Markus 8:10-21
Nog altijd is Christus op weg. Thans bezoekt Hij de delen van Dalmanutha, opdat geen hoekje van het land Israël's kunne zeggen, Zijne tegenwoordigheid te hebben moeten ontberen. Hij kwam er in een schip, vers 10, dewijl Hij daar echter wel gelegenheid had tot twistgesprekken, maar niet om goed te doen, ging Hij wederom in het schip, vers 13, en keerde terug. In deze verzen wordt ons verhaald:
I. Hoe Hij weigerde de Farizeeën ter wille te zijn, die Hem om een teken van den hemel vroegen. Zij gingen uit om met Hem te twisten, niet om van Hem te leren, maar om Hem strikvragen te doen.
1. Zij begeerden van Hem een teken van den hemel, alsof de tekenen, die Hij hun gaf op aarde, met welke zij meer gemeenzaam waren, en die beter door hen onderzocht en nagegaan konden worden, niet voldoende waren. Er was een teken van den hemel bij Zijn doop in de nederdaling van de duive en de stem, die gehoord werd, Mattheus 3:16, 17. Dat teken was openbaar genoeg, en als zij tot den doop van Johannes waren gekomen, gelijk zij hadden behoren te doen, dan zouden zij het ook zelf gezien hebben. Later, toen Hij aan het kruis was genageld, schreven zij een nieuw teken voor: Dat hij nu afkome van het kruis, en wij zullen hem geloven. Zo zal het hardnekkig ongeloof wel altijd iets hebben te zeggen, al is het ook nog zo onredelijk. Zij vroegen om dit teken Hem verzoekende, niet in de hoop dat Hij het hun zou geven, maar in de hoop dat Hij het hun niet zou geven, ten einde een voorwendsel te hebben voor hun ongeloof.
2. Hij weigerde hun verzoek. Hij zuchtte zwaarlijk in Zijn geest, vers 12. Hij steunde of kermde- gelijk sommigen dit woord verstaan-smart gevoelende om de hardheid van hun hart en den weinigen invloed, dien Zijne prediking en Zijne wonderen op hen hadden uitgeoefend. Het ongeloof van hen, die gedurende langen tijd de middelen der overtuiging gehad hebben, is een grote smart voor den Heere Jezus, het ontroert Hem dat zondaren zich zelven aldus tekortdoen en verderven, en zelven de deur der genade en der zaligheid voor zich toesluiten.
a. Hij bestraft hen om dien eis, Wat begeert dit geslacht een teken, dit geslacht, hetwelk zo onwaardig is, dat hun het Evangelie gebracht wordt en dat dit van enig teken voor hen zou vergezeld gaan, dit geslacht, dat zo geredelijk instemt met de inzettingen der ouden, zonder dat daar enig teken ter bevestiging bij geschiedt, dit geslacht, dat, zo het slechts de tijden wilde berekenen, bepaald in het Oude Testament, gemakkelijk kon bemerken, dat in zijn tijd de Messias komen moest, dit geslacht, waaraan zo vele en zo merkbare tekenen gegeven waren in de genezing zijner kranken? Hoe onzinnig, hoe ongerijmd is het van hen, om een teken te begeren!
b. Hij weigert te antwoorden op hun eis, Voorwaar Ik zeg u: zo aan dit geslacht een teken -een zodanig teken-gegeven zal worden. Als God sprak tot bijzondere personen over een bijzondere zaak, die buiten den weg Zijner gewone beschikking lag, dan werden zij aangemoedigd om een teken te vragen, zoals Gideon en Ahaz, maar als hij in het algemeen en tot allen spreekt, zoals in de wet en in het Evangelie, dan is het aanmatigend om andere tekenen voor te schrijven, dan die Hij heeft gegeven. Zal men God wetenschap leren? Hij ontzei het hun, en toen verliet Hij hen, als mensen met wie men niet kon redeneren. Indien zij niet overtuigd willen wezen, dan zullen zij het niet wezen, laat hen over aan de kracht der dwaling, aan het bedrog en de inbeelding van hun eigen hart.
II. Hoe Hij Zijne discipelen waarschuwde tegen den zuurdesem der Farizeeën en van Herodes. Merk hier op:
1. Waarin de waarschuwing bestond, vers 15, Ziet toe, wacht u voor den zuurdesem der Farizeeën, " wacht u voor de inzetting der ouden, waaraan zij zo gehecht zijn, opdat gij niet trots en geveinsd wordt en aan uitwendige plechtigheden blijft hangen zoals zij." Mattheus voegt er bij: en der Sadduceeën, Markus voegt er bij: en van Herodes, waaruit sommigen opmaken, dat Herodes en zijne hovelingen over het algemeen Sadduceeën waren, dat is: Deïsten of mensen zonder Godsdienst. Anderen geven er dien zin aan: De Farizeeën begeerden een teken van den hemel, en Herodes was van overlang begerig geweest een wonder te zien, door Christus gewrocht, Lukas 23:8, een wonder, zoals hij het zou voorschrijven, zodat de zuurdesem van die beiden gelijk was. Zij waren niet tevreden met de tekenen, die zij hadden, zij wilden anderen, zoals zij ze zelven uitdachten. Wacht u voor dezen zuurdesem, zegt Christus, "weest overtuigd door de wonderen, die gij gezien hebt, en verlangt geen andere."
