Numeri 15:1-21
Wij hebben hier:
I. Volledige instructies gegeven betreffende de spijsoffers en drankoffers, die aanhangsels waren van al de offers van dieren. Het begin van deze wet is zeer bemoedigend: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen, dat Ik u geven zal, dan zult gij zo en zo doen, vers 2. Hierdoor werd duidelijk te kennen gegeven, niet alleen dat God met hen verzoend was, niettegenstaande het vonnis, dat Hij over hen had uitgesproken, maar dat Hij het beloofde land zal verzekeren aan hun zaad, in weerwil van hun neiging om tegen Hem te rebelleren. Zij zouden op de een of andere tijd kunnen denken schuldig te zijn aan een wandaad, die hun noodlottig zou zijn en hen voor altijd zou buitensluiten, zoals hun laatste wangedrag de uitsluiting van een geslacht tengevolge heeft gehad, maar dit duidt een verzekering voor hen aan, dat zij weerhouden zullen worden van God in zo hoge mate te tergen en tot toorn te verwekken, dat zij de vervulling van de belofte geheel en al zouden verbeuren, want deze wet neemt aan dat sommigen van hen in Kanaän zullen komen. Er waren twee soorten van spijsoffers. Sommigen werden op zichzelf geofferd, en de wet nopens deze hebben wij in Leviticus 2:1 en verv. Anderen werden gevoegd bij de brandoffers, en gingen er altijd mee gepaard, en voor deze worden hier aanwijzingen gegeven. Daar nu de offers van de dankzegging, die in vers 3 gespecificeerd worden, tot spijs bestemd waren op Gods tafel, was het nodig dat er voortdurend brood, olie en wijn zou zijn, waarin het vleesoffer ook mocht bestaan. De bestelmeesters van Salomo's tempel bezorgden meelbloem, I Kon. 4:22, K en het was passend, dat Gods tafel wèl voorzien zou zijn van brood, zowel als van vlees, en dat Zijn beker overvloeiende zou zijn. In het huis mijns Vaders is overvloed van brood. De strekking nu van deze wet is om aan te wijzen welke verhouding er moest wezen tussen de spijs- en drankoffers en de verschillende offers, waaraan zij toegevoegd waren. Bestond het offer uit een lam, of een geit, dan moest het spijsoffer bestaan uit een tiende deel meelbloem, dat is: een omer, die vijf pinten bevatte. Dit moet gemengd worden met het vierde deel van een hin olie, en het drankoffer moest bestaan uit eenzelfde hoeveelheid wijn, vers 3-5. Indien het een ram was, dan werd het spijsoffer verdubbeld, twee tiende delen meelbloem, gemengd met een derde deel van een hin olie (voor hen was olie zoals boter voor ons), en dezelfde hoeveelheid wijn tot een drankoffer vers 6, 7. Indien het offer een jong rund was dan werd het spijsoffer verdrievoudigd, drie omers meelbloem met vijf pieten olie en eenzelfde hoeveelheid wijn ten drankoffer vers 8-10. En aldus voor elk offer, hetzij het geofferd werd door een bijzonder persoon, of wel op kosten van het algemeen. Wat wij doen in de Godsdienst moet, evenals naar andere regelen, ook naar de regel van de evenredigheid gedaan worden.
II. Inboorlingen en vreemdelingen worden hier gelijkgesteld, zoals zij ook in andere zaken gelijkgesteld werden, vers 13-16. "Enerlei wet en enerlei recht zal ulieden zijn en de vreemdeling, dat is: de vreemdeling, die de Joodse Godsdienst heeft aangenomen". Nu was dit:
1. Een uitnodiging, gericht tot de heidenen, om proselieten te worden, en tot het geloof en de aanbidding van de ware God te komen. In burgerlijke zaken was er verschil tussen geboren Israëlieten en vreemdelingen, maar niet in de dingen Gods, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor des Heeren aangezicht zijn, want Hij is geen aannemer des persoons. Zie Jesaja 56:3. 2. Dit maakte het de Joden tot een plicht, om vriendelijk te zijn voor vreemdelingen, en hen niet te verdrukken, daar zij zagen dat God hen erkende en aannam. Gemeenschap in de Godsdienst verbindt tot wederzijdse genegenheid en moet alle vijandschap doden.
3. Het was een vernedering voor de hoogmoed van de Joden, die licht opgeblazen werden door de voorrechten van hun geboorte: "Wij zijn Abrahams zaad". God heeft hun doen weten, dat de kinderen van de vreemdeling Hem even welkom waren als de kinderen Jakob's, niemands geboorte of afkomst zal hetzij tot zijn voordeel hetzij tot zijn nadeel strekken in zijn aanneming door God. Dit gaf tevens te kennen dat, gelijk als gelovige vreemdelingen als Israëlieten geacht zullen worden, zo zullen ongelovige Israëlieten als heidenen worden geacht.
4. Het was een gelukkig voorteken van de roeping van de heidenen en van hun toelating in de kerk. Indien reeds de wet zo weinig onderscheid maakte tussen Jood en heiden, veel minder onderscheid nog zal het Evangelie tussen hen maken, dat de middelmuur van het afscheidsel heeft verbroken, en beide door een offerande met God verzoend heeft zonder het waarnemen van de plechtigheden van de wet.
III. Een wet voor het offeren van de eerstelingen van het deeg aan de Heere. Evenals de vorige berust zij op de troostrijke onderstelling, dat zij in het beloofde land zullen gekomen zijn, vers 18. Nu zij van het manna leefden, behoefden zij zo'n uitdrukkelijke erkenning niet van Gods recht op hun dagelijks brood, en van hun afhankelijkheid van Hem er voor, want nu sprak dit vanzelf, maar in Kanaän, waar zij de vrucht zullen eten van hun eigen arbeid, eiste God dat zij Hem als hun landheer zullen erkennen, en als hun grote weldoener. Zij moeten Hem niet alleen de eerstelingen en de tienden offeren van hun koren op het veld (die had de Heere zich reeds voorbehouden) maar als zij het in hun huizen hadden, in hun baktroggen, als het bijna gereed was om op hun tafel te komen, dan moet God er ook een schatting van hebben, een deel van hun deeg, (een veertigste deel er van tenminste of wel de gehele klomp, zeggen de Joden) moet opgeheven, of de Heere geofferd worden, vers 20, 21. en de priester moet het ontvangen ten gebruike van zijn gezin. Aldus moeten zij hun afhankelijkheid van God erkennen voor hun dagelijks brood, zelfs als zij het reeds in hun huis hadden, want dan moeten zij er het aangename gebruik van God van verwachten, immers wij lezen van hetgeen in huis gebracht werd, maar waar weinig van gekomen is, omdat God er in geblazen heeft, Haggai 1:9. Christus heeft ons geleerd te bidden, niet: "Geef ons dit jaar onze jaarlijkse oogst," maar: "Geef ons heden ons dagelijks brood." Door deze wet zei God tot het volk, wat lang daarna de profeet tot de weduwe van Sarepta gezegd heeft: "Maak Mij vooreerst een kleine koek daarvan," 1 Koningen 17:13 K. Deze offerande werd uitdrukkelijk in stand gehouden door de wetten van de tempel in Ezechiëls visioen, en het is een gebod met een belofte van zegen op het huis, Ezechiël 44:30. "Ook zult gij de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de zegen op uw huis te doen rusten, " want als God ontvangen heeft wat Hem toekomt van onze bezittingen dan kunnen wij van hetgeen ons ten deel valt het aangename en lieflijke verwachten.