Numeri 20:22-29
Het hoofdstuk begon met de begrafenis van Mirjam, en eindigt met de begrafenis van haar broeder Aaron. Als de dood in een huisgezin komt, dan zal dikwijls meer dan een lid ervan door zijn slagen getroffen worden. Israël had de vorige beproeving, die hun getroffen had in de dood van hun profetes, niet tot hun nut aangewend, en daarom nam God spoedig daarna hun priester weg, om te beproeven of zij diens dood ter harte zouden nemen. Dit gebeurde reeds bij hun eerstvolgende pleisterplaats toen zij naar de berg Hor gingen langs een omweg om het land van de Edomieten heen, en dit links lieten liggen. Waar wij ook heengaan, overal wacht ons de dood en is het graf voor ons gereed.
I. God gebood Aaron te sterven, vers 24. God neemt Mozes en Aaron ter zijde, en zegt hun: Aaron zal tot zijn volken verzameld worden. Aan deze broeders, die elkaar liefhadden, wordt gezegd dat zij moeten scheiden. Aaron, de oudste, moet het eerst sterven, maar Mozes zal hem waarschijnlijk niet lang overleven, zodat het slechts voor een wijle, een kleine wijle, is dat zij gescheiden zullen zijn.
1. Er is enig misnoegen in deze orders. Aaron moet niet in Kanaän komen, omdat hij bij het twistwater tekort was gekomen in zijn plicht. De vermelding hiervan heeft Mozes ongetwijfeld in het hart getroffen, daar hij misschien toen wist, dat hij de schuldigste was van de twee.
2. Er is in die orders ook veel goedertierenheid. Hoewel Aaron sterft om zijn overtreding wordt hij toch niet als een kwaaddoener ter dood gebracht, niet gedood door een plaag, of door vuur van de hemel, maar hij sterft in vrede en in eer. Hij is niet "uitgeroeid uit het midden zijns volks," zoals de uitdrukking gewoonlijk luidt betreffende hen, die sterven door de hand van de Goddelijke gerechtigheid, maar hij is verzameld tot zijn volken, als een, die stierf in de armen van de Goddelijke genade.
3. Er is veel type en betekenis in. Aaron moet niet in Kanaän komen, om te tonen dat het Levietische priesterschap geen ding volmaakt heeft, dat moest geschieden door een betere hoop. Vanwege zonde en dood konden deze priesters niet blijvend zijn maar het priesterschap van Christus, onbevlekt zijnde, is ook onveranderlijk, en aan dit priesterschap, dat eeuwig blijft, moet Aaron al zijn eer afstaan, Hebreeën 7:23-25.
II. Aaron onderwerpt zich en sterft op de bepaalde plaats en wijze, en, voorzoveel blijkt, even goedsmoeds, alsof hij zich slechts ter ruste begaf.
1. Hij trekt zijn heilige kleren aan om er afscheid van te nemen, en begeeft zich met zijn broeder en zijn zoon, en waarschijnlijk ook met sommigen van de oudsten van Israël naar de top van de berg Hor, vers 27. Zij gingen op voor de ogen van de gehele vergadering waarschijnlijk was hun gezegd met welk doel zij daar opklommen. Door die plechtige optocht laat Aaron aan Israël weten, dat hij noch vreest, noch beschaamd is, om te sterven, maar dat hij, als de Bruidegom komt, zijn lamp brandende heeft, en kan uitgaan om Hem te ontmoeten. Zijn opgaan naar de berg om te sterven betekende dat de dood van de heiligen, (en Aaron wordt "de heilige des Heeren genoemd)" hun opgang is, zij gaan veeleer op dan af, naar de dood.
2. Mozes, wiens handen Aaron het eerst met zijn priesterlijke kleren bekleed hadden, trekt ze hem nu uit, want uit eerbied voor het priesterschap was het niet passend, dat hij er in zou sterven. De dood zal ons ontkleden, naakt zijn wij in de wereld gekomen, en naakt moeten wij er uitgaan. Wij zullen weinig reden zien om trots te wezen op onze kleren, onze sieraden of eretekenen, als wij bedenken hoe spoedig de dood ons van al onze heerlijkheid zal beroven, ons de kroon van het hoofd zal nemen.
3. Mozes trekt Eleazar terstond de priesterkleren aan, bekleedt hem met het gewaad van zijn vader, en "sterkt hem met zijn gordel," Jesaja 22:21. Het was:
a. Een grote troost voor Mozes, door wiens hand de wet van het priesterschap was gegeven, te zien dat het in opvolging zou blijven, dat er voor de gezalfde een lamp was toegericht, die de dood zelf niet zou uitblussen. Dit was voor de kerk een gelukkig voorteken en onderpand van de zorg, die God er voor zou hebben, dat, als een geslacht van leraren en Christenen (geestelijke priesters) voorbijgaat, een ander geslacht in zijn plaats zal opkomen.
b. Het was voor Aaron een grote voldoening, om zijn zoon, die hem dierbaar was, aldus bevorderd te zien, en zijn ambt, dat hem nog dierbaarder was, aldus bewaard te zien, en inzonderheid om hierin Christus' eeuwig priesterschap te zien. Nu, zou Aaron kunnen zeggen, "laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien."
c. Het was een grote goedheid voor het volk. De installatie van Eleazar voordat Aaron nog was gestorven, zal hen, die slecht gezind zijn voor Aarons geslacht, weerhouden van elke poging om na zijn dood iemand anders in mededinging te stellen met zijn zoon. Wat konden zij doen nu de zaak alreeds beslist en geregeld was? Het zal ook een bemoediging geweest zijn voor hen, die God vreesden, en hun een teken ten goede geweest zijn, dat Hij hen niet zal verlaten, Zijn goedertierenheid niet van hen zal wegnemen.
4. Aaron stierf aldaar. Spoedig nadat hem zijn priesterkleren uitgetrokken waren, legde hij zich neer en stierf tevreden, want een Godvruchtige zal begeren om, als het de wil des Heeren is, zijn nuttigheid voor anderen niet te overleven. Waarom zouden wij begeren langer in deze wereld te zijn, dan zolang wij er God en ons geslacht van enige dienst zijn?
5. Mozes en Eleazar met degenen die hen vergezelden, begroeven Aaron waar hij gestorven is, zoals blijkt uit Deuteronomium 10:6, en kwamen toen af van de berg. En toen zij nu afgekomen waren en Aaron hadden achtergelaten, hadden zij alle recht om te denken, dat hij veeleer was opgegaan tot een betere wereld, en hen had achtergelaten.
6. De gehele vergadering beweende Aaron dertig dagen, vers 29. Hoewel het verlies vergoed was in Eleazar, die nog in de bloei van zijn jaren zijnde, geschikter was voor de openbare dienst, dan Aaron zou geweest zijn, indien hij was blijven leven, was het toch een eer de overleden hogepriester verschuldigd, om rouw over hem te bedrijven. Terwijl hij leefde hebben zij bij iedere gelegenheid tegen hem gemurmureerd, maar nu hij dood was beweenden zij hem. Zo wordt aan velen geleerd het verlies te bewenen van de zegeningen, waarvoor zij niet wilden leren dankbaar zijn, toen zij ze hadden. Aan de gedachtenis van vele Godvruchtigen is meer eer bewezen, dan aan hun persoon terwijl zij leefden, getuigen zij, die bij hun leven vervolgd werden, maar van wie men na hun dood de graven ging versieren.