Numeri 1:17-43
Wij hebben hier de snelle uitvoering van de orders voor de telling van het volk. Zij ving aan op dezelfde dag, dat de orders gegeven waren: Op de eerste dag van de tweede maand, vergel. vers 18 met vers 1. Als er een werk gedaan moet worden voor God, dan is het goed om er spoed mee te maken, terwijl het besef van plicht nog sterk en dringend is. En voorzover blijkt, was het slechts het werk van één dag, want tussen die dag en de twintigste van die maand, toen het leger optrok, Hoofdstuk 10:11, werden zeer veel dingen gedaan. Joab heeft bijna tien maanden doorgebracht met het volk te tellen in Davids tijd, 2 Samuël 24:8, maar toen waren zij verspreid door het land, en nu woonden zij dicht bij elkaar, toen heeft Satan aangepord om het te doen, nu geschiedde het op Gods bevel. Het werd thans ook spoediger en gemakkelijker gedaan, omdat het kort tevoren ook gedaan was, en zij behoefden slechts de eerste registers na te slaan en te letten op de veranderingen, die sinds hadden plaatsgehad, en waarschijnlijk wel opgeschreven waren naar dat zij zijn voorgekomen.
In de bijzonderheden, hier vermeld, hebben wij op te merken:
1. Dat de getallen voluit in woorden zijn opgegeven (zoals ik wel zeggen kan) en niet in cijfers. Voor ieder van de twaalf stemmen wordt het herhaald, om aan het bericht meer plechtigheid bij te zetten, dat zij geteld waren, naar hun geslachten, naar het huis van hunn vaderen in het getal van de namen, om aan te tonen, dat iedere stam het getal opnam en inleverde naar dezelfde regel en dezelfde methode, hoewel er zoveel handen bij gebruikt werden, eerst hun geslachtslijst opgevende, om te tonen dat hun familie afstamde van Israël, dan de geslachten zelf, naar hun orde, vervolgens elk geslacht verdelende naar de huizen, of onderhorige gezinnen, die er als de takken van waren, en onder deze de namen van bijzondere personen, naar de regelen van de wapenkunde. Aldus kon iedereen weten, wie aan hem verwant waren, en wie zijn naaste bloedverwanten waren, waarvan sommige wetten, die wij reeds ontmoet hebben, afhingen, en behalve dat, hoe nader iemand ons bestaat in de bloede hoe meer wij bereid moeten zijn om hem goed te doen.
2. Dat zij allen eindigen met honderden, behalve Gad, die met vijftig eindigt, vers 25, maar geen van de getallen daalt af tot een eenheid, of tot tien. Sommigen denken, dat Gods voorzienigheid het toen juist zo beschikt heeft, dat al de stammen even getallen hadden, en er geen oneven of gebroken getallen onder hen waren, om te tonen, dat er in hun toeneming iets meer dan gewoons bedoeld was, daar er deze buitengewone bijzonderheid in werd opgemerkt. Het is echter veeleer waarschijnlijk, dat zij daar Mozes enige tijd tevoren oversten van de honderden en oversten van de vijftigen over hen aangesteld heeft, het volk geteld hebben naar hun respectieve oversten, hetgeen dan de getallen tot honderden en vijftigen bracht.
3. Dat Juda de talrijkste van allen is, meer dan het dubbel van Benjamin en van Manasse, en bijna twaalf duizend meer dan enige andere stam, vers 27. Het was Juda, die zijn broeders zouden loven, omdat van hem Messias, de Vorst zal afstammen, omdat dit echter nog iets in de verte was, heeft God intussen die stam op velerlei wijze geëerd, inzonderheid door de grote toeneming er van, om diens wil, die in de volheid des tijds uit Juda zal gesproten zijn, Hebreeën 7:14. Juda moest bij de tocht door de woestijn de voorhoede zijn, en daarom werd hij ook met grotere kracht toegerust dan iedere andere stam.
4. Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef, worden als afzonderlijke stammen geteld, en beide tezamen vormen een getal, bijna zo groot als dat van Juda. Dat was ingevolge van Jakob's aannemen van hen als zijn eigen zonen, waardoor zij met hun ooms, Ruben en Simeon, gelijk werden gesteld, Genesis 48:5. Het was ook de uitwerking van de zegen over Jozef, die een "vruchtbare tak" zal zijn, Genesis 49:22. En Efraïm, de jongste, wordt het eerst genoemd en is talrijker dan Manasse, want Jakob had zijn handen boven hun hoofden gekruist, en tienduizenden voorzien van Efraïm en duizenden van Manasse. De vervulling hiervan bevestigt ons geloof in de geest van de profetie, waarmee de aartsvaders begiftigd waren.
5. Toen zij afkwamen in Egypte, had Dan slechts één zoon, Genesis 46:23, en zo was zijn stam slechts één geslacht, Hoofdstuk 26:42. Benjamin had toen tien zonen, Genesis 46:21, en toch bedraagt nu het getal van Dan bijna het dubbele van Benjamin. De toeneming en vermindering van geslachten gaat niet altijd naar hetgeen wij waarschijnlijk achten. Sommigen worden grotelijks vermenigvuldigd en nemen weer sterk af, terwijl aan anderen, die arm waren, de huisgezinnen gemaakt worden als kudden, Psalm 107:38, 39, 41, zie ook Job 12:23.
6. Van iedere stam wordt gezegd, dat diegenen geteld werden, die instaat waren om uit te gaan voor de strijd, om hen er aan te herinneren, dat hun oorlogen te wachten stonden, hoewel zij nu vrede hadden en geen tegenstand ontmoetten. Die zich aangordt beroeme zich niet als die zich losmaakt.