31. Ook bestelde ik mannen tot het offer, voor het aanbrengen des houts, op bestemde tijden (
Hoofdstuk 10:34), en tot de eerstelingen 1) (
Hoofdstuk 10:35), alzo mannen, die voor de behoorlijke aflevering der gaven en eerstelingen hadden te zorgen. Gedenk mijner, mijn God! ten goede 2) (vgl.
Vers 14,
22;
Hoofdstuk 5:19).
1) Het is duidelijk, dat hier eerstelingen staat voor alle heilige dingen, voor de eerstelingen, de tienden en voor al wat tot het heiligdom voor den Heere God en voor de Priesters en Levieten moest worden gebracht, volgens de wet van Mozes.
2) Het hoofddoel van al onze daden moet zijn, dat de Heere ons ten goede gedenke en ons tot de Zijnen rekene.
Van Nehemia spreken de Joden als van een der grootste mannen van zijn volk. Zijn ijver voor zijn vaderland, blijkbaar uit zulke ondubbelzinnige bewijzen, geeft hem aanspraak op het kenmerk van den grootsten patriot (vaderlander), die ooit heeft bestaan. Door de beschikking der Goddelijke Voorzienigheid kwam hij te Babylon; maar aldaar gaf hij zulke blijken van voortreffelijkheid, dat hij door den koning van Perzië gekozen werd, om een van de voornaamste ambten te bekleden, en het meest van alle hovelingen in het vertrouwen des konings deelde. Daar leefde hij geëerd en in overvloed, het ontbrak hem aan niets, en daar kon hij blijven wonen, dezelfden overvloed en hetzelfde vertrouwen genietende; maar wat baatte hem dat, zolang hij wist, dat zijn volk in nood was, dat de graven zijner vaderen met voeten werden getreden, dat de altaren van zijnen God waren verwoest, en dat de godsdienst geheel nagelaten of bedorven was. Hij zocht den vrede van Jeruzalem, hij bad God om dien vrede, en was bereid, om rijkdom, gemak, veiligheid, ja zelfs zijn leven daarvoor op te offeren, als hij maar het werktuig zijn mocht, om de ellende van zijn volk af te wenden. En God, die de begeerte zijns harten zag, en de voortreffelijkheid kende, waarmee Hij hem begaafd had, stond zijne bede toe, en schonk hem de hoge eer om de verwoeste stad zijner vaderen en de zuivere aanbidding van hunnen God te herstellen. In dit opzicht is hij door velen beschouwd als ene uitdrukkelijke type (= afschaduwing) van Jezus Christus; vele overeenkomsten heeft men aangewezen in hun leven en hun handelingen. Nehemia zal altijd aangetekend staan onder de grote mannen van zijne natie om zijne belangeloosheid, zijne menslievendheid en elke deugd, die ene grote ziel kenschetst, ene ziel die in innige gemeenschap met God leeft; hij is een voorbeeld, waardig om nagevolgd te worden door de beste patriotten van elke natie, die onder den hemel is.. Omtrent Nehemia's einde is niets naders bekend; echter weet men, dat hij niet lang na het jaar 408 v. Chr. heeft geleefd. Met dit jaar beginnen na de 49 jaren van kommer en tegenspoed, in welke de muren en straten van Jeruzalem weer gebouwd werden, het lange tijdvak zonder openbaring, de 62 jaarweken, waarvan Daniël in Daniël 9:25 spreekt, en dat reikt tot op Christus, den Vorst, van 408 vóór tot 26 na Christus. Uit dit tijdvak zijn de zogenaamde Apocrieve boeken, ene benaming, die in hare tegenwoordige betekenis eerst door Hieronymus is ingevoerd. terwijl men daardoor oorspronkelijk verstond geheimschriften, zo als de ketters of dwaalleraars die hadden en geheim hielden, of