3. Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, 1) meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren.
1) Hij hoorde het ook wel, wat Mirjam en Aäron tegen hem inbrachten, maar hij bewaarde daarbij een diep stilzwijgen en liet alles rustig zijn gang gaan, de zaak zo geheel overgevende aan Hem, die rechtvaardig oordeelt, dat hij zich zelfs niet, wegens deze tegenstrevers, in het gebed tot God wendde, maar Hem de zaak ter beschikking overliet, zoals het Hem behagen zou..
Het Hebreeuwse woord Anaw, betekent allereerst lijdend (Psalm 10:12,17) en wordt vooral van ootmoedige, vrome dulders gebezigd (Psalm 25:9), waardoor de betekenis tot die van geduldig, ootmoedig, zachtmoedig overgaat. Wel schijnt de lof, die Mozes, als we het woord in laatstgenoemde zin opvatten, hier zichzelf toekent, bevreemdend, maar "alleen op de bodem van het Farizeïsme en van het Pelagianisme, waar hetgeen de mens voortbrengt, als zijn eigen verdienste voorkomt, is de eigen lof een zaak van zondige ijdelheid; bij het levendig bewustzijn echter van de genade van God, die de mens tot grote dingen in staat stelt, is een zodanige uiting veel meer een getuigenis van oprechte ootmoed en van objectieve waarheid..
"Zoals Mozes hier zonder hovaardij zichzelf prijst, zo zal hij elders zichzelf in ootmoed laken." (Calmet, een van de voortreffelijkste godgeleerden van de katholieke kerk in Frankrijk 1757). Met Van der Palm mogen wij intussen denken: "dat hier voornamelijk gedoeld wordt op Mozes' zachtmoedigheid, in dit geval aan de dag gelegd.".
Luther hield zich aan de eerste betekenis van hetw oord Anaw en vertaalde: Mozes was een zeer geplaagd man; hetgeen in de samenhang zeer wel voegt. Wellicht zijn deze woorden van Jozua. "Neem niet ter harte wat u de groep van haters toe wil dichten; Laat hen maar spotten, want uw God, Die het hoort, is trouw in het rechtspreken. Is God uw vriend maar en de vriend van uw zaken, wat zou uw vijand dan, wat zou een mens u maken!" (ontleend aan een Duits lied)
Omdat Mozes zo'n zachtmoedig man was, deed God juist door hem Zijn oordelen over Egypte uitvoeren. Geen driftige, oplopende mensen mogen Gods oordelen volbrengen, want deze brengen er van het hunne in, en het moet zuiver de zaak van de Heere zijn. Daarom zal ook eenmaal juist het Lam toornen. De zachtmoedigste van de zachtmoedigen zal eenmaal het oordeel houden over heel de wereld. Doch daarmee zal dan ook het oordeel des te vreselijker zijn..
Geen zwakheid als die van Eli (1 Samuël 3:13) wil de Heere, maar zachtmoedigheid, die over de zonde toornen kan. "Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken?" Zo spraken zij en smaalden tevens op de afkomst van haar, die hij zich tot vrouw genomen had, en door wie verzacht waren de smarten van die ballingschap welke de liefde tot zijn mishandeld volk hem had berokkend. Jehova hoorde het en trok het zich aan. Maar Mozes deed, alsof hij het niet hoorde en verdroeg het. Jehova sprak, maar Mozes zweeg. Jehova's toorn ontstak; Zijn strafgericht bleef niet uit; maar Mozes bad voor de met melaatsheid gestrafte: Och Heere! heel ze toch!" En waarom verdroeg, waarom zweeg de man Mozes, bij ene verkleining zo onverdiend, zo boosaardig, zo verraderlijk, en van deze lippen zo dubbel bitter voor zijn hart? Waarom liet hij het aan Jehova over, om zijn ere in het licht te stellen, en zijn smaad te wreken, en gebruikte hij zijn lippen niet, dan om Jehova's toorn te stillen, om Jehova's toorn te verbidden? Omdat hij te flauwhartig was, om de hoon te voelen, te lafhartig om hen te vergelden? Neen, maar omdat hij zeer zachtmoedig was, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren, omdat zijn zachtmoedigheid proef hield ook in deze verzoeking. Dezelfde liefde, die hem voor een arm mishandeld volk alles had doen vragen en nog verdragen deed; die hem had doen verkiezen liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben, die hem de toorn van Faraö had doen verachten, en waardoor hij, ware Hij anders niet te verbidden geweest, om zijn volk te behouden, zich aan de toorn van Jehova zou hebben opgeofferd (Exodus 32:31,32), dezelfde liefde sprak ook nu in zijn hart. Zij had vruchten gedragen, zij droeg gedurig vruchten van de edelste zelfverloochening, de trouwste volharding, de verhevenste heldenmoed; zij droeg ook de vruchten van de zachtmoedigheid. Waar het recht van anderen gekrenkt, waar de onschuld verdrukt, waar de naam van Jehova aangetast werd, waar het erop aankwam Jehova's wet te handhaven en Zijn eer te wreken, daar bruiste dat hart in edele verontwaardiging op, daar greep die hand naar het zwaard, daar was de man Mozes kloekmoedig, ijverig, onverbiddelijk, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren; maar persoonlijke beledigingen wreekte hij niet. Hij gevoelde, maar vergaf ze; vergaf ze aan een onkundige menigte, en ook aan een broeder, die beter wist; vergaf ze aan goddelozen en aan vromen, aan afgodendienaars en aan profetessen; en hierin stelde hij zijn eer, en het is hem tot ere gerekend.
De man Mozes, die zeer zachtmoedig was, meer dan alle mensen die op aarde waren, was ook gelukkiger dan die allen; niet alleen omdat Jehovah van mond tot mond met hem sprak, en door zijn aanzien, niet door duistere woorden, niet alleen omdat hij de gelijkenis des Heeren aanschouwde, maar omdat door de liefde, het beeld van God in zijn binnenste weer opkwam en zich herstelde. De mens is gelukkig door zich met zijn God te vergelijken en naar de mate waarin hij op hem lijkt. Het geluk van de liefde is de aanvankelijke hemel voor hen, die op aarde zijn. En die hemel staat open voor ieder, die geen hemelse invloeden afwijst en geen hemelse geboden versmaadt.
Ongetwijfeld behelst dit vers een tegenstelling met het laatste gedeelte van het vorige. Het is volstrekt geen ijdele zelfverheffing, nog minder een te kennen geven van onverschilligheid, omtrent deze zaak. De knecht van God wil ermee uitdrukken, dat hij het oordeel geeft aan de Heere, die alles gehoord heeft, waar hij zelf, nu zijn eigen eer gekrenkt wordt, deze niet tegenover zijn zuster en zijn broeder wil handhaven. Calvijn zegt: "Hierop heeft de lofspraak op zijn zachtmoedigheid betrekking, alsof Mozes wilde zeggen, dat hij die belediging stilzwijgend wilde verdragen, omdat hij uit kracht van zijn zachtmoedigheid zich de plicht van te verdragen had opgelegd." Zo iemand, dan heeft wel Mozes geleerd, het eigen ik geheel en al af te sterven en de eer van God alleen te bedoelen..