Numeri 20:1-13
Na acht en dertig jaren van vervelende tochten, of liever van vervelende rusten, in de woestijn, terug naar de Rode Zee, richtten de heirscharen Israëls nu eindelijk hun aangezicht weer naar Kanaän, en zijn niet ver van de plaats waar zij waren, toen zij door het rechtvaardig vonnis van de Goddelijke gerechtigheid hun omdwalingen moesten beginnen. Tot nu toe waren zij als in een doolhof rondgeleid terwijl er gerechtigheid geoefend werd aan de veroordeelde rebellen, maar nu waren zij weer op de rechte weg gebracht. Zij verbleven te Kades, vers 1, niet Kades- Barnea, dat nabij de grenzen van Kanaän lag, maar een ander Kades op de grenzen van Edom, verder weg van het land van de belofte, maar toch op de weg er heen van de Rode Zee, waarheen zij teruggedreven waren. Hier nu:
I. Sterft Mirjam, de zuster van Mozes en Aaron, en, naar het schijnt, ouder dan deze beide. Zij moest wel ouder zijn geweest indien zij de zuster was, die gesteld was om te zien wat er met Mozes geschieden zou, nadat hij in de kist van biezen aan de oever van de rivier gelegd was, Exodus 2:4. Mirjam stierf aldaar, vers 1. Zij was een profetes geweest, en het werktuig om veel goed te doen aan Israël, Micha 6:4. Toen Mozes en Aaron met hun staf voor hen heengingen, om wonderen voor hen te doen, ging Mirjam met haar trommel hun voor om God te loven voor deze wonderen, Exodus 15:20, en hierin heeft zij hun ware diensten bewezen. Eenmaal echter had ook zij gemurmureerd, en daarom mocht zij niet in Kanaän komen.
II. Hier is een ander Meriba, een plaats van die naam hebben wij tevoren ontmoet in het begin van hun tocht door de woestijn die aldus genoemd werd om "de twist van de kinderen Israëls," Exodus 17:7. En nu hebben wij aan het laatste gedeelte van hun tocht weer een plaats, die dezelfde naam draagt, en om dezelfde reden: dit zijn de wateren van Meriba vers 13. Wat daar gedaan werd, werd hier herhaald.
1. Daar was geen water voor de vergadering, vers 2. Het water uit de rots van Rafidim had hen gevolgd zolang er behoefte aan was, maar het is waarschijnlijk, dat zij gedurende enige tijd in een landstreek vertoefd hadden, waar zij op gewone wijze van water werden voorzien, en waar Gods gewone voorzienigheid in hun behoefte voorzag, daar was het passend dat het wonder zou ophouden. Maar nu bleek het dat er in de plaats, waar zij zich nu bevonden, geen water was, of tenminste nooit genoeg voor de vergadering. Wij leven in een wereld van gebrek, en waar wij ook zijn, overal moeten wij de een of andere ongerieflijkheid verwachten. Het is een grote zegen om overvloed van water te hebben, een zegen, waarvan wij de waardij zouden beseffen en erkennen, als wij hem moesten missen.
2. Hierop gingen zij murmureren, rebelleren, vers 2. Zij vergaderden zich, en namen de wapens op tegen Mozes en Aaron. Zij twistten met hen, vers 3, spraken dezelfde onzinnige taal, die hun vaderen tevoren gesproken hadden.
A. Zij wensten als kwaaddoeners gestorven te zijn door de hand van de Goddelijke gerechtigheid, liever dan voor even veronachtzaamd te schijnen door de Goddelijke barmhartigheid. Och, of wij de geest gegeven hadden toen onze broeders voor het aangezicht des Heeren de geest gaven! Inplaats van God te danken, zoals zij hadden behoren te doen dat Hij hen gespaard heeft. Niet alleen achten zij die goedertierenheid gering, maar zij zijn er boos om, alsof God hun groot onrecht had gedaan door hun hun leven te geven tot een buit en hen als vuurbranden uit het vuur gerukt te hebben. Maar zij behoeven niet te wensen met hun broeders te zijn gestorven, zij slaan de rechte weg in om weldra als hun broeders te sterven. "Wee degenen, die des Heeren dag begeren," Amos 5:18.
