tabernakel weer werd opgericht. Ofschoon deze dingen van minder gewicht schenen dan de andere dingen van het heiligdom, werd er toch deze zorg voor gedragen, om ons te leren alle Goddelijke inzettingen met de grootste nauwkeurigheid rein en volledig te houden en te bewaren, opdat niets verloren ga. Het duidt ook de zorg aan, die God heeft voor Zijn kerk en ieder lid er van, "de goede Herder roept Zijn schapen bij name," Johannes 10:3.
Hier werden duizenden van mensen gebruikt voor deze dienst, hoewel een veel minder aantal volstaan zou hebben om deze lasten te dragen. Maar het was nodig dat de tabernakel met de meest mogelijke spoed afgenomen en weer opgericht zou worden, en vele handen zullen dus licht en snel werk maken, inzonderheid als ieder weet wat zijn deel van het werk is. Zij hadden ook te zorgen voor hun eigen tenten, en ze mee te nemen, maar de jonge lieden onder de dertig, en de oude lieden boven de vijftig jaar, konden daarvoor dienst doen. Ook wordt van hun tenten geen melding gemaakt, want Gods huis moet altijd de voorrang hebben boven ons huis. De zorg van hen, die zich gewelfde huizen bouwden, terwijl Gods huis woest was, was verkeerd en ongerijmd Haggai 1:4, 9.
De dood van de heiligen wordt voorgesteld als het afnemen, of breken, van de tabernakel 2 Corinthiërs 5:1, en het afleggen ervan, 2 Petrus 1:14. Evenals de dingen, die heiligheid van de heiligheden waren, wordt de onsterflijke ziel het eerst door ongeziene engelen weggedragen, onder toezicht van de Heere Jezus, of Eleazar, en er wordt ook zorg gedragen voor het lichaam, waarvan de huid en het vlees als de gordijnen zijn, de beenderen en zenuwen als de richelen en pilaren, geen er van zal verloren gaan. Er zijn orders gegeven voor het gebeente, er is een verbond gemaakt met het stof, deze zijn in veilige bewaring, en zullen allen in de grote dag tevoorschijn gebracht worden, wanneer die tabernakel wederom zal worden opgericht, en deze vernederde lichamen zullen gelijkvormig worden gemaakt aan het heerlijk lichaam van Jezus Christus.