Numeri 32:16-27
Wij hebben hier de schikking van de zaak tussen Mozes en de twee stammen ten opzichte van hun vestiging aan deze zijde van de Jordaan. Die het verzoek gedaan hadden hebben zich waarschijnlijk teruggetrokken om bij zichzelf te overleggen welk antwoord zij zouden geven op Mozes' strenge bestraffing en na enig beraad keren zij terug met dit voorstel, namelijk dat hun krijgslieden met hun broederen zouden optrekken om hen behulpzaam te zijn in de verovering van Kanaän maar dat zij hun gezin, hun vrouwen en kinderen en hun vee in dit land zouden achterlaten, en aldus kon hun verzoek ingewilligd worden, zonder dat er kwade gevolgen uit zouden voortkomen.
Nu is het niet zeker, of zij dit al of niet bedoeld hebben, toen zij met hun verzoek gekomen zijn.
1. Indien zij het bedoeld hebben, dan is dit een voorbeeld hoe hetgeen goed en eerlijk bedoeld is soms verkeerd kan worden opgevat en uitgelegd. Mozes is hierin te verontschuldigen, want hij had reden het ergste van hen te verwachten, en de bestraffing, die hij hun gaf, kwam voort uit zijn grote begeerte om zonde te voorkomen.
2. Maar zo zij het niet bedoeld hebben, dan is het een voorbeeld van de goede uitwerking van oprechtheid, want dan heeft Mozes door hun hun zonde te tonen en het gevaarlijke er van, hen tot hun plicht gebracht zonder murmurering of twisting. Zij werpen niet tegen, dat hun broeders ook wel zonder hun hulp instaat zouden zijn om met de Kanaänieten te strijden, inzonderheid omdat zij er zeker van waren dat God voor hen zou strijden, maar zij verbinden zich om hun bijstand te verlenen.
I. Hun voorstel is billijk en edelmoedig, en van zo'n aard, dat zij, inplaats van hun broederen te ontmoedigen, hen bemoedigden.
1. Dat hun krijgslieden, die geschikt waren voor de dienst, toegerust voor het aangezicht van de kinderen Israëls zouden optrekken naar Kanaän, zover was het er dus vandaan, dat zij hen zouden verlaten, dat zij, indien dit geschikt wordt geacht, hen zouden aanvoeren en de eersten zouden zijn op alle gevaarlijke tochten. Zover was het ook van hen om geen vertrouwen te hebben in de verovering van Kanaän, of het land te minachten, dat zij bereid waren om er met kracht en vastberadenheid behulpzaam bij te zijn.
2. Dat zij hun gezin en hun vee, dat slechts een belemmering zou zijn voor het leger, zouden achterlaten, en aldus aan hun broederen van meer dienst zouden zijn, vers 16.
3. Dat zij niet naar hun bezittingen zouden terugkeren, voordat de verovering van Kanaän voltooid was, vers 18. Zij zullen hun broederen met hun beste krachten ten dienste zijn, zolang zij hun hulp nodig hebben.
4. Dat zij echter generlei deel verwachten van het land, dat nog veroverd moest worden vers 19. "Wij zullen met hen niet erven noch onder voorgeven van hen bij te staan In de strijd een deel van hun land voor ons opeisen, wij zullen tevreden zijn met ons erfdeel aan deze zijde van de Jordaan, en zo zal er dan aan de andere zijde des te meer voor hen zijn."
II. Mozes staat hun nu hun verzoek toe op voorwaarde, dat zij bij hun voorstel zouden blijven. 1. Hij dringt er ten zeerste op aan, dat zij de wapens niet zouden nederleggen, voordat hun broeders die van hun nederlegden. Zij beloofden om zich te haasten toegerust voor het aangezicht van de kinderen Israëls te gaan, vers 17. Neen", zegt Mozes, voor het aangezicht des Heeren zult gij u toerusten ten strijde vers 20, 21. Het is Gods zaak, veel meer dan de zaak van uw broederen, op Hem, en niet alleen op hen, moet gij het oog hebben." Voor het aangezicht des Heeren, dat is: Voor de ark des Heeren, het teken van Zijn tegenwoordigheid, die zij met zich gevoerd hebben bij hun oorlogen in Kanaän, en deze twee stammen waren onmiddellijk vóór de ark geplaatst, gelijk wij zien in de orde van hun optrekken in de woestijn, Hoofdstuk 2:10, 17.
2. Op die voorwaarde geeft hij hun dit land en dan zal er geen zonde aan kleven, noch tegenover de Heere, noch tegenover Israël, en, welke bezittingen wij ook mogen hebben, het is begerenswaardig om er aldus schuldeloos aan gekomen te zijn. Maar:
3. Hij waarschuwt hen voor hun gevaar, zo zij hun woord niet gestand deden, indien gij niet alzo doet, zo hebt gij tegen de Heere gezondigd, vers 23, en niet alleen tegen uw broederen, en, weest er zeker van, uw zonde zal u vinden, dat is: "God zal er voorzeker afrekening voor houden met u, al zoudt gij u de zaak ook licht voorstellen." Vroeg of laat zal de zonde de zondaar gewis vinden. Daarom is het zaak voor ons, dat wij onze zonde vinden ten einde er berouw van te hebben, en er afstand van te doen, opdat onze zonden ons niet vinden tot ons verderf en onze schande.
III. Eenstemmig nemen zij de voorwaarden van de schenking aan, en geven als het ware een borgtocht voor de nakoming er van, door een plechtige belofte, vers 25. Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt. Hun broederen hadden allen meegewerkt aan de verovering van dit land, en daarom erkennen zij zich verplicht en gehouden om hen te helpen in de verovering van hetgeen hun bezitting zal zijn. Vriendelijkheid ontvangen hebbende behoren wij van onze kant ook vriendelijkheid te betonen, al was er ook niet die voorwaarde aan verbonden, toen wij haar ontvingen. Wij kunnen veronderstellen dat die belofte van beide kanten zo begrepen was, dat niet al de getelden van deze stammen toegerust zouden medegaan, maar alleen diegenen, welke het geschiktst waren voor de expeditie, en het best dienst konden bewijzen, daar het toch nodig was, dat sommigen zouden blijven om de grond te bewerken en het land te beschermen, dienovereenkomstig bevinden wij, dat van de twee en een halve stam ongeveer veertigduizend man toegerust mee ten strijde trokken, Jozua 4:13, terwijl hun gehele aantal ongeveer honderd duizend bedroeg.