B. Zij zijn boos, omdat zij uitgevoerd zijn uit Egypte, en in deze woestijn zijn geleid, vers 4, 5. Zij twistten met Mozes om hetgeen zij wisten des Heeren doen te zijn, zij stellen datgene voor als een hun aangedaan leed, dat de grootste gunst was, die ooit aan een volk werd bewezen. Zij verkiezen slavernij boven vrijheid, het huis van de dienstbaarheid boven het land van de belofte, en hoewel zij nu slechts gebrek hadden aan water, stellen zij, nu zij in de stemming zijn om aanmerkingen te maken, het voor als een ondraaglijke ontbering, dat zij geen vijgen en wijnstokken hebben. Het was een verzwaring van hun misdaad:
a. Dat zij zolang geleden hadden wegens de ontevredenheid en het wantrouwen van hun vaderen. Zij hadden hun hoererijen nu reeds bijna veertig jaren gedragen in de woestijn, Hoofdstuk 14:33 en toch treden zij nu in hun voetstappen, en was het ook van hen waar wat aan Belsazar verweten werd, namelijk dat zij "hun hart niet vernederd hebben, alhoewel zij dit alles wel geweten hebben," Daniël 5:22.
b. Dat zij zo langdurig en zo voortdurend Gods goedheid jegens hen hebben ervaren, zoals zij ook de liefde en trouw van Mozes en Aaron hebben ervaren.
c. Dat Mirjam nu onlangs was gestorven, en dat zij dus, nu zij een van hun leidslieden verloren hebben, meer eerbiedig hadden behoren te wezen voor hen, die hun nog overgelaten waren, maar alsof zij besloten hadden God er toe te brengen om hen als schapen te laten zijn zonder herder, gaan zij zich te buiten jegens hen in beledigingen, inplaats van medegevoel te betonen met Mozes en Aaron wegens de dood van hun zuster, doen zij droefenis toe tot hun smart.
3. Mozes en Aaron antwoordden hen niet maar gingen tot de deur van de tent van de samenkomst, ten einde Gods wil in deze zaak te vernemen, vers 6. Daar vielen zij op hun aangezichten, zoals vroeger bij een dergelijke gelegenheid, om de toorn Gods af te bidden en Hem om raad en leiding te smeken. Hier wordt geen melding gemaakt van iets dat zij zeiden, zij wisten dat God de murmureringen van het volk hoorde, en voor Hem buigen zij zich ootmoedig neer, voorbidding doende met onuitsprekelijke zuchtingen. Daar lagen zij wachtende op orders. "Spreek, Heere, want Uw knechten horen."
4. God verscheen niet op Zijn rechterstoel om de weerspannigen naar verdienste te vonnissen, neen, "Hij zal niet weerkeren om Efraïm te verderven," Hosea 11:9, "zal niet altoos twisten' Psalm 103:9,. Maar Hij verscheen:
A. Op Zijn troon der heerlijkheid om hun onrechtvaardige murmureringen tot zwijgen te brengen, vers 6. De heerlijkheid des Heeren verscheen om het rumoer des volks te stillen door hun ontzag in te boezemen. Een gelovig zien op de heerlijkheid des Heeren zou een krachtige beteugeling zijn van onze lusten en hartstochten, en onze mond met een toom bewaren.
