Nehemia 8:9-13
Wij kunnen hier opmerken:
I. Hoe de woorden van de wet, die voor hen gelezen waren, het volk hebben doorwond. De wet werkt de dood en spreekt verschrikking, toont de mensen hun zonde, hun ellende en hun gevaar vanwege de zonde, en dondert een vloek tegen een iegelijk, die niet blijft in ieder deel van zijn plicht. Daarom hebben zij allen geweend toen zij haar hoorden, vers 10. Het was een goed teken, dat hun hart week was zoals dat van Josia, toen hij de woorden van de wet hoorde. Zij weenden bij de gedachte dat zij tegen God hadden overtreden en zich door hun menigvuldige overtredingen van de wet aan Gods toorn hadden blootgesteld. Toen sommigen weenden, weenden allen, want allen zagen zij zich schuldig voor God.
II. Hoe zij vertroost werden door de woorden van vrede, die tot hen werden gesproken. Het was goed dat zij zo getroffen en ontroerd werden door het woord van God, er de indruk van ontvingen, maar zij moeten niet bovenmate treuren, inzonderheid niet op deze dag, omdat die dag de Heere heilig was, het was één van de plechtige feestdagen, op welke het hun plicht was vrolijk te zijn. En zelfs smart over de zonde moet onze blijdschap in God niet in de weg staan, maar haar veeleer bevorderen, er ons voor bereiden.
1. De leiders van de vergadering poogden het volk te stillen en te bemoedigen.
a. Nu, en niet eerder in dit hoofdstuk, treedt Nehemia op, hij gaf acht op het wenen van het volk. Aan Ezra deed het genoegen het volk zo onder de indruk te zien van het woord, maar Nehemia zei hem dat dit wenen nu ontijdig was, deze dag was heilig, hij wordt een rust, een sabbat, genoemd, Leviticus 23:24, en meest daarom met vreugde, lof en dankzegging gevierd worden, niet als een dag, waarop zij hun zielen moesten verootmoedigen, en Ezra stemde hiermede in. Zij verboden het volk rouw te bedrijven en te wenen, vers 10. Bedroeft u niet, vers 11. Zwijgt, bedroeft u niet, vers 12. Alles is schoon op zijn tijd, gelijk wij niet vrolijk moeten wezen als God ons roept om rouw te bedrijven, zo moeten wij ons niet beangstigen en bedroeven als God ons oorzaak geeft om ons te verblijden. Zelfs smart over de zonde moet niet overdreven worden, niet zo bovenmate groot zijn dat zij ons verhindert ons in God te verblijden, moet ons niet in de weg staan om God te dienen met blijdschap.
b. Zij bevalen hun van hun blijdschap te getuigen, het gewaad van de lof aan te doen, inplaats van een benauwde geest. Zij stonden hun toe om ten teken van hun vreugde zich op een feestmaaltijd te onthalen, beter dan op andere dagen te eten en te drinken, het vette te eten en het zoete te drinken, maar dan moet dit gepaard gaan:
a. met liefdadigheid jegens de armen, "zendt delen aam hen, voor wie niets bereid is, opdat uw overvloed hun gebrek vervulle, opdat zij zich met u verblijden en hun lenden u zegenen." Christus zegt aan hen, die een maaltijd aanrichten, dat zij er hun arme naburen op moeten nodigen, Lukas 14:13. Maar het is op een Godsdienstig feest inzonderheid plicht om, zowel als op een Godsdienstig vasten "de" "ziel te openen voor de hongerige," Jesaja 58:7, 10. Gods milddadigheid moet ons milddadig maken. Velen eten zelf het vette en drinken het zoete ja tot overdaad toe, die nooit delen, nauwelijks kruimkens, toestaan aan de armen, en deze kunnen in de gelijkenis van de rijke man, Lukas 16:19, hun eigen vonnis lezen. Maar dezulken weten niet, of bedenken niet, waartoe God hun rijkdom geschonken heeft.
Merk op: wij moeten niet slechts geven aan hen, die tot ons komen, maar gaven zenden aan hen, die buiten ons gezicht zijn. Een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en zoekt voorwerpen van liefdadigheid.
b. Het moet gepaard gaan met Godsvrucht, de blijdschap des Heeren, die is uw sterkte. Laat het geen vleselijke, zinnelijke vreugde wezen maar heilige, geestelijke blijdschap, de blijdschap des Heeren, blijdschap in de goedheid van God, onder de leiding en het bestuur van de genade Gods, blijdschap voortkomende uit ons deel in de liefde en gunst van God en de tekenen van Zijn gunst. Deze blijdschap zal uw sterkte zijn, moedig haar dus aan. Zij zal uw sterkte zijn:
Ten eerste. Voor het volbrengen van de andere plichten van het feest, hoe meer wij ons verblijden in onze Godsdienstige handelingen hoe overvloediger wij er in zijn zullen.
Ten tweede. Voor al hetgeen gij te doen hebt in overeenstemming met de wet van God, die voor u gelezen werd. Heilige blijdschap zal olie wezen voor de raderen van uw gehoorzaamheid.
Ten derde. Voor het weerstaan van uw vijanden, die tegen u samenspannen. De blijdschap des Heeren zal ons wapenen tegen de aanvallen van onze geestelijke vijanden, en ons de smaak doen verliezen voor die genoegens, waarmee de verzoeker ons verlokt.
2. De vergadering volgde de haar gegeven leiding. Hun wenen werd gestild, vers 12, en zij maakten grote blijdschap, vers 13. Wij moeten altijd meester blijven van onze gemoedsbewegingen, zodat zij, als zij gereed zijn uit te barsten, dadelijk weer in toom gehouden kunnen worden zodra wij tot de overtuiging komen, dat het of ontijdig of onredelijk is. Hij, die aldus zijn geest kan weerhouden, is beter dan die een stad inneemt.
Merk op:
a. Nadat zij geweend hadden, verblijdden zij zich, een heilig treuren bereidt de weg voor heilige vreugde, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien, zij, die beven onder de overtuiging van het woord, kunnen zich verblijden in de vertroosting ervan.
b. De grond van hun blijdschap was zeer goed, zij maakten blijdschap, niet omdat zij het vette hadden te eten en het zoete hadden te drinken en veel goed gezelschap hadden, maar omdat zij de woorden hadden verstaan, die men hun had bekendgemaakt. Het is een zeer grote zegen om de Heilige Schriften te bezitten en hulpmiddelen om ze te verstaan, en wij hebben wel reden om ons daarin te verblijden. Bijbels en dienaren van het Evangelie zijn de blijdschap van Gods Israël. Hoe beter wij het woord van God verstaan, hoe meer vertroosting wij er in zullen vinden, want de duisternis van droefheid en benauwdheid komt voort uit de duisternis van onwetendheid en dwaling. Toen de woorden hun het eerst verklaard werden, weenden zij, maar toen zij ze verstonden, hebben zij zich verblijd, daar zij eindelijk kostelijke, dierbare beloften vonden, gedaan aan hen, die berouw hebben en zich bekeren, zodat er dus hoop was voor Israël.