Markus 3:22-30
I. Hier is het onbeschaamde, goddeloze brandmerk, dat de schriftgeleerden Christus poogden in te drukken met hun lasterlijke aantijging, dat Christus duivelen uitwierp door een verbond met den overste der duivelen, ten einde een voorwendsel te hebben om niet in Hem te geloven. Deze schriftgeleerden waren afgekomen van Jeruzalem, vers 22. Zij schijnen die lange reis ondernomen te hebben met het doel om den voortgang van Christus' leer te stuiten. Zoveel moeite gaven zij zich om kwaad te doen, en komende van Jeruzalem, waar de meest-beschaafde en geleerde schriftgeleerden waren, en waar zij alle gelegenheid hadden om samen te beraadslagen tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde, hadden zij ook zoveel te meer macht om kwaad te doen. De vermaardheid van Jeruzalemse schriftgeleerden zou invloed uitoefenen, niet slechts op het landvolk, maar ook op de schriftgeleerden in de provincie. Deze hebben nooit die lage vermoedens gehad omtrent Christus' wonderen, voordat de schriftgeleerden van Jeruzalem hun dit denkbeeld hadden ingeblazen. Zij konden niet ontkennen dat Hij duivelen uitwierp, waaruit duidelijk bleek dat Hij van God was gezonden, maar zij gaven te kennen dat Hij Beëlzebub aan Zijne zijde had, in verbond met hem was, en dat Hij dus door den overste der duivelen de duivelen uitwierp. Hierbij is list in het spel: Satan wordt niet uitgeworpen, hij gaat slechts uit met zijn eigen toestemming. Er was in de wijze, waarop Christus de duivelen uitwierp, niets dat aanleiding kon geven tot dit vermoeden, Hij deed het als machthebbende, maar zo willen zij het doen voorkomen, die besloten zijn niet in Hem te geloven.
II. Christus beantwoordt deze beschuldiging door er het ongerijmde van aan te tonen.
1. Satan is zo listig dat hij wel nooit vrijwillig uit zal gaan uit een door hem bezetene. Als Satan den Satan uitwerpt, dan is zijn koninkrijk tegen zichzelf verdeeld, en kan dus niet bestaan, vers 23-26. Hij riep hen tot zich, als iemand die begerig is hen te overtuigen. Hij behandelde hen met vrijmoedigheid, vriendelijkheid en gemeenzaamheid, Hij verwaardigde zich de zaak met hen te beredeneren, opdat alle mond gestopt worde. Het was duidelijk, dat de leer van Christus krijg voerde tegen het rijk des duivels, en de onmiddellijke strekking had zijne macht te verbreken en zijn invloed op de zielen der mensen te vernietigen. En even duidelijk was het, dat het uitwerpen van hem uit het lichaam der mensen die leer bevestigde, en daarom kan men zich niet voorstellen, dat hij met zulk een plan zou instemmen, want ieder weet, dat Satan geen dwaas is en niet in strijd zal handelen met zijn eigen belangen.
2. Christus is zo wijs, dat Hij, in oorlog met hem zijnde, zijne macht zal aanvallen overal waar Hij haar ontmoet, hetzij in het lichaam of in de ziel der mensen, vers 27. Het is duidelijk Christus' plan om in het huis des sterken in te gaan, bezit te nemen van hetgeen daar is, hem zijne vaten te ontroven, en ze tot Zijn eigen doeleinden te gebruiken. Daarom is het natuurlijk te veronderstellen, dat hij den sterke eerst zal binden, hem zal verbieden te spreken, als hij dit zou willen, en aldus te tonen, dat Hij de overwinning over hem behaald heeft.
III. De ontzaglijke waarschuwing, die Christus hun geeft om zich wel te bedenken, eer zij zulke gevaarlijke woorden spraken. Hoe licht zij die ook beschouwden als slechts gissingen te zijn en de taal der vrije gedachte, zo zij er in volharden, zullen zij hun noodlottig wezen, want het zal blijken de zonde te wezen, die niet vergeven kan worden. Immers, hou zouden zij bij mogelijkheid tot berouw en bekering gebracht kunnen worden voor hun zonde van Christus te lasteren, die zulk een sterk middel ter overtuiging afwijzen met zo zwak een uitvlucht? Het is waar, het Evangelie belooft vergeving voor de grootste zonden en zondaars, omdat Christus haar verkregen heeft door Zijn bloed, vers 28. Velen van hen, die Christus lasterden aan het kruis, (welke lastering van den Zoon des mensen in de hoogste mate verzwaard was) hebben genade gevonden, en Christus zelf heeft gebeden: Vader, vergeef hun, maar dit was een lasteren van den Heiligen Geest, want het was door den Heiligen Geest, dat Hij duivelen uitwierp, en zij zeiden, dat Hij het deed door den onreinen geest, vers 30. Op deze wijze wilden zij de overtuiging tenietdoen van alle gaven des Heiligen Geestes na Christus' hemelvaart, waarna er dan geen bewijs overbleef, daarom zouden zij nooit vergeving ontvangen, maar waren zij der eeuwige verdoemenis onderworpen. Zij waren dus in onmiddellijk gevaar van die eeuwige straf, waaraan gene ontkoming is, waarvoor gene voorbede gedaan en gene kwijtschelding verleend kan worden.