Mattheus 1:1-17
Betreffende het geslachtsregister van onze Zaligmaker:
I. De titel ervan. Het is het boek (of het bericht, de opgave, zoals soms de betekenis is van het Hebreeuwse woord Sefer, een boek) des geslachts van Jezus Christus, of Zijn voorouders naar het vlees, of: Het is het verhaal van Zijn geboorte. Het is een boek Genesis. Het Oude Testament begint met het boek van de wording der wereld, maar de heerlijkheid van het Nieuwe Testament is hierin voortreffelijker, dat het begint met het boek der voortbrenging van Hem, die de wereld gemaakt heeft. Als God zijn Zijn uitgangen van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha 5:1) en kan niemand die voortbrenging verklaren, maar als mens, is Hij in de volheid des tijds uitgezonden, geworden uit een vrouw. Het is deze voortbrenging (of wording) die hier verhaald wordt.
II. Het voornaamste doel er van. Het is geen eindeloze, onnodige ijdele of snoevende stamboom, zoals bij grote mannen normaal is. Stemmata, quid faciunt? Van welk nut zijn oude stambomen? Het is als een stamboom, die als bewijs wordt aangevoerd van een recht of aanspraak op iets. Het doel is: te bewijzen, dat onze Heere Jezus, de Zoon van David en de zoon van Abraham is, tot het volk en geslacht behoort, waaruit de Messias zou voortkomen. Abraham en David waren in hun tijd de grote bewaarders van de belofte betreffende den Messias. De belofte van de zegen was gegeven aan Abraham en zijn zaad, van de heerschappij aan David en zijn zaad, en zij die deel willen hebben in Christus, als de Zoon van Abraham in wie alle geslachten der aarde gezegend zullen worden, moeten getrouwe, aanhankelijke onderdanen zijn van Hem als Zoon van David, door wie alle geslachten der aarde geregeerd zullen worden. Aan Abraham was beloofd, dat Christus uit hem zou voortkomen (Genesis 12:3, 22:18) en aan David, dat Hij, van hem zou afstammen (2 Samuël 7:12, Psalm 89:4 enz., 132:11), Tenzij bewezen kan worden, dat Jezus een Zoon van David en een Zoon van Abraham is, kunnen wij Hem niet als de Messias erkennen. Dit is bewezen uit de authentieke registers van de wapenkoning. De Joden waren uiterst nauwkeurig in het bewaren en bijhouden van hun geslachtsregisters. Door Gods voorzienigheid is dit geleid, teneinde de afstamming van de Messias van de vaderen duidelijk in het licht te stellen. Sedert Zijn komst is dat volk zo verstrooid en vermengd, dat het de vraag is of iemand ter wereld het wettig bewijs kan leveren een Zoon van Abraham te zijn, hoe dit zij, zeker is het, dat niemand kan bewijzen een zoon van Aäron of een Zoon van David te zijn, zodat het ambt van priester en van koning of opgegeven moet worden, als voor altijd verloren, of in de handen van onze Heere Jezus worden gelegd. Christus wordt hier voor de eerste maal de Zoon van David genoemd, omdat van Hem gewoonlijk onder die benaming gesproken werd en Hij als zodanig onder de Joden werd verwacht. Zij, die Hem erkennen als de Christus, hebben Hem de Zoon van David genoemd, Hoofdstuk 15:22, 20:31, 21:15. Dit nu is het wat de evangelist op zich neemt te bewijzen, n.l. dat Hij niet alleen een Zoon van David is, maar die Zoon van David, op Wiens schouders de heerschappij zal zijn. Niet slechts een zoon van Abraham, maar die Zoon van Abraham, die de Vader van vele volken zal worden. Door Christus de Zoon van David en de Zoon van Abraham te noemen, toont hij, dat God getrouw is aan Zijn belofte en ieder woord, dat Hij gesproken heeft, waar zal zijn. En dat: I. Hoewel de vervulling lang uitgesteld is. Toen God aan Abraham een zoon beloofde, die de grote zegen, het heil der wereld wezen zou, had hij misschien verwacht, dat dit de zoon zou zijn, die hem stond geboren te worden, maar het bleek dat in een tijdsverloop van omstreeks 2000 jaren tweeënveertig geslachten zouden komen en gaan eer die Zoon geboren werd. Zo lang vooruit kan God voorzeggen wat er geschieden zal en zo lang duurt het soms eer God de belofte vervult. Het lange vertoeven eer de beloofde zegeningen daar zijn, kan dus wel ons geduld op de proef stellen, maar Gods belofte niet verzwakken
II. Hoewel het wanhopig schijnt, dat ze ooit vervuld zal worden. Deze Zoon van David en Zoon van Abraham, die de glorie zou zijn van het huis Zijns Vaders, werd geboren, toen het zaad van Abraham een veracht volk was, kort te voren onderworpen en schatplichtig gemaakt aan Rome, Het huis van David stond in geen aanzien meer, want Christus moest een wortel uit dorre aarde zijn. Gods tijd voor de vervulling van de belofte is daar, als het, naar de mens gesproken, totaal onwaarschijnlijk is geworden.