B. Op Zijn troon van de genade, om hun rechtvaardige begeerten te vervullen. Het was nodig dat zij water zouden hebben, en hoewel hun manier van er om te vragen onregelmatig en onordelijk was, heeft God het hun daarom toch niet willen weigeren, maar onmiddellijk orders gegeven om hen er van te voorzien, vers 8. Mozes moet voor de tweede maal in de naam Gods water voor hen gebieden uit de rots, om te tonen dat God nog even machtig is als ooit tevoren om Zijn volk van het goede te voorzien, zelfs in hun grootste nood en bij een volstrekt falen van uitwendige middelen of ondergeschikte oorzaken. De almachtige kracht kan water uit de rots doen voortkomen, God heeft dit gedaan, en Hij kon het wederom doen, want Zijn arm is niet verkort. Opdat het niet de schijn zou hebben dat er in de vorige rots zelf iets bijzonders was, een verborgen bron, door de natuur tevoren er in verborgen, gebiedt God hem hier een andere te openen, en wijst hem niet aan tot welke hij zich moest wenden, maar laat hem gebruik maken van welke hij wil, of van de eerste de beste tot welke hij kwam, want voor de Almacht is het volkomen hetzelfde.
a. God gebiedt hem die staf te nemen, die vermaarde staf, waarmee hij de plagen van Egypte heeft opgeroepen en de zee heeft gekliefd opdat, die in zijn hand hebbende, hij, zowel als het volk, indachtig zou zijn aan de grote dingen, die God tevoren voor hen gedaan heeft, en aangemoedigd om thans op Hem te vertrouwen. Deze staf schijnt in de tabernakel bewaard te zijn, vers 9, want het was de staf Gods, de scepter van Zijn sterkte zoals het Evangelie genoemd wordt, Psalm 110:2, misschien wel in toespeling hierop.
b. God gebiedt hem de vergadering te verzamelen, niet slechts de oudsten, maar het volk, om getuige te zijn van hetgeen er geschieden zal, opdat zij door hun eigen ogen overtuigd zouden worden, en beschaamd zouden zijn om hun ongeloof. Er is geen bedrog in Gods wonderwerken, en daarom schuwen zij het licht niet noch het onderzoek van vele getuigen.
c. Hij gebiedt hem tot de rots te spreken, die doen zal wat haar wordt bevolen, om het volk te beschamen, tot hetwelk zo dikwijls gesproken is, maar dat nooit heeft willen horen en gehoorzamen. Hun harten waren harder dan deze rots, niet zo week, zo handelbaar, zo gehoorzaam.
d. Hij belooft dat de rots haar water zal geven, vers 8, en zij deed het, vers 11. Er kwam veel water uit. Dit is een voorbeeld niet alleen van de macht van God, dat Hij aldus honing uit de rotssteen kon doen zuigen en olie uit de kei van de rots, maar van Zijn genade en goedertierenheid, dat Hij het wilde doen voor zo'n tergend volk. Dit was een nieuw geslacht, (de meesten van het oude geslacht waren reeds in de woestijn gevallen) maar zij waren al even slecht als hun voorgangers, het murmureren zat hun in het bloed, maar toch werd hun het erfdeel van Gods gunst niet ontnomen, integendeel, de Goddelijke lankmoedigheid schittert hier met even heldere glans als de Goddelijke gunst. Hij is God, en geen mens, in te sparen en te vergeven, ja meer, Hij gaf hun hier niet slechts de drank, die zij gemeenschappelijk dronken met hun vee vers 9, 11,. maar Hij gaf er hun ook geestelijk in te drinken, daar het een type was van geestelijke zegeningen, "want die steenrots was Christus."
5. Mozes en Aaron hebben in deze zaak niet betamelijk gehandeld, ja zó onbetamelijk hebben zij gehandeld, dat God hun in Zijn misnoegen terstond zei, dat zij de eer niet zullen hebben om Israël in Kanaän te brengen, vers 10-12. Dit deel van de gewijde geschiedenis is zeer merkwaardig en zeer leerrijk.
