Mattheus 5:43-48
Ten slotte hebben wij hier ene verklaring van de grote wet der Tweede Tafel: Gij zult uwen naaste liefhebben, die de vervulling was der wet.
I. Zie hier hoe deze wet verwrongen en verdorven was door de uitlegging der Joodse leraars, vers 43. God zei: Gij zult uwen naaste liefhebben, en onder naaste verstonden zij alleen die van hun eigen land, volk en Godsdienst was, alleen diegenen, die aangenaam waren om ze als vrienden te beschouwen, maar dit was nog niet het ergst. Van dit gebod: Gij zult uwen naaste liefhebben wilden zij nu afleiden wat God nooit er mede bedoeld heeft: Uwen vijand zult gij haten, en zij beschouwden als vijanden wie zij wilden, aldus door hun inzetting het gebod Gods krachteloos makende, hoewel er bepaalde wetten waren in tegenovergestelden zin, Exodus 23:4, 5, Deuteronomium 23:7, Den Edomiet en den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, hoewel deze natiën den Israëlieten even vijandig gezind waren als wie ook. Het is waar: God stelde hen aan om de zeven volken van Kanaän uit te roeien, en verbood hun een verbond met hen aan te gaan, maar er was ene bijzondere reden hiervoor-plaats te maken voor Israël, en opdat die natiën geen strik voor hen zouden worden, maar het was heel boosaardig hieruit af te leiden, dat zij al hun vijanden moesten haten, maar de zedelijke filosofie van de Heidenen liet dit toe. Het is Cicero's regel: Nemini nocere nisi prius lacessitum injuriâ -niemand te benadelen tenzij men het eerst benadeeld werd. De Officium. Zie hoe gaarne de verdorvene hartstochten steun zoeken in het woord van God, en door het gebod oorzaak nemen om zich te rechtvaardigen.
II. Zie hoe het opgehelderd is door het gebod van den Heere Jezus, die ons ene andere les leert: "Maar Ik zeg u, Ik, die kome, om de grote Vredemaker te zijn, de algemene Verzoener, die u liefhad, toen gij vreemdelingen en vijanden waart, Ik zeg u, hebt uwe vijanden lief," vers 44. Al zijn de mensen nog zo slecht, en al behandelen zij ons ook nog zo laag, dit ontheft ons toch niet van onze grote schuld jegens hen, de schuld der liefde tot ons geslacht. Het kan niet anders of wij moeten in ons hart den wens vinden om te schaden, of ten minste slechts ene zeer koele begeerte om goed te doen aan hen, die ons haten, en beledigend voor ons waren, maar wat op den bodem hiervan is, is een wortel van bitterheid, die uitgedrukt moet worden, en een overblijfsel van de verdorvene natuur, dat door genade moet worden overwonnen. Het is de grote plicht der Christenen hun vijanden lief te hebben, wij kunnen gene heusheid of inschikkelijkheid hebben voor de openbaar goddelozen en onheiligen, noch vertrouwen stellen in iemand, dien wij als bedrieglijk hebben leren kennen, ook kunnen wij niet ieder even lief hebben, maar wij moeten eerbied betonen voor de menselijke natuur, en in zo ver "een iegelijk eren", dat wij met genoegen opmerken hetgeen beminnenswaardig en loffelijk is ook in onze vijanden, zoals oprechtheid, een goed humeur, geleerdheid, zedelijke deugd, vriendelijkheid voor anderen, het belijden van den Godsdienst, enz. en dit in hen liefhebben, hoewel zij onze vijanden zijn. Wij moeten medelijden met, en welwillendheid voor, hen hebben. Hier wordt ons gezegd:
1. Dat wij goed van hen moeten spreken. Zegent ze, die u vervloeken, Als wij tot hen spreken, moeten wij hun smaad beantwoorden met vriendelijke, beleefde woorden, en geen schelden met schelden vergelden. Achter hun' rug moeten wij in hen loven wat loffelijk is, en als wij al het goed van hen gezegd hebben, dat wij kunnen, niet haastig zijn om nog iets anders te zeggen. Zie 1 Petrus 3:9. Zij, op wier tong de wet der vriendelijkheid is, kunnen goede woorden geven aan hen, van wie zij boze woorden ontvangen. 2. Dat wij hun wel moeten doen: "Doet wel degenen, die u haten, en dat zal nog een beter bewijs van liefde zijn dan goede woorden. Weest bereid hun al de wezenlijke vriendelijkheid te bewijzen, die gij kunt, en weest blijde met de gelegenheid om het te doen, in hun lichaam, hun bezittingen, hun naam, hun gezin, en bovenal, goed te doen aan hun ziel." Van Aartsbisschop Cranmer heeft men gezegd, dat het middel om hem te vriend te maken was hem kwaad te berokkenen, zo velen waren er, die hem een ondienst deden, en aan wie hij goede diensten bewees.
