Markus 9:1-13
Hier is:
I. Ene voorzegging van de zeer nabij zijnde komst van Christus' koninkrijk met kracht, vers 1. Die voorzegging luidt:
1. Dat het koninkrijk Gods zal komen, en zo zal komen, dat het zal worden gezien. Het koninkrijk van den Messias zal in de wereld opgericht worden door den algehelen ondergang van den Joodsen staat, die daarvoor in den weg stond. Dit was de wederoprichting van het koninkrijk Gods onder de mensen, dat door de treurige ontaarding van Joden zowel als van heidenen, in zekeren zin verloren was gegaan.
2. Dat het komen zou met kracht, zodat het zich zelven den weg zou banen, en allen tegenstand teniet zou maken. Het is gekomen met kracht, toen wrake geschiedde over de Joden wegens hun kruisigen van Christus, en toen het de afgoderij der heidenwereld overwon.
3. Dat het zou komen, terwijl sommigen, met wie Christus nu sprak, nog in leven zouden zijn, Er zijn sommigen van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, voordat zij het gezien hebben. Dit komt overeen met Mattheus 24:34. Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. Zij, die daar met Christus stonden, zullen het zien, als de anderen het niet als het koninkrijk Gods kunnen onderscheiden, omdat het niet komt met uiterlijk gelaat.
II. Een voorbeeld, of proeve, van dat koninkrijk in de gedaanteverandering van Christus, zes dagen nadat Hij deze voorzegging gedaan had. Hij was begonnen Zijn discipelen kennis te geven van den dood en het lijden, die Hem wachtten, en om hun geërgerd worden daaraan te voorkomen, geeft Hij hun een blik op Zijne heerlijkheid, om te tonen dat Hij dit lijden vrijwillig zou ondergaan, en alzo ook de ergernis van het kruis bij hen te voorkomen.
1. Het was op de kruin van een hogen berg, gelijk de omgang van Mozes met God op den berg Sinaï, en zijn gezicht op Kanaän van den top van den Pisga. Volgens de overlevering was het op den top van den berg Tabor, dat Christus van gedaante werd veranderd, en indien dit zo is, dan is hiermede de Schrift vervuld geworden: Tabor en Hermon juichen in uwen naam, Psalm 89:13. Maar Dr. Ligtfoot, opmerkende dat de laatste plaats, waar wij Christus aantroffen, in de delen van Cesarea Filippi was, hetwelk ver was van den berg Tabor, is van mening, dat het veeleer een hoge berg was, door Josephus genoemd als nabij Cesarea.
2. De getuigen er van waren Petrus, Jakobus en Johannes, dat zijn de drie, die dit getuigen op de aarde, gelijk Mozes, Elia en de stem van den hemel de drie waren, die getuigen van boven. Christus heeft niet al de discipelen medegenomen, omdat de zaak nog niet bekend gemaakt moest worden. Gelijk er onderscheidende gunsten zijn, die gegeven worden aan de discipelen, en niet aan de wereld, zo zijn er ook gunsten, die aan sommige discipelen verleend worden, en niet aan andere. Al de heiligen zijn een volk, dat nabij Christus is, maar aan sommigen werd het vergund aan te zitten in Zijn schoot. Jakobus was van de twaalven de eerste, die voor Christus gestorven is, en Johannes heeft hen allen overleefd, om de laatste getuige te zijn van Zijne heerlijkheid. Hij heeft getuigd, Johannes 1:14 :Wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, zo ook Petrus, 2 Petrus 1:16-18. 3. De wijze, waarop die verheerlijking plaatshad: Hij werd voor hen van gedaante veranderd, Hij verscheen in een anderen vorm en gestalte dan anders. Dit was ene verandering van het bijkomstige, het wezen bleef hetzelfde, en het was een wonder. Maar transubstantie, dat is: de verandering der substantie, al het bijkomende gelijk blijvende, is geen wonder, maar een bedrog, zulk een werk, als nooit door Christus gewrocht werd. Zie welk een grote verandering het menselijk lichaam kan ondergaan, als God het wil eren, zoals Hij het lichaam der heiligen zal eren bij de opstanding. Hij werd voor hen van gedaante veranderd, de verandering waarschijnlijk langzaam en trapsgewijze plaatshebbende, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zodat de discipelen, die al dien tijd het oog op Hem gericht hielden, het duidelijkste en onmiskenbaarste bewijs hadden, dat deze heerlijke verschijning geen andere was dan de gezegende Jezus zelf, en dat er geen zinsbedrog plaatshad. Johannes schijnt hierop te wijzen, 1 Johannes 1, als hij spreekt van het woord des levens, als van hetgeen zij hadden gezien met hun ogen, en aanschouwd hebben. Zijne klederen werden blinkende, zodat zij, hoewel waarschijnlijk van een sombere kleur, indien niet geheel zwart, nu toch zeer wit werden als sneeuw, veel witter dan de kunst des vollers ze gemaakt zou kunnen hebben.