A. Het is zeker dat God ten zeerste en rechtvaardig op hen vertoornd was, want Hij is nooit toornig zonder reden. Hoewel zij Zijn dienstknechten waren, die genade hadden verkregen om getrouw te zijn, hoewel zij Zijn gunstgenoten waren, die Hij hogelijk had geëerd, heeft Hij hen toch om iets, dat zij bij deze gelegenheid dachten, of zeiden, of deden onder de schande en vernedering gebracht om te sterven, zoals andere ongelovige Israëlieten gestorven zijn, zonder in Kanaän te komen. En ongetwijfeld heeft de misdaad de straf verdiend. B. Maar toch is het onzeker wat het in hun doen geweest is, dat God zo zeer had mishaagd. De fout was van ingewikkelde aard.
a. Zij hebben hun orders niet stipt opgevolgd, maar zijn in sommige opzichten afgeweken van hun opdracht. God gebood hun te spreken tot de rots, en zij spraken tot het volk en sloegen op de rots, hetgeen hun ditmaal niet bevolen was, maar zij dachten dat spreken tot de rots niet zou helpen. Als wij, in mistrouwen van de macht van het woord, de toevlucht nemen tot de wereldlijke macht voor zuivere gewetenszaken, dan doen wij wat Mozes hier gedaan heeft, wij slaan de rots, tot welke wij alleen hadden moeten spreken.
b. Zij eigenden zichzelf te veel toe van de heerlijkheid van dit wonderwerk: Zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots voorbrengen? Alsof het door enigerlei macht of waardigheid van hen geschiedde. Daarom wordt hun ten laste gelegd, dat zij God niet geheiligd hebben, dat is: dat zij Hem de heerlijkheid niet toebrachten van dit wonder, die Hem toekwam.
c. Ongeloof was de grote zonde, vers 12. Gijlieden hebt Mij niet geloofd, ja meer, het wordt weerspannigheid genoemd tegen Gods gebod, Hoofdstuk 27:14. Het gebod was water uit de rots te doen komen, maar zij rebelleerden tegen het gebod, door het te wantrouwen en er aan te twijfelen, of het zou geschieden. Zij spreken op twijfelachtige wijze: Zullen wij water voorbrengen? En waarschijnlijk hebben zij ook op andere wijze de onzekerheid van hun gemoed aan de dag gelegd, of er al of niet water zou komen voor zo'n weerspannig geslacht. En misschien hebben zij, hoewel God het beloofd had, er te meer aan getwijfeld, omdat de heerlijkheid des Heeren hun niet was verschenen op deze rots, zoals zij hun op die te Rafidim verschenen was, Exodus 17:6. Zij wilden zonder teken Gods woord niet aannemen. Dr. Lightfoots denkbeeld van hun ongeloof is, dat zij zich afvroegen of zij, nu de veertig jaren ten einde waren, eindelijk Kanaän zouden binnentrekken, of dat zij vanwege hun murmureren van het volk veroordeeld zouden worden tot wederom een tijdperk van reizen en zwoegen, daar er nu weer een rots geopend was voor hun watervoorraad, hetgeen zij als een aanduiding beschouwden van hun langduriger verblijf in de woestijn. Indien dit zo was, dan zijn zij zelf rechtvaardig buiten Kanaän gehouden, terwijl het volk erop de bepaalde tijd binnentrok.
d. Zij zeiden en deden alles in drift en hartstocht, aldus wordt van hun zonde gesproken in Psalm 106:33. Zij "verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen." Het was in drift, dat hij hen weerspannigen noemde. Weliswaar, zij waren dit, God had hen zo genoemd, en later heeft Mozes hen in rechtvaardige bestraffing aldus genoemd, zonder daarin te zondigen, maar nu kwam het voort uit een verbitterd gemoed, en werd het onbedacht gezegd. Het was te veel gelijk "Raka" en "Gij dwaas." Zijn tweemaal slaan van de rots (zonder naar het schijnt te wachten op het uitstromen van het water na de eerste slag) toont dat hij in drift was. Hetgeen gezegd of gedaan is in zachtmoedigheid, en te rechtvaardigen is, kan gezegd of gedaan zijnde in toorn, zeer schuldig zijn. Zie Jakobus 1:20.