3. Wij moeten voor hen bidden, Bidt voor degenen, die u haten, die u geweld doen, en die u vervolgen.
a. Het is voor de uitnemendste heiligen niets nieuws, dat zij door slechte mensen gehaat, en vervloekt, en vervolgd en geweld aangedaan worden, Christus zelf is aldus door hen behandeld.
b. Als wij ooit zulk ene behandeling ondervinden, dan hebben wij de gelegenheid om te tonen, dat wij ons naar het voorschrift en het voorbeeld van Christus gedragen, door te bidden voor hen, die ons dit aandoen. Als wij op gene andere wijze van onze liefde voor hen kunnen getuigen, dan kunnen wij het zonder praalvertoon op die wijze doen, en hierin zullen wij gewis niet durven veinzen. Wij moeten bidden, dat God hun zal vergeven, dat het hun nooit slecht zal gaan om hetgeen zij tegen ons gedaan hebben, en dat Hij hen neige om in vrede met ons te leven. en dit is een middel om hen er toe te brengen. In zijne Laconische Apophthegmen verhaalt Plutarchus van Aristo: Toen iemand het gezegde prees van Cleomenes, die, op de vraag: wat een goed koning behoort te doen, antwoordde: Goed aan zijne vrienden, en kwaad aan zijne vijanden, zei: Hoe veel beter is het goed te doen aan onze vrienden, en van onze vijanden vrienden te maken. Dat is vurige kolen op hun hoofd hopen. Om aan dit gebod van onze vijanden lief te hebben, (dat zo hard schijnt) kracht bij te zetten, worden hier twee redenen opgegeven. Wij moeten het doen: Opdat wij mogen wezen gelijk God, onze Vader, "opdat gij u bewijst kinderen te zijn van uwen Vader, die in de hemelen is." Kunnen wij naar een beter voorbeeld schrijven? Het is een voorbeeld, waarin liefde tot de ergste vijanden verzoend en bestaanbaar is met oneindige reinheid en heiligheid. God doet Zijne zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, vers 45. Merk op, ten eerste: Zonneschijn en regen zijn grote weldaden in de wereld, en zij komen van God. Het is Zijne zon, die schijnt, en de regen wordt door Hem gezonden. Zij komen niet "natuurlijkerwijze", of "bij geval", maar van God. Ten tweede, gewone zegeningen moeten gewaardeerd worden als voorbeelden en bewijzen van de goedheid Gods, die er zich een milddadig weldoener in betoont van de wereld en van het menselijk geslacht, die zonder deze gunstbewijzen gans ellendig zouden zijn, en ze toch ten enenmale onwaardig zijn. Ten derde. Deze gaven van Gods gewone voorzienigheid worden zonder onderscheid toebedeeld aan goeden en bozen, aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zodat wij gene liefde en haat kunnen onderkennen uit hetgeen voor ogen is, maar aan hetgeen binnen in ons is, niet aan het schijnen der zon boven ons hoofd, maar aan het opkomen van de Zon der gerechtigheid in ons hart. Ten vierde. De slechtste mensen delen met anderen in de gemakken en genoegens van dit leven, hoewel zij er misbruik van maken, en tegen God strijden met Zijne eigene wapenen, hetwelk een verbazend voorbeeld is van Gods geduld en goedertierenheid. Het was slechts eenmaal, dat God Zijne zon verbood om over de Egyptenaren te schijnen, toen er bij de Israëlieten licht was in hun woningen, God zou iedere dag zulk een onderscheid kunnen maken. Ten vijfde. De gaven van Gods milddadigheid aan slechte mensen, die in opstand zijn tegen Hem, leren ons wel te doen aan degenen, die ons haten, inzonderheid, als wij daarbij bedenken, dat wij, hoewel er in ons een vleselijk hart is, dat in vijandschap is tegen God, toch delen in Zijne milddadigheid. Ten zesde. Alleen diegenen zullen als kinderen Gods worden erkend en aangenomen, die Hem gelijken, inzonderheid in Zijne goedheid.
c. Opdat wij hierin anderen zullen overtreffen, vers 46, 47. Ten eerste. Tollenaren hebben hun vrienden lief. De natuur neigt hen er toe, hun eigenbelang dringt hen er toe. Wel te doen aan hen, die ons weldoen, is gewone menselijkheid, waarvan zelfs zij, die door de Joden gehaat en veracht werden, even goede bewijzen konden leveren als de besten van hen. De tollenaren waren gene mensen, die een goeden naam hadden, maar toch waren zij dankbaar aan de zulke, die hen aan hun betrekking hadden geholpen, en beleefd jegens hen, van wie zij afhankelijk waren: en zullen wij dan niet meer en beter zijn dan zij? Door dit te doen, dienen wij ons zelven en gaan te rade met ons eigenbelang, en welk loon kunnen wij daar nu voor verwachten, tenzij eerbied voor God en het gevoel van plicht ons verder doen gaan dan natuurlijke neiging en eigenbelang? Ten tweede. Daarom moeten wij onze vijanden liefhebben ten einde hen te overtreffen. Indien wij Farizeeën en schriftgeleerden moeten overtreffen, hoeveel te meer dan niet tollenaren! Het Christendom is nog iets meer dan menselijkheid. Het is een ernstige vraag, en die wij dikwijls ons zelven doen moeten: "Wat doen wij meer dan anderen? Wat uitstekends wordt door ons verricht? Wij weten meer dan anderen, wij spreken meer dan anderen van de dingen Gods, wij belijden en hebben meer beloofd dan anderen, God heeft meer voor ons gedaan, en verwacht dus met recht van ons meer dan van anderen, de ere Gods betreft ons meer dan anderen, maar wat doen wij meer dan anderen? Waarin leven wij boven den maatstaf van de kinderen dezer wereld? Zijn wij niet vleselijk? En wandelen wij niet als mensen die beneden de hoedanigheid van Christenen zijn? Hierin inzonderheid moeten wij meer doen dan anderen, dat, terwijl iedereen goed met goed zal vergelden, wij kwaad met goed moeten vergelden, en dit zal van een edeler beginsel spreken, en naar een hogeren maatstaf zijn, dan waarnaar de meeste mensen handelen. Anderen groeten hun broeders, zij omhelzen die van hun eigene partij zijn, van hun eigene wijze van doen, en die hun meningen delen, maar wij moeten onze schuld en liefde niet aldus beperken, maar onze vijanden liefhebben, want anders: wat loon hebben wij? Wij kunnen het loon van Christenen niet verwachten, indien wij in deugd ons niet boven het peil van tollenaren verheffen. Zij, die een loon boven anderen wensen, moeten er zich op toeleggen meer dan anderen te doen. Eindelijk. Onze Heiland besluit dit onderwerp met deze vermaning, vers 48. Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. Hetgeen verstaan kan worden:
1. In het algemeen, al deze dingen omvattende, waarin wij navolgers Gods moeten zijn als geliefde kinderen. Het is de plicht van Christenen volmaaktheid in genade en heiligheid te wensen, haar na te jagen, er naar te streven, Filippenzen 3:12-14. En hierin moeten wij ons beijveren om ons te richten naar het voorbeeld van onzen hemelsen Vader. 1 Petrus 1:15, 16.
2. In de bijzondere aangelegenheid, die reeds genoemd is, van wèl te doen aan onze vijanden, zie Lukas 6:36. Het is Gods volmaaktheid beledigingen te vergeven en vreemdelingen te onthalen, en aan bozen en ondankbaren wel te doen, en het zal onze volmaaktheid zijn Hem hierin gelijk te wezen. Wij, die zo veel, ja ons alles verschuldigd zijn aan de Goddelijke milddadigheid, behoren haar zoveel wij kunnen na te volgen.