Numeri 30:3-16
Hier wordt verondersteld dat alle personen, die sui juris zijn, dat is: over zichzelf kunnen beschikken en ook gezond zijn van zinnen en van geheugen, verplicht zijn na te komen al wat zij beloven, dat wettig en mogelijk is, maar als de persoon, die een gelofte doet onder de heerschappij en ter beschikking van iemand anders is, dan verandert de zaak.
Er worden hier twee gevallen, die veel op elkaar gelijken, gesteld en beslist.
I. Het geval van een dochter in het huis van haar vader, en sommigen denken, en met veel waarschijnlijkheid, dat het zich ook uitstrekte tot een zoon, zolang hij thuis was bij zijn vader en onder voogden en leermeesters stond. Of de uitzondering zich zover uitstrekt, zou ik niet kunnen zeggen. Non est distinguendum, ubi lex non distinguit. Wij mogen geen onderscheidingen maken, die de wet niet maakt. De regel is algemeen. Als iemand een gelofte doet, moet hij haar betalen. Maar voor een dochter is de gelofte onzeker, totdat haar vader er kennis van draagt, er (naar verondersteld wordt) van haarzelf de mededeling van heeft ontvangen, want als zij tot zijn kennis komt is het in zijn macht haar òf te bekrachtigen of teniet te doen. Maar ten gunste van de gelofte:
1. Zal zelfs zijn stilzwijgen volstaan om haar te bekrachtigen, vers 4. Indien haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan. Qui facet consentire videtur Stilzwijgen geeft toestemming. Hiermede staat hij aan zijn dochter de vrijheid toe, die zij zich genomen heeft, en zolang hij niets zegt tegen haar gelofte, is zij er door verbonden. Maar:
2. Zijn protest er tegen zal haar volkomen tenietdoen, omdat het mogelijk is, dat zodanige gelofte nadelig is voor de zaken van de familie,'s vaders maatregelen zou verstoren, de voorziening, die gemaakt is voor zijn tafel, in verwarring zou brengen, (als de gelofte betrekking had op spijzen) of de voorziening zou verminderen, die hij voor zijn kinderen gemaakt heeft, indien de gelofte meer onkosten meebrengt, dan hij instaat is te dragen. In elk geval was het een schending van zijn vaderlijk gezag over zijn kind, indien hij dus haar gelofte breekt, dan gaat zij vrij uit, de Heere zal het haar vergeven, dat is: de schuld van haar gelofte geschonden te hebben zal niet op haar rusten. Zij toonde haar goede wil door de gelofte te doen, en zo haar bedoelingen er mee oprecht waren, dan zal zij aangenomen worden, en haar vader te gehoorzamen zal geacht worden beter te zijn dan offerande. Dit toont aan welk een eerbied kinderen aan hun ouders zijn verschuldigd, en hoe zij hen behoren te eren en gehoorzaamheid te betonen. Het is in het belang van het publiek, dat het vaderlijk gezag gesteund moet worden, want als kinderen gestijfd worden in hun ongehoorzaamheid tegen hun ouders, (zoals dit geschiedde door de inzettingen van de ouden, Mattheus 15:5, 6) dan worden zij spoedig in andere dingen kinderen Belials. Indien deze wet zich al niet uitstrekt (zoals sommigen gedacht hebben) tot het huwen van de kinderen zonder de toestemming van hun ouders, waardoor het in de macht van de ouders zou zijn het huwelijk teniet te doen, en er de verplichting van op te heffen, dan bewijst zij toch voorzeker wel het zondige er van, en legt aan de kinderen die aldus dwaas gehandeld hebben, de verplichting op er berouw van te tonen, en zich voor God en hun ouders te verootmoedigen.
II. Het geval betreffende een huisvrouw is hieraan tamelijk gelijk. Wat betreft een weduwe of een gescheiden vrouw, zij heeft vader noch echtgenoot om macht over haar uit te oefenen, zodat alle geloften, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, over haar bestaan, vers 9. Het is op haar gevaar zo zij er zich aan onttrekt, maar een echtgenote, die niets heeft, dat zij strikt genomen, het hare kan noemen, dan met goedvinden van haar man, kan, zonder dat goedvinden, geen gelofte doen.
1. De wet is duidelijk voor een vrouw een echtgenote, die dit nog lang na haar gelofte blijft. Indien haar echtgenoot zijn toestemming geeft tot haar belofte, al is het alleen maar door zijn stilzwijgen, dan zal haar gelofte bestaan, vers 6, 7. Indien hij haar gelofte breekt, dan zal, wijl haar verplichting ten opzichte van hetgeen zij beloofd had, zuiver en alleen uit haar eigen daad voortkwam, en niet uit een daaraan voorafgaand gebod van God haar plicht jegens haar echtgenoot in de plaats er van komen, want aan hem behoort zij onderdanig te zijn, als de Heere, en nu is het zo ver van haar plicht om haar gelofte te betalen, dat het haar zonde zou wezen om haar man ongehoorzaam te zijn, wiens toestemming zij wellicht had moeten vragen voor zij de gelofte deed, en daarom heeft zij vergeving nodig, vers 8.
2. De wet is dezelfde in het geval dat een vrouw spoedig daarna weduwe wordt, of een scheidbrief ontvangt. Indien zij terugkeert naar haars vaders huis, dan komt zij er wel niet zo terug, dat zij wederom onder zijn gezag staat, zodat hij macht zou hebben haar geloften teniet te doen, vers 9, maar indien de gelofte gedaan werd, toen zij nog in het huis van haar man was, en haar man die gelofte brak, dan was zij teniet gedaan, voor altijd van nul en gener waarde gemaakt, en zij keert niet terug onder de wet van haar gelofte, als zij van de wet van haar man is losgemaakt. Dat schijnt de bepaalde betekenis te wezen van vers 10-14 want anders zouden die verzen slechts een herhaling bevatten van vers 6-8. Maar er wordt bijgevoegd in vers 15, dat de man, zo hij de geloften van zijn vrouw tenietdoet haar ongerechtigheid zal dragen, dat is: indien de gelofte die zij gedaan heeft, wezenlijk goed was voor de eer Gods en het heil van haar eigen ziel, en de man deze gelofte breekt uit geldgierigheid of wrevel, of om slechts zijn gezag te tonen dan is zij wel van de verplichting ontheven van haar gelofte, maar hij zal zeer veel te verantwoorden hebben.
Nu is het hier zeer opmerkelijk hoe zorgvuldig de wet Gods te rade gaat met de goede orde in de huisgezinnen, het gezag ophoudt van de meerdere, en plicht en eerbied gebiedt aan de mindere. Het is betamelijk dat ieder man zijn eigen huis regeert, zijn vrouw en kinderen in onderdanigheid houdt met alle stemmigheid, en liever dan dat deze grote regel zal verbroken worden, of aan de mindere leden van het gezin aanmoediging zou worden gegeven om deze banden te verbreken, wilde God zelf afstand doen van Zijn recht, en de verplichting zelfs van een plechtige gelofte opheffen, zozeer versterkt de Godsdienst de banden tussen alle betrekkingen, en verzekert het welzijn van de maatschappelijke samenleving en daarin zijn de geslachten van de aarde gezegend.