e. Hetgeen al het overige nog verzwaarde, en te meer tot toorn verwekte, was dat het in het openbaar gedaan werd, voor de ogen van de kinderen Israëls, voor wie zij voorbeelden hadden moeten wezen van geloof, en hoop en zachtmoedigheid. Wij bevinden Mozes schuldig aan zondig mistrouwen, Hoofdstuk 11:22, 23. Dat bleef echter tussen God en hem, en daarom werd het slechts berispt, maar dit was in het openbaar, het onteerde God voor het aangezicht van Israël, alsof hij hun Zijn gunsten misgunde, en het volk ontmoedigde om op God te hopen, en daarom werd het streng gestraft en wel te meer vanwege de waardigheid en uitnemendheid van hen, die zondigen. Uit het geheel kunnen wij leren:
Ten eerste. Dat de besten van de mensen hun gebreken en tekortkomingen hebben, tekortkomen zelfs in die genade, waarin zij gewoonlijk het meest uitblinken. De man Mozes was zeer zachtmoedig, en toch zondigde hij door drift, dat dan hij, die meent te staan, toezien, dat hij niet valle.
Ten tweede. Dat God betreffende de zonde niet oordeelt zoals de mens oordeelt, wij zouden kunnen denken dat er niet veel verkeerds was in hetgeen Mozes toen zei en deed, maar God vond er reden in om het streng te beoordelen. Hij kent het maaksel van de geest van de mensen, Hij kent hun aard en karakter, Hij weet in welke gemoedsgesteldheid zij zijn bij bijzondere gelegenheden, en uit welke gedachten en bedoelingen de woorden en daden voortkomen, en wij zijn er zeker van, dat daarom zijn oordeel naar waarheid is, als het niet overeenkomt met het onze.
Ten derde. Dat God niet slechts de zonden van Zijn volk opmerkt, en er misnoegd om is, maar dat, hoe nader zij tot Hem staan, hoe aanstotelijker Hem hun zonden zijn, Amos 3:2. De psalmist schijnt naar deze zonde van Mozes en Aaron te verwijzen, als hij zegt: Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden. Gelijk velen gespaard worden in dit leven, en gestraft worden in het andere, zo worden ook velen gestraft in dit leven, en gespaard in het andere.
Ten vierde. Dat als ons hart heet wordt in ons binnenste, het ons zeer nodig is om wel acht te geven, dat wij niet zondigen met onze tong.
Ten vijfde. Dat het een blijk is van Mozes' oprechtheid, en van zijn onpartijdigheid bij het schrijven, dat hij dit omtrent zichzelf in de geschiedenis heeft vermeld, en geen sluier heeft geworpen over zijn zwakheid en tekortkoming, waaruit blijkt dat hij in hetgeen hij schreef, zowel als in hetgeen hij deed, Gods eer meer heeft gezocht dan zijn eigen eer.
Eindelijk. De plaats wordt daarom Meriba genoemd, vers 13. Zij wordt Meriba-Kades genoemd, Deuteronomium 32:51, om haar te onderscheiden van het andere Meriba. Het is het "twistwater" om de gedachtenis te bewaren van de zonde van het volk en van Mozes, maar ook van Gods goedertierenheid, waarmee Hij hun van water voorzag, en Mozes, in weerwil van alles, erkende en eerde. Aldus werd Hij in hen geheiligd als de Heilige Israëls, gelijk Hij genoemd wordt, als Zijn barmhartigheid roemt tegen het oordeel, Hosea 11:9. Mozes en Aaron hebben God niet geheiligd, zoals hun betaamd had, in de ogen van Israël, vers 12 maar God was in hen geheiligd, want Hij zal door geen mens van Zijn eer verliezen. Indien Hij niet door ons wordt geheiligd, dan zal Hij aan ons worden geheiligd.