Numeri 10:11-28
I. Wij hebben hier een algemeen bericht van het vertrek van het leger Israëls van de berg Sinaï, bij welke berg zij nu omstreeks een jaar vertoefd hadden, gedurende welke tijd zeer veel gedenkwaardige zaken aan die plaats verricht zijn. Van dit vertrek schijnt God hun enigen tijd tevoren kennis gegeven te hebben, Deuteronomium 1:6, 7. "Gij zijt lang genoeg bij deze berg gebleven, keert u en" "vertrekt, en reist ineen naar het land van de belofte." De apostel zegt ons dat "de berg Sinai is tot dienstbaarheid barende," Galaten 4:24, ziende op de wet, die aldaar gegeven is, welke wel nuttig is als een tuchtmeester om ons tot Christus te brengen, maar wij moeten er niet in rusten, maar voorwaarts gaan naar de blijdschap en vrijheid van de kinderen Gods, want onze zaligheid is niet door de wet maar door de belofte. Wij hebben hier te letten op:
1. Het gegeven sein, vers 11, de wolk werd verheven, en wij kunnen veronderstellen dat zij enigen tijd bleef staan, totdat zij gereed waren om te vertrekken, en zeer veel werk was er dan om al die tenten af te breken, en al die goederen, welke zij er hadden, in te pakken, daar echter ieder gezin voor zijn eigen zaken zorgde, en allen het terzelfder tijd deden, hebben vele handen er licht werk van gemaakt.
2. De opmars begonnen zijnde togen zij vooreerst op naar de mond des Heeren, en zoals de wolk hen leidde, vers 13. Sommigen denken, dat in dit en het vorige hoofdstuk er zo dikwijls melding van is gemaakt dat zij optrokken naar de mond des Heeren, dat is: naar Zijn bevel, waardoor zij bij al hun reizen geleid werden, om de laster en de smaad af te wenden van Israël, die hun later aangewreven werden, alsof zij zolang in de woestijn verbleven, omdat zij er in verdwaald waren en er niet uit wisten te komen. Neen, zo stond de zaak niet, bij iedere pleisterplaats, waar zij stil hielden, voor iedere voetstap, die zij deden waren zij onder Goddelijke leiding, en zo zij al niet wisten waar zij waren, Hij, die hen leidde, wist het wèl. Zij, die zich aan de leiding van Gods woord en Geest hebben overgegeven houden een rechte koers, zelfs dan, wanneer zij in verlegenheid schijnen te zijn. Zolang zij er zeker van zijn, dat zij hun God en Gids niet kunnen verliezen, behoeven zij niet te vrezen hun weg te zullen verliezen, dat is: te verdwalen.
3. De plaats, waar zij na een driedaagse mars hebben gerust. Zij togen op uit de woestijn Sinai en rustten in de woestijn van Paran. Al ons reizen in deze wereld is slechts van de ene woestijn naar de andere. De veranderingen, die wij denken dat verbeteringen zullen zijn, blijken dit niet altijd te wezen, zolang wij overal waar wij gaan de gewone zwakheden van de menselijke natuur met ons omdragen, moeten wij verwachten waar wij ook gaan, er de gewone rampen van te zullen ontmoeten, nooit moeten wij rusten, nooit ons tehuis gevoelen, voor wij in de hemel komen, en dan zal daar alles wel met ons wezen.
II. Een bijzondere schets van de orde van hun tocht, naar het onlangs voorgeschreven model.
1. Juda's afdeling ging vooraan, vers 14-16. De leidende banier, die nu door die stam gevoerd werd, was een onderpand van de scepter, die in Davids tijd er aan gegeven zal worden, en zag nog verder, namelijk op de oversten leidsman van onze zaligheid, van wie voorzegd was, dat "Hem de volkeren gehoorzaam" "zullen zijn," Genesis 49:10.
2. Dan komen de twee geslachten van Levieten, die belast waren met het dragen van de tabernakel. Zodra de wolk opgeheven werd werd de tabernakel afgenomen, en ingepakt om vervoerd te worden, vers 17. En hier kwamen de zes wagens, beladen met de zware en grote delen van de tabernakel. Die veelvuldige verplaatsing van de tabernakel op al hun reizen betekende het beweeglijke van die ceremoniëele bedeling. Hetgeen zo dikwijls veranderde, zal ten slotte verdwijnen Hebreeën 8:13.
3. Vervolgens kwam Rubens afdeling die haar plaats innam na Juda, naar de mond des Heeren, vers 18-20.
4. Dan volgden de Kohathieten met hun last, de heilige dingen van de tabernakel, in het midden van het leger, de veiligste en de meest eervolle plaats, vers 21. En de anderen, dat is de Gersonieten en Merarieten, richtten de tabernakel op tegen dat zij kwamen, en misschien is dit hier in zo algemene bewoording uitgedrukt, omdat niet alleen de Levieten maar ook de andere Israëlieten van de eerste afdeling hielpen, als het nodig was, om de oprichting van de tabernakel te bespoedigen, nog eer zij hun eigen tenten oprichtten.
5. Efraïms afdeling volgde onmiddellijk na de ark, vers 22-24, waarop, naar sommigen denken, de psalmist zinspeelt, als hij bidt, Psalm 80:3 :"Wek Uwe macht op" "voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse," de drie stammen die deze afdeling vormden, (en de ark wordt Zijn sterkte genoemd, Psalm 78:6 En kom tot onze verlossing
6. Dans afdeling kwam het laatst, vers 25-27, vormende de achterhoede, samensluitende al de legers, opnemende allen, die achtergebleven waren, niet de vrouwen en kinderen, wij kunnen veronderstellen dat voor deze door de hoofden van de gezinnen in de verschillende stammen gezorgd werd, maar al de onreinen, het vermengde volk, en allen die zwak waren, en achterbleven op hun tocht. Hij, die Jozef als schapen leidde, heeft een teder medelijden met de zwakken, die met de anderen geen gelijke tred kunnen houden, en "van allen, die Hem gegeven zijn, zal er geen verloren gaan," Johannes 17:12. Zie Ezechiël 34:16.