4. Zijne metgezellen in de heerlijkheid waren Mozes en Elia. Zij spraken met Jezus, zij waren niet verschenen om Hem te onderwijzen, maar om voor Hem te getuigen, en door Hem onderwezen te worden, waaruit blijkt dat de verheerlijkte heiligen met elkaar spreken en met elkaar omgaan. Zij hebben een manier van met elkaar te spreken, die wij niet begrijpen. Mozes en Elia hebben in ver van elkaar verwijderde tijdperken op aarde geleefd, maar dat maakt geen verschil in den hemel, waar de eersten de laatsten zijn, en de laatsten de eersten, dat is, waar zij allen een zijn in Christus.
5. De grote zielsverlustiging van de discipelen in dit gezicht en het horen van die gesprekken wordt uitgedrukt door Petrus, die de mond, de woordvoerder was der overigen. Hij zei: Rabbi! het is goed, dat wij hier zijn, vers 5. Hoewel Christus van gedaante was veranderd, en in gesprek was met Mozes en Elia, gaf Hij Petrus toch verlof om tot Hem te spreken, en even vrij en gemeenzaam met Hem te zijn als tevoren. In Zijne verhoging en heerlijkheid vermindert onze Heere Jezus Zijn neerbuigende vriendelijkheid niet jegens Zijn volk. Er zijn velen die, als zij tot hoog aanzien zijn gekomen, hun vrienden verplichten zich op een afstand te houden, maar zelfs tot den verheerlijkten Jezus hebben de ware gelovigen toegang met vrijmoedigheid en ook vrijmoedigheid van spreken. Zelfs in dit hemelse gesprek kon Petrus ook nog een woord plaatsen, en het is dit: Heere! het is goed, dat wij hier zijn, het is goed voor ons hier te zijn, laat ons hier tabernakelen maken, laat dit hier onze voortdurende rust zijn. Godvruchtige zielen achten, dat het hun goed is in gemeenschap te zijn met Christus, goed om nabij Hem te wezen, goed om met Hem te wezen op den berg, hoewel het daar eenzaam is en koud, het is goed om hier te zijn, afgezonderd van de wereld en alleen met Christus, en als het goed is om met Christus te zijn, slechts van gedaante veranderd op een berg met Mozes en Elia, hoe goed zal het dan niet wezen om te zijn met Christus, verheerlijkt in den hemel met al de heiligen! Doch merk op: terwijl Petrus er voor was om hier te blijven, vergat hij hoe nodig de tegenwoordigheid van Christus en de prediking Zijner apostelen waren onder het volk. Op dien eigen ogenblik hadden de andere discipelen Hem zeer grotelijks van node, vers 14. Als het wèl is met ons, dan zijn wij maar al te zeer geneigd om anderen te vergeten, en in de volheid onzer genietingen onverschillig te zijn omtrent de ontberingen onzer broederen. Het was een zwakheid in Petrus om de bijzondere gemeenschapsoefening met God te verkiezen boven openbaar dienstbetoon. Paulus is gewillig in het vlees te blijven, veeleer dan heen te gaan naar den berg der heerlijkheid (hoewel dit veel beter was) als hij ziet dat dit voor de gemeente nodig is, Filippenzen 1:24, 25. Petrus sprak van drie onderscheidene tabernakelen te maken, voor Mozes, Elia en Christus, hetgeen niet goed bedacht was, want er is zulk ene eenheid en overeenstemming tussen de wet, de profeten en het Evangelie, dat een tabernakel genoeg is, zij wonen eendrachtig tezamen. Maar wat er nu ook voor onbestaanbaars was in hetgeen hij zei, en hoe ongepast dit ook was, hij is te verontschuldigen, want allen waren zij zeer bevreesd, en wat hem betrof, hij wist niet wat hij zeggen zou, vers 6 1), niet wetende wat het doel was dezer verheerlijking, of wat er het gevolg van zijn zou.
6. De stem, die van den hemel kwam, was een getuigenis voor Christus' middelaarschap, vers 7. Er kwam ene wolk, die hen overschaduwde en hun ene beschutting was. Petrus had gesproken van tabernakelen te maken voor Christus en Zijne vrienden, maar zie hoe, terwijl hij nog sprak, zijn plan gans onnodig werd, want deze wolk diende hun tot beschutting in plaats van de tabernakelen, Jesaja 4:5. Terwijl hij sprak van zijne tabernakelen, schiep God Zijn tabernakel niet met handen gemaakt. Uit die wolk nu-die slechts de schaduw was van de hoogwaardige heerlijkheid waarvan Petrus spreekt, en van waar deze stem kwam-werd gezegd: Deze is Mijn geliefde Zoon: hoort Hem! God erkent Hem en neemt Hem aan als Zijn Zoon, Zijn geliefden Zoon, en Hij is bereid ons aan te nemen in Hem. Wij moeten Hem dus aannemen als onzen geliefden Zaligmaker, en ons door Hem laten besturen en regeren.
7. Het visioen, slechts bestemd zijnde om de stem in te leiden, is, toen die stem geschied was, verdwenen, vers 8. Haastelijk - of plotselijk-rondom ziende, als mensen, die verbaasd rondzagen waar zij waren, was alles verdwenen, zij zagen niemand meer. Elia en Mozes waren uit het gezicht verdwenen, en Jezus alleen bleef bij hen, niet van gedaante veranderd, maar met Zijn gewone voorkomen. Als buitengewone blijdschap en vertroosting de ziel verlaten, dan verlaat Jezus haar niet. Hoewel de meer merkbare en zielverrukkende mededelingen worden onthouden, hebben Christus' discipelen Zijn gewone tegenwoordigheid toch altijd, en zullen haar blijven hebben tot aan het einde der wereld, en die is het, waarop wij moeten rekenen en waarvan wij ons verzekerd kunnen houden. Laat ons God danken voor het dagelijks brood, en, zolang wij nog niet in den hemel zijn, geen voortdurend feestmaal verwachten.
8. Wij hebben nu het gesprek van Christus met Zijne discipelen, terwijl zij afkomen van den berg.
a. Hij gelastte hun die zaak zeer geheim te houden, totdat Hij opgestaan zou zijn uit de doden, waarmee het volkomen bewijs zou geleverd zijn van Zijn Goddelijke zending, en dan moet deze omstandigheid met al het overige van het bewijs bekend gemaakt worden, vers 9. Daarenboven, nu nog in een staat van vernedering zijnde, wilde Hij dat in het openbaar niets bekend zou worden, dat met dien staat niet in overeenstemming was, want daarnaar wilde Hij zich thans in alles schikken. Dit bevel om te zwijgen aan Zijne discipelen, zou hun ook nuttig wezen, om hun roemen op de gemeenzaamheid, die hun door Hem was toegestaan, te voorkomen, opdat zij zich niet door de uitnemendheid der openbaringen zouden verheffen. Het is vernederend voor den mens, dat hem ten opzichte van zijne bevordering of verheffing het zwijgen is opgelegd, en dit kan medewerken om hem voor hoogmoed te bewaren.
b. De discipelen hadden er geen begrip van wat de opstanding uit de doden kon betekenen. Zij konden zich niet voorstellen, dat de Messias zou sterven, Lukas 18:34, en daarom waren zij bereid te denken, dat de opstanding, waarvan Hij spreekt, zinnebeeldig was, Zijne opstanding uit Zijn tegenwoordigen staat van geringheid en vernedering, tot de waardigheid en de heerschappij, die zij verwachtten. Maar indien dit zo is, dan is hier nog een andere zaak, die hen in verlegenheid brengt, vers 11.
Waarom zeggen de schriftgeleerden dat, naar de orde gesteld in de profetieën van het Oude Testament, Elia eerst komen moet? Maar Elia en ook Mozes waren weggegaan. Wat nu de moeilijkheid opwierp, was dat de schriftgeleerden hun leerden den persoon van Elia te verwachten, terwijl de profetie bedoelde iemand in den geest en de kracht van Elia. Het misverstaan der Schrift is een groot beletsel voor het begrijpen en aannemen der waarheid.
c. Christus gaf hun den sleutel tot de profetie betreffende Elia, vers 12, 13. Er is wel geprofeteerd, dat Elia zal komen en alles weder oprichten zal, en-hoewel gij het niet zult verstaan-er is ook geprofeteerd van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden, een smaad van mensen zal zijn en veracht bij het volk. En hoewel de schriftgeleerden u dit niet zeggen, de Schriften zeggen het wèl, en gij hebt evenveel reden om dit als het andere te verwachten, en dit moest niet zo vreemd voor u wezen. Maar wat Elia betreft, Ik zeg u dat hij gekomen is, en zo gij een weinig nadenkt, zult gij begrijpen wie ik bedoel. Het is iemand aan wie zij gedaan hebben alles wat zij gewild hebben, hetgeen volkomen sloeg op de mishandeling, die zij Johannes de Doper hadden aangedaan. Velen van de ouden, en de Roomse schrijvers in het algemeen, zijn van mening, dat behalve de komst van Johannes de Doper in den geest van Elia, hijzelf in eigen persoon te wachten is met Henoch, voor de tweede verschijning van Christus, waarin de profetie van Maleachi dan een vollediger vervulling zal hebben, dan zij in Johannes de Doper gehad heeft. Maar dit is een denkbeeld, waarvoor geen grond bestaat. De ware Elia, zowel als de ware Messias, is gekomen, en wij moeten geen anderen verwachten. De woorden: gelijk van hem geschreven is, hebben geen betrekking op: zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben (dat hier als tussenzin voorkomt). Zij zien slechts op zijne komst. Hij is gekomen, en is geweest, en heeft gedaan gelijk van hem geschreven is.