III. De bijzondere reeksen ervan, in rechte lijn van Abraham af, overeenkomstig de geslachtsregisters, vermeld in het begin van de Boeken Kronieken (zover als die gaan) en waarvan wij hier het nut zien.
Er zijn in deze geslachtslijst enige bijzonderheden op te merken. 1. Onder de voorvaderen van Christus, die broeders hadden, was het meestal de jongste broeder, van wie Hij afstamde, zoals Abraham zelf, Jacob, Juda, David, Nathan, en Rhesa jongere broeders waren, om aan te tonen, dat de voortreffelijkheid en voorrang van Christus niet bestaat in het eerstgeboorterecht van Zijn voorouders, zoals dit bij aardse vorsten het geval is, maar in de wil van God, die, overeenkomstig de methode van Zijn voorzienigheid nederigen verhoogt, en overvloediger eer geeft aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft.
2. Onder de zonen van Jacob, wordt behalve nog aan Juda, uit wie de Silo is voortgekomen, aandacht geschonken aan zijn broeders: Judas en zijn broeders. Geen melding wordt gemaakt van Ismael, de zoon van Abraham, of van Ezau, de zoon van Izaak, omdat zij buiten de kerk gesloten waren, alhoewel al de kinderen van Jacob er in opgenomen waren en hoewel zij geen stamvaders van Christus zijn geweest, waren zij toch patriarchen van de kerk (Handelingen 7:8), zodat zij in deze geslachtslijst genoemd worden ter bemoediging van de twaalf stammen in de verstrooiing, te kennen gevende dat zij deel hebben aan Christus en evengoed als Juda in betrekking tot Hem staan.
3. Evenzo zijn ook Fares en Zara, de tweelingzonen van Juda, beiden genoemd (hoewel alleen Fares een voorvader van Christus is geweest) om dezelfde reden als waarom de broeders van Juda vermeld worden. Sommigen denken, dat dit ook was, omdat in de geboorte van Fares en Zara iets allegorisch geweest is. Zara heeft eerst zijn hand uitgestoken, maar trok haar weer terug, en daarom verkreeg Fares het eerstgeboorterecht. Evenals Zara heeft de Joodse Kerk het eerst de hand naar het recht van eerstgeboorte uitgestrekt, maar door ongeloof die hand terugtrekkende, brak de kerk der volken, evenals Zara, door, en verkreeg het geboorterecht, en aldus is de verharding voor een deel over Israël gekomen, tot de volheid der Heidenen zal ingegaan zijn en dan zal Zara geboren worden, en zal geheel Israël zalig worden. Romeinen 11:25, 26.
4. Er worden vier vrouwen-slechts vier-in deze geslachtslijst genoemd. Twee van hen waren oorspronkelijk vervreemd van het burgerschap Israël's, Rachab (een Kanaänietische en tevens een hoer) en Ruth (de Moabietische). Want in Jezus Christus is er noch Griek noch Jood. De vreemdelingen en bijwoners zijn in Christus welkom tot het burgerschap der heiligen. De andere twee waren overspelers, Thamar en Bathseba, hetgeen wederom een teken van vernedering was dat aan onze Heere Jezus was gesteld, immers niet alleen is Hij van deze afgestamd, maar wordt ook nog eens zeer in het bijzonder gewezen in Zijn geslachtslijst. Er wordt geen sluier over geworpen. Hij is in de gelijkheid des zondigen vlezes gekomen (Romeinen 8:3) en doet zelfs grote zondaars, op berouw en bekering, in innige betrekking tot Zich komen. Hierbij merken wij op, dat wij de mensen nooit de schande van hun voorouders moeten verwijten. Het is iets, waaraan zij onschuldig zijn en niet kunnen verhelpen. Het is het lot geweest van de besten, ook van onze Heere en Meester zelf. David gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest, dit wordt vermeld om aan te tonen, dat het er zo ver vandaan was, dat David's misdaad, waarvan hij berouw had en waarover hij zich voor de Heere had verootmoedigd, verhinderde, dat hem de belofte gegeven werd, dat het de Heere behaagd heeft haar juist door deze vrouw te vervullen.
5. Hoewel hier diverse koningen vermeld worden, wordt geen van allen, behalve David, uitdrukkelijk koning genoemd (vers 6). David den koning, omdat met hem het verbond van het koningschap gemaakt was en aan hem de belofte van het koninkrijk van de Messias gegeven werd, die daarom gezegd wordt, den troon Zijns vaders David's te beërven, Lukas 1:32.
6. In de stamboom van de koningen van Juda zijn er tussen Joram en Ozias (vers 8) drie uitgelaten, n.l. Ahazia, Joas en Amazia. Daarom, als er gezegd wordt: Joram gewon Ozías, dan wordt overeenkomstig het Hebreeuwse taaleigen bedoeld dat Ozías in rechte lijn van hem afstamde. Gelijk gezegd is tot Hizkia, dat de zonen, die uit hem zouden voortkomen, naar Babel gevoerd zouden worden, terwijl er toch tussen hem en hen nog enkele geslachten waren. Het was geen vergissing of vergeetachtigheid, dat deze drie werden weggelaten. Waarschijnlijk waren zij al reeds weggelaten uit de geslachtsregisters, die de evangelist had geraadpleegd en toen als authentiek hebben gegolden. Sommigen verklaren: -Daar het Mattheus' bedoeling was om, ter wille van het geheugen, het getal van Christus' voorouders op driemaal veertien terug te brengen, was het nodig, dat er uit dit tijdperk drie weggelaten zouden worden en daartoe waren zij, die de onmiddellijke afstammelingen van de vervloekte Athalia waren het meest geschikt. Athalia had de afgoderij van Achab in het huis van David ingevoerd, zodat dit brandmerk op het geslacht was gedrukt. De ongerechtigheid wordt bezocht tot in het derde en vierde geslacht. Twee van deze drie waren afvalligen en op zulke plaatst God gewoonlijk het teken van Zijn misnoegen in deze wereld. Alle drie zijn een geweldadige dood gestorven.
7. Sommigen merken op welk een vermenging van goed en kwaad er in deze reeks van elkaar opvolgende koningen is geweest. Bijv. (vers 7-8): De goddeloze Rehabeam gewon de goddeloze Abia, de goddeloze Abia gewon de godvruchtigen Asa, de Godvruchtige Asa gewon de Godvruchtige Josafat, de Godvruchtige Josafat gewon de goddeloze Joram. Genade is geen erfgoed, evenmin als heersende zonde. De genade is van God en Hij schenkt of onthoudt haar naar het Hem behaagt.8. Als een merkwaardig tijdperk wordt van de Babylonische gevangenschap melding gemaakt, vers 11 en 12. Als men alles nagaat, was het een wonder dat de Joden in de ballingschap niet verloren zijn geraakt, zoals dit met andere natiën is geschied. Dit geeft de reden te kennen, waarom de stroom van dit volk rein en zuiver door die dode zee zou blijven vloeien, n.l. dat uit hen, wat het vlees aangaat, Christus zou komen. Verderf ze niet, want er is een zegen in, die zegen der zegeningen n.l. Christus zelf, Jesaja 65:8, 9. Het was met het oog op Hem, dat zij weer hersteld zijn en dat Gods aangezicht lichtte over het heiligdom, dat verwoest was, om des Heren wil. Daniël 9:17.
9. Van Josias wordt gezegd, dat hij gewon Jechonias, en zijn broeders (vers 11). Met Jechonias wordt hier Jojakim bedoeld, die de eerstgeborene was van Josias. Als (in vers 12) gezegd wordt, dat Jechonias gewon Saláthiël dan was deze Jechonias de zoon van die Jojakim, die naar Babel werd gevoerd en aldaar gewon hij Salathiël, en als Jechonias gezegd wordt kinderloos te zijn aangeschreven (Jeremia 22:30), dan wordt dit aldus verklaard: Niemand uit zijn zaad zal voorspoedig zijn. Van Salathiël wordt hier gezegd Zorobabel te hebben gewonnen, terwijl Salathiël Padája gewon en deze Zorobabel gewon (1 Kronieken 3:19). Maar, gelijk te voren, wordt de kleinzoon dikwijls zoon genoemd. Waarschijnlijk is Padája nog tijdens het leven van zijn vader gestorven en zo werd zijn zoon Zorobabel de zoon van Salathiël genoemd.
10. De stamboom daalt af, niet tot aan Maria, de moeder van onze Heere, maar tot Jozef, de man van Maria (vers 16), want de Joden hebben altijd hun geslachtsregisters in de mannelijke lijn gehouden. Doch Maria was van dezelfde stam en hetzelfde geslacht als Jozef, zodat Hij zowel door Zijn moeder als door Zijn vermeende vader uit het huis van David was. Hier wordt Jozef vermeld, tot wie Hij naar het vlees in geen betrekking stond, ten einde aan te tonen, dat het rijk van de Messias niet op natuurlijke afkomst van David gegrond is.
11. Het middelpunt, waarin al de lijnen samenkomen, is Jezus, gezegd Christus, vers 16. Dat is Hij, die zo vurig begeerd en met zoveel ongeduld verwacht werd. Op wie de patriarchen het oog hadden toen zij naar kinderen verlangden, ten einde de eer te hebben van in die heilige geslachtslijn te worden opgenomen. Geloofd zij God, wij bevinden ons thans niet in zulk een donkere, nevelachtige toestand als zij, maar helder en duidelijk aanschouwen wij wat deze profeten en koningen als door een spiegel in een duistere rede gezien hebben. Wij kunnen, indien wij het niet door onze eigen schuld beletten, een grotere eer deelachtig worden, dan die zij zo zeer begeerd hebben, want zij, die de wil van God doen, staan in eervoller betrekking tot Christus dan zij, die naar het vlees aan Hem verwant waren, 12:50. Jezus wordt Christus genoemd, dat is: de Gezalfde. De Hebreeuwse naam Messias heeft dezelfde betekenis. Hij wordt Messias, de Vorst genoemd (Daniël 9:25) en ook dikwijls Gods Gezalfde (Psalm 2:2). In die hoedanigheid werd Hij verwacht: Zijt Gij de Christus -de Gezalfde? David, de koning, werd gezalfd (1 Samuël 16:13). Evenals ook Aäron de priester (Leviticus 8:12 en Elisa, de profeet (1 Koningen 19:16) en Jesaja, de profeet (Jesaja 61:1). Christus, gesteld en bevoegd tot al deze ambten, wordt daarom de Gezalfde genoemd-gezalfd met vreugdeolie boven Zijn medegenoten en naar deze Zijn naam, die als een uitgestorte zalf is, worden al Zijn volgelingen Christenen genoemd, want ook zij hebben de zalving ontvangen.
Tot slot. Het kort begrip van geheel dit geslachtsregister hebben wij in vers 17, waar het is samengevat in drie maal veertien, die elk een merkwaardig tijdperk aanduiden. In het eerste veertiental hebben wij de opkomst van het geslacht van David, als de morgenstond. In het tweede veertiental, zien wij het bloeien en schitteren in middagglans. In het derde veertiental hebben wij het verval en voortdurende afname, totdat dit geslacht geslonken is tot het gezin van een arme timmerman. Dan komt Christus te voorschijn als de heerlijkheid van Zijn volk Israël.