onechte, ondergeschovene boeken, waarvan men de schrijvers niet kende, en waarvan de inhoud niet met de Bijbelse waarheid overeenstemde. Uit die apocrieve boeken nu, (zo als ze als een aanhangsel achter onzen Statenbijbel geplaatst zijn) (G.), zien wij, wat de Joodse godsdienstigheid na het ophouden van den profetischen geest en na het afsluiten van den Kanon uit de Heilige Schriften op menselijke wijze geleerd heeft: zij zijn, als de beekjes, die hier uit het woord van God zijn uitgestroomd, niet geheel te verachten, integendeel zo menige spreuk daarvan is overgegaan in het praktische leven der kerk, in hare liederen en predikatiën. Aan de andere zijde echter kleven ook aan deze boeken vele dwalingen en schadelijke dingen, om welke reden de Dordtse Synode van het jaar 1618-19 bepaalde, dat zij, om ze te onderscheiden van de Kanonieke boeken, van enen bijzonderen titel en ene voorrede zonden voorzien, als ook met kleinere letters gedrukt en met randaanmerkingen zouden uitgegeven worden, waarin zou worden opgegeven, in welke opzichten zij van de Heilige Schriften afweken. Luther heeft nog de meeste achting voor het eerste boek der Makkabeeën en voor het boek der Wijsheid en dat van Jezus Sirach, maar heeft daarentegen zich sterk verklaard tegen het boek Baruch en het tweede boek der Makkabeeën. Wat betreft de geschiedenis van Israël gedurende het bovengenoemde tijdvak, dat zonder bijzondere openbaring was, verwijzen wij naar de verklaring der laatste twee Hoofdstukken bij Daniël (Hoofdstuk 11, 12); zij maakt het noodzakelijk, dat het eerste boek der Makkabeeën hier wordt nagelezen, dat wij als ene brug zullen beschouwen, om uit den tijd van het Oude Testament in dien van het Nieuwe Testament over te leiden..
Door alle deze daden heeft Nehemia zich niet alleen verdienstelijk gemaakt, maar heeft Israël in de gunst Gods en onder zijn bestel veel aan hem te danken. Hij was een der groten onder Israël, die zijn leven er aan gewijd heeft, om het goede voor zijn volk te zoeken, die zijn eigen leven aan vele doodsgevaren heeft blootgesteld, opdat Israël zou bloeien en groeien en den Heere God dienen naar Zijne inzettingen en Zijne wetten. Hij heeft zich zelven niet geacht, maar zijn ijver gold de ere van Gods Naam en de heilige bestemming van zijn volk.
INHOUD VAN HET BOEK NEHEMIA.
I. De komst van Nehemia te Jeruzalem; de bevestiging der heilige stad; en het vinden van het geslachtsregister van Zerubbabel's tochtgenoten.
1) Nehem. 1. Nehemia aangezocht ene naar Jeruzalem te komen, en zijn gebed.
2) Nehem. 2:1-11. Nehemia's vertrek naar Jeruzalem. 3) Nehem. 2:12-20. Zijn onderzoek naar den toestand der muren.
4) Nehem. 3. Herstelling der vervallen muren van Jeruzalem.
5) Nehem. 4. De tegenstand van Sanballat en zijne bondgenoten gefnuikt.
6) Nehem. 5. Nehemia's ijver tegen den woeker.
7) Nehem. 6. Nehemia's leven bedreigd, maar bewaard.
8) Nehem. 7. geslachtsregister van Zerubbabel's tochtgenoten.
II. Ezra's voorlezing der wet, en de verzegeling van het verbond door het volk.
1) Nehem. 8:1-14. Ezra leest de Wet voor aan het verzamelde volk.
2) Nehem. 8:15-19. Viering van het Loofhuttenfeest.
3) Nehem. 9:1-4. Israël doet belijdenis voor God.
4) Nehem. 9:5-38. Israël's boet- en bedezang.
5) Nehem. 10:1-28. Namen dergenen, die het Verbond verzegelden.
