Numeri 15:30-36
Hier is:
I. Het algemene oordeel, uitgesproken over hen, die zondigen met opgeheven hand.
1. Diegenen worden geacht te zondigen met opgeheven hand, die openlijk Gods gezag weerstaan, en hun eigen lusten in mededinging er van stellen, die zondigen om de wille van de zonde, in tegenspraak met het voorschrift van de wet, en in uittarting van de straf, die er op gesteld is, die tegen God strijden en Hem tarten om Zijn ergste aan hen te doen, zie Job 15:25. Het is niet slechts te zondigen tegen licht en kennis, maar voorbedachtelijk te zondigen tegen Gods wil en heerlijkheid.
2. Zonden, aldus bedreven, zijn uitermate zondig. Hij, die aldus het gebod Gods overtreedt:
a. Smaadt de Heere, vers 30, hij zegt van Hem het ergste wat hij kan, en dat wel zeer onrechtvaardig. De taal van zodanige zonde is: "De eeuwige waarheid behoeft niet geloofd te worden, de Heere van allen behoeft niet gehoorzaamd te worden, het is niet nodig, ja niet betamelijk, de almachtige kracht te vrezen, of er op te vertrouwen." Aan de oneindige Wijsheid schrijft zij dwaasheid toe en ongerechtigheid aan de rechtvaardige Rechter van hemel en aarde, zodanig is de boosheid van moedwillige zonde.
b. Zij veracht het woord des Heeren, vers 31. Er zijn mensen, die in velerlei opzicht tekortkomen in de vervulling van het woord, en er toch een grote waardering van hebben, en de wet eerbaar achten, maar zij, die zondigen met opgeheven hand, achten zichzelf te groot, te goed en te wijs om er zich door te laten regeren. Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? Waarin de zonde zelf ook moge bestaan, het is weerspannigheid, die zich aan de vloek blootstelt. Het is weerspannigheid, toegevoegd aan de zonde, die als toverij is, en wederstreven als afgoderij.
3. Het oordeel, uitgesproken over de zodanigen, is vreselijk. Er blijft geen slachtoffer over voor deze zonden, de wet heeft er geen voor aangewezen, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk, vers 30 die ziel zal zeker uitgeroeid worden, vers 3 opdat God eeuwiglijk zal worden gerechtvaardigd, en de zondaar eeuwiglijk te schande zal worden zal zijn ongerechtigheid op hem zijn, en meer is er niet nodig om hem in de diepste hel te doen verzinken. De Joodse schrijvers verstaan het in dier voege, dat de ongerechtigheid zijn ziel zal blijven aankleven, nadat zij uitgeroeid is, en dat de mens op de grote dag van het oordeel rekenschap zal hebben af te leggen. De zonde was wellicht van zo'n aard, dat de zondaar er niet door blootstond aan straf van de burgerlijke overheid, maar indien zij bedreven werd met opgeheven hand, dan zal God het straffen er van in Zijn eigen handen nemen, en het is vreeslijk daarin te vallen. In het Nieuwe Testament vinden wij eenzelfde oordeel van uitsluiting van al het voordeel van de grote offerande, uitgesproken over het lasteren van de Heilige Geest, en een algehele afval van het Christendom, zie Mattheus 12:32 Hebreeën 10:26,, en dat naar deze wet verwijst.
II. Een bijzonder voorbeeld hiervan in de zonde van sabbatsschennis.
1. De zonde bestond in hout lezen op de sabbatdag, vers 32, welk hout waarschijnlijk bestemd was om er een vuur van te ontsteken, terwijl hun geboden was op de dag tevoren te bakken en te koken wat zij te bakken of te koken hadden, Exodus 16:23. Dit scheen slechts een lichte overtreding, maar het was een schending van de wet op de sabbat, en zo lag er minachting in opgesloten van de Schepper, aan wiens eer de sabbat gewijd was, en een verbreken van de gehele wet tot welker bescherming de sabbat ingesteld was. En uit de context blijkt, dat het gedaan werd met opgeheven hand, als een belediging beide van de wet en de wetgever.
2. De overtreder werd in bewaring gesteld vers 33, 34. Zij, die hem vonden hout lezende, brachten hem in hun ijver voor de eer van de sabbat, tot Mozes en tot Aaron en tot de gehele vergadering, hetgeen te kennen geeft dat de vergadering, daar het een sabbatdag was, tot Mozes en Aaron vergaderd waren, om onderricht van hen te ontvangen, en zich met hen in de aanbidding Gods te verenigen. Het schijnt dat zelfs gewone Israëlieten, hoeveel verkeerds er ook onder hen was, het toch niet konden aanzien, dat de sabbat ontheiligd werd hetgeen een goed teken was dat zij God niet geheel hadden verlaten, noch geheel door Hem verlaten waren.
3. God werd geraadpleegd, want het was niet verklaard wat hem gedaan zou worden. De wet had de ontheiliging van de sabbat reeds tot een misdaad verklaard, waarop de doodstraf stond, Exodus 31:14, maar zij waren in twijfel, hetzij omtrent de misdaad, of hetgeen hij gedaan had al of niet als een ontheiliging van de sabbat beschouwd moest worden, of betreffende de straf, welke dood hij moest sterven. God was de Rechter, en tot Hem brachten zij de zaak.
4. Het vonnis werd geveld, de gevangene werd geoordeeld een sabbatschender te zijn in overeenstemming met deze wet, en als zodanig moet hij ter dood gebracht worden, en om te tonen hoe groot de misdaad was, en hoezeer zij de Heere mishaagde, en opdat anderen het zouden horen en vrezen, en niet evenzo met opgeheven hand zouden zondigen, wordt hij tot die dood verwezen, die als de schrikkelijkste werd beschouwd. hij moet met stenen gestenigd worden. vers 35. God ijvert voor de eer van Zijn sabbatten, en zal wat de mensen ook mogen doen, hen niet onschuldig houden, die ze ontheiligen.
5. Het vonnis wordt voltrokken, vers 36. De vergadering stenigde hem met stenen, dat hij stierf. Zovelen als konden werden gebruikt voor de volvoering van de straf, opdat tenminste diegenen zouden vrezen de sabbat te schenden, die op deze sabbatschender een steen hadden geworpen. Dit geeft te kennen dat de openlijke ontheiliging van de sabbat een zonde is, die door de burgerlijke overheid behoort tegengegaan en gestraft te worden, daar zij, voorzover het publieke daden betreft, de hoedster is van beide tafels van de wet, zie Nehemia 13:17. Men zou denken dat er niet veel kwaads steekt in een weinig hout te sprokkelen, op welke dag het ook zij, maar God bedoelde de voorbeeldige straf van hem, die dit gedaan heeft, als een blijvende waarschuwing voor ons allen, opdat wij nauwgezet de sabbat onderhouden.