2. Hoe zij die waarschuwing misverstonden. Het schijnt dat zij, toen zij ditmaal in zee staken, vergeten hadden brood mede te nemen, zodat zij niet dan een brood met zich in het schip hadden, vers 14. Toen Christus hun nu zei, dat zij zich moesten wachten voor den zuurdesem der Farizeeën, beschouwden zij dit als een wenk, dat zij zich niet om hulp of onderstand tot de Farizeeën moesten wenden als zij aan de overzijde zouden gekomen zijn, daar dezen zich nog onlangs aan hen geërgerd hadden wegens hun eten met ongewassen handen. Zij overlegden onder elkaar, wat de bedoeling dezer waarschuwing was, en zij kwamen tot de gevolgtrekking: Het is omdat wij geen broden hebben, "Hij zei dit om ons onze zorgeloosheid te verwijten, dat wij naar zee gingen en onder vreemden, met niet meer dan een brood. Hij wil ons eigenlijk te kennen geven, dat wij nu op rantsoen gesteld moeten worden." Zij overlegden onder elkaar, zij twistten er over, de een zei: Het was uwe schuld, en de ander zei: het was uwe schuld, dat wij zo slecht voorzien zijn voor deze reis. Door wantrouwen van God ontstaat twist onder Christus' discipelen.
3. De bestraffing, die Christus hun gaf wegens hun verlegenheid over die zaak, daar hieruit ongeloof sprak in Zijne macht om in hun behoefte te voorzien, in weerwil van de rijke ervaring, die zij daarvan hadden. Die bestraffing was wel enigszins scherp, want Hij kende hun hart, en Hij wist dat zij zodanige bestraffing nodig hadden. "Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, wat u zo menigmaal reeds gebleken is? Hebt gij nog uw verharde hart, zodat niets indruk op u maakt, en gij u niet onderwerpt aan, of niet instemt met, uws Meesters bedoelingen?" Ogen hebbende, ziet gij niet wat u toch zo duidelijk voor ogen is? Oren hebbende, hoort gij niet wat u toch zo dikwijls gezegd is? Hoe stompzinnig en verstandeloos zijt gij toch! Gedenkt gij niet wat nog zo kort geleden geschied is, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, en kort daarna de zeven onder de vier duizend mannen? Gedenkt gij niet hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? Ja, zij herinnerden het zich en konden zeggen, dat zij de ene maal twaalf volle manden opnamen en de andere maal zeven. Welnu dan, zegt Hij, hoe verstaat gij niet? Alsof Hij, die vijf broden en zeven broden vermenigvuldigde, niet ook een brood kon vermenigvuldigen. Zij schenen te denken, dat dit ene brood geen materiaal genoeg was om op te werken, indien Hij Zijne hoorders voor de derde maal zou willen spijzigen, en indien zij die gedachte hadden, dan was zij voorzeker gans onzinnig, alsof het voor den Heere niet volkomen gelijk was om door velen of door weinigen te verlossen, en niet even gemakkelijk om vijf duizend mannen te voeden met een brood als met vijf broden. Het was dus gepast om hen te herinneren niet slechts aan het genoegzame, maar aan den overvloed van die vorige maaltijden, en terecht werden zij bestraft wegens hun niet verstaan van hetgeen Christus bedoelde, en wat zij er uit te leren hadden. De ervaring, die wij hebben gehad van Gods goedheid over ons in den weg des plichts, verzwaart de zonde van ons wantrouwen van Hem, en is dus zeer tergend voor den Heere Jezus. Ons niet verstaan van de ware bedoeling en betekenis van Gods gunst over ons staat gelijk met een niet gedenken er van. Dat is de reden, waarom wij zo overstelpt zijn door onze tegenwoordige zorgen en ons mistrouwen, dat wij niet verstaan en niet gedenken wat wij geweten en gezien hebben van de macht en de goedheid van onzen Heere Jezus. Het zou ons grotelijks ondersteunen, als wij de dagen vanouds overdachten, en wij komen tekort in onzen plicht jegens God en ons zelven, zo wij het niet doen. Als wij aldus de werken Gods vergeten en Hem wantrouwen, dan behoren wij er ons zelven streng om te bestraffen, zoals Christus hier Zijne discipelen bestraft heeft: Versta ik niet? Is mijn hart nog zo verhard?