Numeri 22:15-21
Wij hebben hier een tweede gezantschap tot Bileam gezonden, om hem te halen teneinde Israël te vervloeken. Het zou goed voor ons zijn indien wij even vurig en standvastig waren in het streven om een goed werk te doen, niettegenstaande teleurstellingen, als Balak was om zijn boos opzet te volvoeren. De vijanden van de kerk zijn rusteloos en onvermoeid in hun pogingen om haar te verderven, maar die in de hemel zit lacht en bespot hen. Let op:
I. De verzoeking, die Balak aan Bileam voorhield, hij wist die aanval krachtiger te maken dan de vorige. Zeer waarschijnlijk heeft hij aan deze boden dubbel geld meegegeven, maar bovendien verzoekt hij hem nog met eerbewijzen, een lokaas niet slechts voor zijn hebzucht, maar voor zijn hoogmoed en zijn eerzucht. Hoe vurig behoren wij God dagelijks te bidden deze twee leden van de oude mens in ons te doden! Zij, die met heilige minachting op wereldlijke rijkdom en bevordering kunnen zien, zullen niet evenals de meeste mensen, het zo heel moeilijk vinden om een goede consciëntie te bewaren. Zie hoe listig Balak het bij hem aanlegt met zijn verzoeking.
1. De boden, die hij zond, waren meer en eerlijker, dat is: aanzienlijker, vers 15. Hij zond tot deze waarzegger met even veel achting en eerbied voor zijn hoedanigheid, alsof hij een regerend vorst was, vrezende wellicht dat Bileam zich geminacht vond vanwege het kleine personeel en de geringe hoedanigheid van het vorige gezantschap.
2. Het verzoek was zeer dringend, deze machtige vorst richt een nederige bede tot hem: "Laat u toch niet beletten tot mij te komen vers 16, neen, niet door God of uw geweten of door enigerlei vrees voor zonde en schande."
3. De aanbiedingen waren zeer hoog. Ik zal u zeer hoog vereren onder de vorsten van Moab, ja meer, hij geeft hem "carte blanche," waarop hij zelf zijn voorwaarden kan schrijven, al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen, dat is: "al wat gij begeert, zal ik u geven, en al wat gij beveelt, zal ik nakomen, uw woord zal mij wet wezen", vers 17. Zo zullen zondaars voor geen moeite terugdeinzen, geen kosten ontzien, en zich tot het laagste neerbuigen, om hetzij hun zucht tot weelde te voldoen of aan hun boosaardigheid de vrije teugel te kunnen vieren. En zullen wij dan aarzelen om ons aan de wetten van de deugd te onderwerpen? Dat zij verre!
II. Bileams schijnbaar weerstaan van, maar in werkelijkheid toegeven aan deze verzoeking. Wij kunnen hier in Bileam een worsteling opmerken tussen zijn overtuiging en zijn bederf.
1. Zijn overtuiging gebood hem om zich te houden aan het gebod van God, en hij sprak de taal van die overtuiging, vers 18. En niemand kon betere woorden spreken: "Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, en dat is meer dan hij kan geven, of ik kan vragen, zo vermocht ik niet het bevel des Heeren mijns Gods te overtreden". Zie met hoeveel eerbied hij spreekt van God, Hij is: Jehovah, mijn God. Velen noemen God de hunne, die de Zijnen niet zijn, niet in waarheid de Zijnen zijn, omdat zij niet alleen de Zijnen zijn, zij zweren bij de Heere en zweren bij Malkam. Zie met hoeveel eerbied hij spreekt van het woord van God, als een, die besloten is, er zich aan te houden, en er in niets van af te wijken, en met hoeveel geringachting van de rijkdom van deze wereld, alsof goud en zilver hem als niets waren in vergelijking met de gunst van God, en toch terzelfder tijd wist Hij, die de harten doorgrondt, dat hij het loon van de ongerechtigheid liefhad. Het is voor slechte mensen gemakkelijk om zeer goede woorden te spreken, en met hun mond een groot vertoon van vroomheid te maken. Men kan de mensen niet beoordelen naar hun woorden, God kent het hart.
2. Terzelfder tijd heeft zijn bederf hem er sterk toe geneigd om tegen het gebod in te gaan. Hij scheen de verzoeking af te wijzen, vers 18. Maar in die afwijzing heeft hij er toch geen afschuw van te kennen gegeven, zoals Christus gedaan heeft, toen Hem de koninkrijken van de wereld werden aangeboden: "Ga weg Satan," en zoals Petrus gedaan heeft, toen Simon de tovenaar hem geld bood: "Uw geld zij met u ten verderve." Maar het blijkt uit vers 19 dat hij een sterke neiging had om het aanbod aan te nemen, want hij wilde nog wachten om te weten wat de Heere verder tot hem spreken zal, hopende dat God van zin of gevoelen veranderd zou zijn en hem zou toelaten te gaan. Hiermee heeft Hij goddeloos een blaam geworpen op God Almachtig, alsof Hij van zin kon veranderen, zodat Hij nu ten laatste zou toelaten hen te vloeken, die Hijzelf gezegend had genoemd, en alsof Hij er toe gebracht zou willen worden om datgene te veroorloven, wat Hij reeds verklaard had slecht te zijn. Gewis, hij meende dat God ten enenmale was zoals hij. Hem was alreeds gezegd wat Gods wil was, waarin hij had moeten berusten, en niet wensen om nog eens gehoor te verkrijgen voor de zaak, die zo duidelijk beslist was. Het is een grote belediging van God, en een stellig blijk van de heerschappij van het bederf in het hart verlof te vragen om te mogen zondigen.
III. Het verlof, dat God hem gaf, om te gaan vers 20. God kwam tot hem, waarschijnlijk door een engel, en zei hem dat hij zo hij wilde, met de boden gaan mocht. Aldus heeft Hij hem overgegeven in het goeddunken zijns harten. "Daar gij zoveel lust hebt om te gaan, zo ge maar weet, dat de eer de uwe niet zal wezen op deze weg, want, hoewel gij verlof hebt om te gaan, zult gij toch niet, gelijk gij hoopt, verlof hebben om te vervloeken, want gij zult datgene doen, wat Ik tot u spreken zal. God houdt de bozen aan een keten, tot hiertoe zullen zij onder Zijn toelating komen, maar niet verder dan Hij het hun toelaat. Zo zal de grimmigheid van de mensen Hem loffelijk maken, maar terzelfdertijd zal Hij het overblijfsel van de grimmigheden opbinden. Het was in toorn, dat God tot Bileam zei: "Ga met hen", en wij hebben reden te denken, dat Bileam zelf het zo begrepen heeft want wij bevinden niet dat Bileam pleit op Zijn verlof toen God hem bestrafte voor zijn gaan. Gelijk God soms de gebeden van Zijn volk in liefde afwijst, zo geeft Hij soms in toorn de begeerten van de goddelozen.
IV. Zijn heengaan op deze reis vers 21. God gaf hem verlof om te gaan indien de mannen hem riepen, maar hij wilde die reis zo gaarne ondernemen, dat wij niet bevinden dat hij wachtte, totdat zij hem riepen maar hijzelf stond des morgens op, maakte alles zo spoedig mogelijk gereed, en trok heen met de vorsten Moabs, die er zeer trots op waren hun doel te hebben bereikt. De apostel beschrijft Bileams zonde als daarin te bestaan, dat hij zich om loon gretig in dwaling gestort heeft. Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad.