Numeri 16:23-34
Wij hebben hier de beslissing van de strijd met Dathan en Abiram, die tegen Mozes rebelleerden, zoals wij in de volgende paragraaf de beslissing zullen hebben van de strijd met Korach en zijn aanhangers, die zich als mededingers opwierpen van Aaron. Het schijnt dat Dathan en Abiram een grote tabernakel hadden opgericht in het midden van de tenten van hun gezinnen waar zij hof hielden, ter raadsvergadering bijeenkwamen en hun oproersvlag tegen Mozes hadden uitgestoken, hier wordt zij de woning van Korach, Dathan en Abiram genoemd, vers 24, 27. Daar verbleven Dathan en Abiram, als in de plaats van samenkomst, terwijl Korach en zijn vrienden naar de tabernakel des Heeren gingen, om de uitslag van hun twistgeding met Aaron af te wachten, maar hier wordt ons gezegd, dat hun zaak al tot beslissing was gekomen, voordat die van Korach beëindigd was, want God volgt de methode, die Hem behaagt in Zijn oordelen.
I. De vergadering wordt in het openbaar gewaarschuwd om zich terstond van de tenten van de rebellen terug te trekken.
1. God gebiedt aan Mozes om in aller voege tot de vergadering te spreken, vers 24. Dit was de verhoring van Mozes' gebed, hij had gebeden, dat God niet de gehele vergadering zou verteren. "Welnu", zegt God, "Ik zal het niet doen, mits zij zo verstandig zijn om voor hun eigen veiligheid te zorgen, en het gevaar uit de weg gaan. Willen zij de rebellen verlaten, dan is het wel, en dan zullen zij niet met hen omkomen, maar anders moeten zij afwachten wat er volgen zal." Wij kunnen niet verwachten voordeel te hebben van het gebed van onze vrienden voor ons heil, tenzij wij zelf ons benaarstigen om van de middelen van de verlossing gebruik te maken, want God heeft nooit beloofd hen te verlossen door een wonder, die zichzelf niet willen verlossen, door middelen. Mozes die voor hen gebeden had, moet hun dit nu prediken en hen waarschuwen te vlieden van de toekomende toorn.
2. Vervolgens begeeft Mozes zich naar het hoofdkwartier van de rebellen, terwijl hij Aaron aan de deur van de tent van de samenkomst laat, vers 25. Dathan en Abiram hadden weerspannig geweigerd om tot hem op te komen, vers 12, nu verwaardigt hij zich om nederig af te gaan tot hen, om te zien of hij hen nog tot overtuiging kon brengen, hen nog kon redden. Aldus moeten Evangeliedienaren met zachtmoedigheid onderwijzen degenen die tegenstaan, en het niet beneden zich achten om zich zelfs tot de meest wederspannigen neer te buigen, hun ten goede. Christus zelf "heeft Zijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk." De zeventig oudsten van Israël vergezellen Mozes als zijn lijfwacht om hem te beveiligen tegen de beledigingen van het gemeen, en hem door hun tegenwoordigheid eer aan te doen en, zo mogelijk de rebellen ontzag in te boezemen. Het is onze plicht om alles te doen wat wij kunnen om de beledigde onschuld te beschermen en te ondersteunen.
3. Er geschiedt een openbare afkondiging dat allen, die hun leven liefhadden, zich terstond van de tenten van deze goddeloze mannen moesten verwijderen, vers 26, en hiermede te kennen moesten geven dat zij hun zaak en hun belang verlieten, hun misdaden en raadslagen verfoeiden, en de straf vreesden, die over hen stond te komen. Zij, die niet willen omkomen met de zondaren, moeten van uit het midden van hen uitgaan, en zich afscheiden. Tevergeefs bidden wij: "Raap mijn ziel niet weg met de zondaren," als wij ons niet behouden van dit "verkeerd geslacht." Gods volk wordt geroepen om uit Babylon te gaan, opdat het aan haar zonden geen gemeenschap heeft, en opdat het van haar plagen niet ontvangt, Openbaring 18:4. II. De vergadering geeft gehoor aan de waarschuwing, maar de rebellen blijven hardnekkig, vers 27.
1. In Zijn genade heeft God het hart van het volk geneigd om de rebellen te verlaten. Zij gingen op van de woning van Korach Dathan en Abiram, van rondom, zowel zij, die in hun nabijheid legerden, en die ongetwijfeld hun gezin en hun goederen met zich meegenomen hebben, als degenen, die van alle zijden opgekomen waren uit het leger om de uitslag te zien. Het was de verhoring van Mozes' gebed, dat God het hart van de vergadering neigde om aldus op hun behoud bedacht te zijn. Aan hen, die God behouden wil, geeft Hij bekering, opdat zij ontwaken mogen uit de strik des duivels, waarin zij gevangen waren tot zijn wil. Genade om zich af te scheiden van de boosdoeners, is een van de dingen waarmee de verlossing gepaard gaat.
2. In Zijn gerechtigheid heeft God de rebellen overgelaten aan de hardheid van hun hart. Hoewel zij zich verlaten zagen door al hun naburen, en als een doelwit gesteld voor de pijlen van Gods gerechtigheid, zijn zij, inplaats van op hun aangezichten te vallen en zich voor God en Mozes te verootmoedigen, hun misdaad erkennende en smekende om vergeving, inplaats van te vluchten en zich te verspreiden en een schuilplaats te zoeken onder de menigte, onbeschaamd in de deur van hun tenten gaan staan, alsof zij God zelf wilden trotseren, en Hem tarten om nu maar Zijn ergst te doen. Zo zijn hun harten verhard tot hun eigen verderfenis, en waren zij onbevreesd, toen het met hen en hun zaak het vreeslijkst was. Maar hoe betreurenswaardig dat hun kinderkens, die van geen vrees of schuld wisten, door de vermetelheid van hun ouders in die gevaarlijke stelling kwamen! Zalig zij, aan wie intijds geleerd wordt zich voor God te buigen en Hem niet te weerstaan!
III. Het vonnis wordt door Mozes plechtig over hen uitgesproken in de naam des Heeren, en de beslissing van de twistzaak zal uitgewezen worden in de voltrekking van dat vonnis door de almachtige kracht Gods. Toen de ogen van geheel Israël op hem gevestigd waren, wachtende op hetgeen nu gebeuren zou, heeft Mozes door Goddelijke ingeving, in rechtvaardige en heilige verontwaardiging over de onbeschaamdheid van de rebellen de zaak tot een verrassend einde gebracht, vers 28-30, en hiermede zijn eigen onschuld bewezen.
1. Indien de rebellen een gewone dood sterven, dan zal hij er in berusten om een bedrieger geacht en genoemd te worden, niet slechts als zij een natuurlijke dood sterven, maar ook indien zij sterven door een oordeel waardoor andere boosdoeners gestorven zijn, indien zij sterven aan de pest, of door vuur van de hemel, of door het zwaard, zegt dan: "God heeft Mozes verloochend", maar:
2. "Indien de aarde zich opent en hen verzwelgt" (een straf, waarvan geen voorbeeld was)" dan wete het gehele huis Israëls zeker, dat ik Gods dienstknecht ben, door Hem gezonden, en voor Hem gebruikt, en dat zij, die tegen mij strijden, strijden tegen Hem." Het oordeel zelf zou bewijs genoeg zijn geweest van Gods ongenoegen tegen de rebellen, en zou iedereen hebben doen weten dat zij de Heere getergd hebben, maar toen dit aldus plechtig voorzegd was, toen er niet het minste teken van was te bespeuren van buiten, toen was dit overtuigend bewijs nog zoveel te sterker en was het buiten alle twijfel gesteld, dat hij niet alleen een dienstknecht, maar een gunstgenoot des Heeren was, die zo volkomen bekend was met de Goddelijke raadsbesluiten en zo buitengewone blijken kon verkrijgen van de Goddelijke macht tot zijn verdediging en rechtvaardiging. IV. Het vonnis wordt onmiddellijk voltrokken. Het bleek dat God en Zijn dienstknecht Mozes elkaar volkomen goed begrepen, want niet zodra had Mozes het woord gesproken, of God deed het werk: het aardrijk, dat onder hen was, werd gekloofd, vers 31, de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de have, vers 32, en toen overdekte zij hen, vers 33. Dit oordeel was, :
1. Weergaloos. Hierin heeft God wat nieuws geschapen, deed Hij wat Hij nooit tevoren had gedaan, want Hij heeft veel pijlen in Zijn pijlkoker, en er is verscheidenheid van de werkingen in toorn, zowel als in genade. Dathan en Abiram achtten zich veilig, omdat zij op een afstand waren van de Shechina, vanwaar soms het vuur des Heeren was uitgegaan, "qui procul a Jove" (zeggen zij) "procul a fulmine-die ver is van Jupiter is ver van de bliksemschicht." Maar God heeft hun doen weten, dat Hij niet gebonden is aan een manier van straffen, als het Hem behaagt zal de aarde even goed en krachtig Zijn gerechtigheid dienen als het vuur.
