15. Twee stammen, Ruben en Gad, en een halve stam, Manasse, hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen de opgang; en zullen bij de verdeling van het land ten westen van de Jordaan niet mee mogen delen, ofschoon zij moeten meehelpen bij de verovering daarvan (
hoofdstuk 32:6-
32).
Van het bovengenoemde land, tussen 31, 34¬ graad noorderbreedte hebben later de kinderen van Israël aan de westelijke grens (Vers 6) niet veroverd: 1. het gebied van de Filistijnen in het zuiden; 2. de smalle streek land ten noordwesten langs de zee gelegen, Fenicië genoemd. Echter werden ook deze landstreken hun bij de verdeling Jozua 13:1-17) toegewezen; daardoor wordt het land in de regel opgegeven: van 31-33« graad noorderbreedte, en van 52-53¬ graad (of het oost Jordaanland meegerekend, tot 54« graad) oosterlengte. De grootste lengte van het noorden naar het zuiden bedraagt 33 mijl, die van het westen naar het oosten, van de grote Zee tot aan de Jordaan, gemiddeld 15 mijl, en ook 15 mijl van de Jordaan tot aan de uiterste grenzen ten oosten. Dit geeft een oppervlakte van 495 vierkante mijl voor het eigenlijke Kanaän, alzo bijna half zo groot als Zwitserland en 3/5 maal zo groot als Nederland. Als Cicero zegt: "de God van de Joden moet een kleine God zijn, omdat hij voor Zijn volk zo'n klein land heeft ingeruimd," dan antwoorden wij daarop met von Raumer: "Hoe kleiner het land is, hoe roemrijker de macht van de Heere uitkomt, die het kleine zaadkorreltje tot een grote boom doet opgroeien; maar de natuurlijke mens heeft geen oog om de Almacht te zien, wanneer zij zich in het onaanzienlijke kleed van de nederigheid vertoont." Wat de naam van het land betekent, wordt verschillend verklaard. Sommigen menen, dat Kanaän Laagland betekent, het land naar de laagte aan de Middellandse Zee, waar de intrekkende Kanaänieten (Genesis 10:15-19) zich het eerst vestigden, totdat zij dan verder naar het binnenland trokken, en zich soms vestigden in de bergachtige streken. Anderen daarentegen leiden de naam met meer recht af van Kanaän, de vierde zoon van Cham (Genesis 10:6). Onder de andere naam "Palestina" werd oorspronkelijk slechts de kustvlakte verstaan, die door de aankomende Filistijnen bewoond werd, welke naam later door de Romeinen aan het gehele land werd gegeven, en nu ook door de Christenen en de latere Joden in die zin werdt gebruikt. Nog andere Bijbelse benamingen zijn; Het land van de Heere (Hosea 9:3); het land van de kinderen van Israël of land van Israël Jozua 11:22; 1 Samuël 13:19); het heilige land (Zacharia2:12); het beloofde land (Hebreeën 11:9)
Over de oorspronkelijke bewoners van het land, en waarvan zij zijn afgestamd heeft men veel gesproken, en zijn vele onderzoekingen gedaan. Reeds bij Genesis 14:18 hebben wij onze mening daarover te kennen gegeven, en tevens bij Genesis 12:7 twee oordelen over de geschiktheid van dit land voor het grote doel, dat de Heere met Israël had, bijeen geplaatst. Wij voegen nu hier de tweede gedachte van een verdere verklaring van Kurtz bij, die tot een juist begrip van de volgende geschiedenis van Israël in het voor hem bestemde land een duidelijke aanwijzing geeft. Er is wel bijna geen land op aarde, zegt deze schrijver in zijn geschiedenis van het Oude Verbond, dat met zo'n gevoeligheid of vatbaarheid voor zegen of vloek begiftigd was, en in zijn kleine ruimte zo vele bronnen van zegen en tevens van vloek aanbiedt. Nergens wisselt vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid zo spoedig en zo eensklaps af; nergens gaat de eerste zo spoedig in de andere over; nergens wordt het bloeiende veld van zegen zo onmiddellijk in een van vloek beladen woestijn veranderd. Het dal van Sittim b.v., die hof van de Heere wordt in één nacht een poel des verderfs, dat door al wat leeft ontvlucht wordt, dat aan alle volgende geslachten van de strengheid van de goddelijke gerichten predikt en daarentegen in het noorden ligt weer een meer, waarvan de oevers alle bekoorlijkheden van de natuur tentoon spreiden, dat te allen tijde de goedertierenheid en liefde van God predikt. En evenals de natuur, de luchtstreek en de bodem van het land naast de rijkste bronnen van zegen ook zo vele straf- en tuchtmiddelen in zich verenigd hadden, in onvruchtbaarheid en misoogst, in gevaarlijke gloeiende winden en in aardbevingen, in zwermen van sprinkhanen en verwoestende ziekten, in pest en melaatsheid enz., zo lokten ook de bijzonder gunstige gesteldheid van het land, en zijn verhouding tot de staatkundige wereld, met talrijke voordelen voor de bewoners, de machtige naburige volken om het land onder hun juk te brengen en zijn bewoners te onderdrukken. En al waren de toegangen tot het land als door de natuur onoverkomelijke hinderpalen om het land te bereiken, toch wisten de roofhorden van vijandelijke volkstammen en de legers van de grote wereldmachten, zodra zij als door God gezonden waren, de goddelijke strafgerichten uit te voeren, en door zeeën en woestijnen, over bergen en door diepe dalen wegen te vinden tot in het binnenste van het land (Ezechiel 5:5 Ezechiel 38:11-12 ) 16. Voorts sprak de HEERE tot Mozes, hem nog nader aanwijzing gevende van de verdeling van het rijk door het lot, zoals in hoofdstuk 33:54, 34:13 geboden was, opdat de kinderen van Israël des te zekerder konden zijn, dat deze wijze van verdeling werkelijk van Godwas (hoofdstuk 26:55), zeggende: