Numeri 18:20-32
Hier is nog een nader bericht ten behoeve van de voorziening, die er voor de priesters en de Levieten gemaakt was.
I. Zij moeten geen erfdeel hebben in het land, later werden hun slechts steden gegeven om in te wonen, maar geen land tot bezitting. Gij zult geen deel in het midden van hen hebben, vers 20. Dit wordt herhaald in vers 23, en nog eens in vers 24. Onder de kinderen Israëls zullen zij geen erfdeel hebben, noch door aankoop noch door afkomst. God wilde dat zij goed verzorgd zouden zijn, maar Hij wilde niet dat hun geslachten al te rijk zouden worden, opdat zij zich niet verheven zouden achten boven het werk, waarvoor zij loon ontvingen en waaraan zij verplicht waren zich voortdurend te wijden. Gelijk Israël een bijzonder volk was en onder de heidenen niet gerekend moest worden, zo was Levi een bijzondere stam, die niet als de overige stammen gevestigd moest worden, maar er in alle opzichten van onderscheiden moest wezen. Er wordt een goede reden gegeven, waarom zij geen erfdeel meesten hebben in het land, want, zegt God, Ik ben uw deel en uw erfenis. Zij, die God hebben tot hun erfenis en hun deel tot in eeuwigheid, moeten met heilige minachting en onverschilligheid op de erfenissen van deze wereld zien, en er geen deel aan begeren te hebben. "De Heere is mijn deel, daarom zal ik op Hem hopen," en niet steunen op iets dat ik op deze aarde heb, Klaagliederen 3:24. De Levieten zullen geen erfdeel hebben, en toch zullen zij ruim en gerieflijk kunnen leven, om ons te leren, dat God in Zijn voorzienigheid verschillende middelen heeft om diegenen te onderhouden, die er in afhankelijkheid van leven, de vogels oogsten niet, en worden toch gevoed, de lelies spinnen niet, en zijn toch bekleed, de levieten hebben geen erfdeel in Israël, en leven toch beter dan iedere andere stam. De herhaling van de waarschuwing dat geen Israëliet moet naderen tot de tent van de samenkomst is hier gepast, hoewel enigszins plotseling ingevoegd, vers 22. Zij schijnt hier geplaatst in tegenstelling met de order betreffende de priesters en Levieten, dat zij geen erfdeel zullen hebben in Israël, om te tonen hoe God Zijn gunsten met onderscheid uitdeelt. De Levieten hebben de eer de tabernakel te bedienen, welke eer aan de Israëlieten ontzegd is, maar de Israëlieten hebben de eer een erfdeel te hebben in Kanaän, die aan de Levieten ontzegd is. Zo wordt ieder er voor bewaard om de ander te benijden of te verachten, en beide hebben reden om zich te verblijden in hun lot. De Israëlieten moeten niet tot de tabernakel naderen, maar de Levieten moeten geen erfdeel hebben in het land. Als de leraren willen dat de gemeenteleden zich in hun sfeer zullen houden, en zich niet in het heilige ambt zullen mengen, dan moeten zij zich in de hunne houden, en zich niet in wereldlijke zaken laten inwikkelen.
II. Maar zij moeten beide tienden hebben van het land. Behalve de eerstelingen, die de priesters waren toegewezen, en die-zeggen de Joden-een vijftigste deel moesten zijn, of tenminste een zestigste deel, was het tiende hun ook toegeschikt.
1. De Levieten ontvingen de tienden van het inkomen van het volk. vers 21. Ik (wiens het geheel, het alles, is) heb alle tienden in Israël van alle voortbrengselen des lands aan de kinderen van Levi ter erfenis gegeven, om gelijkelijk onder hen verdeeld te worden, voor hun dienst die zij bedienen. De Levieten waren de kleinste stam van de twaalf, en toch hadden zij behalve alle andere voordelen, een tiende deel van de jaarlijkse winst, zonder dat zij de moeite en onkosten hadden van ploegen en zaaien. Zodanige zorg heeft God gedragen voor hen, die aan Zijn dienst gewijd waren, niet slechts opdat zij goed en behoorlijk onderhouden zouden worden, maar ook opdat zij geëerd zouden worden door de nationale erkenning van de goede diensten, die zij aan het publiek bewezen, en erkend mede als Gods agenten en ontvangers, want hetgeen een hefoffer was of een offerande, opgeheven naar de hemel tot de Heere, werd door Hem aan de Levieten toegewezen.