2. Het is voor de zondaren zelf zeer vreeslijk om levend neer te dalen in hun graf, in een ogenblik dood en begraven, neer te delen in de afgrond, toen zij in de kracht van hun volkomenheid, geheel stil en gerust waren.
3. Het was streng jegens hun arme kinderen die tot groter verschrikking van het oordeel en tot duidelijker bewijs van Gods toorn, omkwamen als deel van hun ouders, waarin wij, hoewel wij niet weten hoe ver hun slechtheid had kunnen gaan om het te verdienen, of hoe God in Zijn goedertierenheid hun vergoeding heeft geschonken, toch hiervan volkomen zeker zijn: in het algemeen, dat de oneindige gerechtigheid hun geen onrecht deed. Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht.
4. Het was geheel en al een wonder. Het klieven van de aarde was een wonder, en evenzeer boven de kracht van de natuur als het klieven van de zee, en het weer toesluiten van de aarde was nog meer wonderbaar dan de terugkeer van de wateren. God heeft alle schepsel onder Zijn bevel, en kan, als het Hem behaagt, van alle werktuigen maken van Zijn gerechtigheid, ook zal geen van hen vriendelijk voor ons zijn, zo Hij onze vijand is. God bevestigde nu aan Israël, wat Mozes hun onlangs in zijn gebed had geleerd Psalm 90:11. "Wie kent de sterkte Uws toorns?". "Hij heeft, als het Hem behaagt, wat vreemds voor de werkers van de ongerechtigheid," Job 31:3. Laat ons dan tot deze gevolgtrekking komen: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht des Heeren, van deze heilige God?
5. Het was vol van betekenis. Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun keel was een open graf, rechtvaardiglijk opent dus de aarde haar mond om hen te verslinden. Zij maakten een scheur in de vergadering, rechtvaardig wordt dus de aarde onder hen gescheurd. Vermetele zondaars, die het haten om zich te bekeren, zijn een last voor de aarde, de gehele schepping zucht onder hen, hetgeen nu hiermede werd aangeduid, dat de aarde wegzonk onder deze rebellen, als vermoeid om hen langer te dragen, en zich onder hen te bevinden. En als wij bedenken hoe de aarde nu nog evenzo belast is met het gewicht van de ongerechtigheid, dan hebben wij reden om ons er over te verwonderen, dat dit de enige maal was, dat zij wegzonk onder haar last.
Eindelijk. Het was een voorbeeld van het eeuwig verderf van de zondaren, die onboetvaardig zijn gestorven, en die-wellicht in toespeling hierop- gezegd worden "in de groeve te zinken" Psalm 9:16, en dat zij "levend ter helle nederdalen," Psalm 55:16. Maar in het geloof bidt David, zelfs als hij in grondeloze modder is gezonken, "laat de diepte mij niet verslinden, en laat de put zijn mond over mij niet toesluiten," zoals over de verdoemden, tussen wie en het leven een grote kloof gevestigd is, Psalm 69:3-16. Zijn toestand was treurig, maar niet, zoals die van hen wanhopig.
V. Gans Israël is verschrikt door dit oordeel, vers 34. Zij vloden voor hun geschrei. Zij riepen om hulp, toen het te laat was, hun droevige kreten hebben, inplaats van hun naburen hun ter hulpe te doen komen, hen zoveel te verder van hen weggedreven, want hun eigen en elkanders schuld kennende, haastten zij elkaar voort, zeggende: dat ons de aarde misschien niet verslinde. Het verderf van anderen moet ons ter waarschuwing zijn. Indien wij door het geloof de kreten konden horen van hen, die naar de bodemloze afgrond gaan, dan zouden wij ons meer benaarstigen om te ontkomen, om onzes levens wil, opdat ook wij niet in hetzelfde oordeel vallen.