6) Nehem. 10:29-39. Inhoud van het Verbond.
III. Lijsten van Priesters en Levieten; de stadsmuren ingewijd, en ingeslopen misbruiken tegengestaan.
1) Nehem. 11. Lijsten van Priesters en Levieten, die in Jeruzalem en Juda woonden.
2) Nehem. 12:1-9. Namen der Priesters en Levieten in de dagen van Zerubbabel.
3) Nehem. 12:10-26. Lijst van Priesters in later dagen.
4) Nehem. 12:27-47. Inwijding der stadsmuren.
5) Nehem. 13:1-6. Tobia in Jeruzalem wonende.
6) Nehem. 13:7-9. Tobia's huisraad verwijderd uit den Tempel.
7) Nehem. 13:10-14. wederinvoering van de tienden.
8) Nehem. 13:15-22. Heiliging van den Sabbat. 9) Nehem. 13:23-29. Heiliging van het volk en de Priesters.
10) Nehem. 13:30, 31. Regeling van den eredienst.
SLOTWOORD
op het Boek Nehemia.
Niet alleen dat dit Boek zijn naam aan Nehemia, den zoon van Hachalja, ontleent, maar deze heeft het ook, onder de leiding des Geestes, geschreven en samengesteld. Niet alleen een groot gedeelte, maar het gehele Boek is door hem opgesteld.
Het behelst zijne geschiedenis in betrekking tot het volk, hetwelk, teruggekeerd uit Babel, nog zoveel ontbrak, wat het noodwendig moest bezitten, om een afgezonderd volk te zijn.
De mening van sommigen, dat Hoofdstuk 8-10 van de hand van Ezra is, is niet te verdedigen, maar geheel te verwerpen, dewijl o.a. in Hoofdstuk 10:31 in den eersten persoon wordt gesproken, het welk wèl door Nehemia, maar niet door Ezra kon worden geschreven, dewijl wèl de eerste, maar niet de laatste de oorkonde heeft getekend, ja, Ezra deze niet ondertekenen kon, dewijl hij stond als tussen God en het volk.
Nehemia, 13 jaren na Ezra in Jeruzalem komende, beschrijft den toestand, zoals hij dien daar vond, maar ook wat hij, door Gods genade, ten goede voor zijn volk mocht doen.
Onder zijne leiding worden de muren der heilige stad hersteld, door zijne bemoeiingen worden vele misbruiken, die ingeslopen waren, opgeheven, en het mag hem gelukken het volk der beloften niet alleen te beschermen tegen de uitwendige vijanden, maar ook den vijand, die binnen de heilige erve zich gevestigd had, te verdrijven, en aldus ervaren, dat de Heere zich wendde tot het gebed des ellendigen.
En als hij, bij zijn tweede komst in Jeruzalem, ontdekt, dat, gedurende zijne afwezigheid, de oude geest van verzet tegen de ordinantiën Gods zich weer openbaarde, tast hij met voorzichtigheid, maar ook met kracht door, om de ordinantiën Gods te handhaven, en het volk te doen leven naar de instellingen des Heren, zodat hij aan het slot van zijne geschiedenis kon schrijven, dat hij het volk gereinigd had van alle vreemden, van alle vermenging met het heidendom.
In Ezra en Nehemia vinden we terug den geest van Mozes en David, om het volk te leiden in de rechten en inzettingen Gods, en om den dienst van het Heiligdom in alles bevorderlijk te doen zijn tot de ere en heiliging van Godes hoogverheven Naam.
Hiermede sluit dan ook de geschiedenis van het Oude Testament.
Israël is weer uit Babel teruggekeerd. Israël is weer op eigen erve gesteld.
Israël is weer bevrijd van zijne banden en een afgezonderd volk geworden, en wacht aldus op de komst van Hem, die, afgescheiden van de zondaren, hoger dan de hemelen is geworden.