2. Aan de priesters werden de tienden van de tienden van de Levieten toegekend. De order hiervoor moest Mozes aan de Levieten overbrengen, en God wilde dat deze ze blijmoedig zullen betalen veeleer dan dat de priesters ze met gezag zullen eisen. Gij zult ook tot de Levieten spreken en tot hen zeggen, dat het door hen geofferd moet worden, veeleer dan dat het van hen geheven zal worden.
Merk nu op:
a. Dat de Levieten uit hun tienden aan God moesten geven wat Hem toekwam, even goed als de Israëlieten het Hem moesten geven uit hun inkomsten. Zo moeten thans ook leraren liefdegaven geven uit hetgeen zij ontvangen, en hoe milder zij ontvangen hebben, hoe ruimer zij moeten geven, ja voorbeelden zijn van vrijgevigheid, vers 26. Gij zult daarvan een hefoffer de Heere offeren. Zij, die gebruikt worden om anderen behulpzaam te zijn in hun oefeningen van de Godsvrucht, moeten ook zelf de Heere hun hefoffer brengen. Gebed en lofzegging, opgezonden tot God, of liever het hart daarin tot Hem opgeheven, zijn thans onze hefoffers. Dit (zegt God) zal u gerekend worden als koren van de dorsvloer, dat is hoewel het niet de vrucht was van hun grond, noch van hun eigen arbeid, zoals de tienden van de andere Israëlieten dit waren, zal het toch, daar het was wat zij hadden, aangenomen worden, tot heiliging van al het overige.
b. Dit moest gegeven worden aan de priester Aaron, vers 28, en aan zijn opvolgers, de hogepriesters, om door hen verdeeld te worden onder de mindere priesters zoals zij het geschikt zullen oordelen. De priesters, die voortdurend het altaar bedienden, ontvingen het grootste deel van de voordelen van het priesterambt, die voortkwamen uit de offers, daar er echter veel priesters gebruikt werden op het land om te onderwijzen en te besturen, werden de tienden, door de Levieten geofferd, waarschijnlijk door de hogepriester aan hen toegewezen voor hun onderhoud. Het is de waarschijnlijke gissing van de geleerde bisschop Patrick, dat het tiende van dit laatste tiende aan de hogepriester zelf bleef voorbehouden, om hem in zijn hoge staat en waardigheid te onderhouden: want wij lezen van geen bijzondere voorziening, die voor hem gemaakt is.
c. Als de Levieten aldus het tiende van hun inkomen, als een hefoffer, aan de Heere betaald hadden, dan hadden zij zelf het volkomen genot van de andere negen delen, vers 30. Als gij deszelfs beste daarvan offert, ( want nog moet Gods deel het beste wezen), en gij zult dat eten, niet als iets heiligs, maar met dezelfde vrijheid als waarmee de andere Israëlieten hun deel eten, in alle plaatsen gij en uw huis, vers 31. Zie hier dus op wat wijze wij het lieflijk en aangenaam genot kunnen hebben van al onze wereldlijke bezittingen zodat wij daarover geen zonde dragen, vers 32.
Ten eerste. Wij moeten er zeker van wezen dat hetgeen wij hebben eerlijk verkregen is, en in de dienst van God, Het is u een loon voor uw dienst, die spijze wordt het best gegeten die eerst verdiend is, maar "zo iemand niet wil werken, dat hij ook niet ete," 2 Thessalonicenzen 3:10. T En van het loon op getrouwe diensten, gedaan in de tabernakel van de vergadering, schijnt gesproken te worden op een wijze, die aanduidt, dat er een zeer bijzonder en lieflijk genot in is gelegen. Ten tweede. Wij moeten er zeker van wezen, dat God er het deel van heeft dat Hem toekomt. Dan eerst hebben wij het ware genot van ons goed, als wij er de Heere mee geëerd hebben. Gij zult daarover geen zonde dragen, als gij deszelfs beste daarvan offert. Dit geeft te kennen dat wij ons nooit moeten voeden zonder vrees, opdat onze tafel ons geen strik worde, en wij daarover zonde dragen, en dat wij er op bedacht moeten zijn om tot aalmoes te geven hetgeen daarin is, o dat alles ons rein en lieflijk zij.