Markus 2:1-12
Nadat Christus nu gedurende enigen tijd buiten op het land gepredikt had, keerde Hij terug naar Kapernaum, waar nu, om zo te zeggen, zijn hoofdkwartier gevestigd was, en Hij verschijnt er in de hoop, dat de grote volksmenigte nu wat afgenomen zou zijn, en er minder over Hem gesproken zou worden. Merk nu op:
I. Den groten toeloop tot Hem. Hoewel Hij in huis was, hetzij in het huis van Petrus of in Zijn eigen gehuurde woning, toch kwamen de lieden tot Hem, zodra het gehoord werd dat Hij in de stad was. Zij wachtten niet totdat Hij in de synagoge zou komen, zij konden er zeker van zijn, dat Hij daar op den sabbatdag zou verschijnen, maar terstond vergaderden daar velen tot Hem. Waar de koning is, daar is het hof, waar de Silo is, daar worden de volken tot Hem vergaderd. Als wij gebruik willen maken van de gelegenheden om een zegen te verkrijgen voor onze ziel, dan moeten wij geen tijd laten verloren gaan. De een nodigde den ander uit (Kom, laat ons gaan om Jezus te zien), zodat Zijn huis de bezoekers niet kon bevatten. Ook zelfs de plaatsen omtrent de deur konden hen niet meer bevatten, zo talrijk waren zij. Een heerlijk gezicht, om de mensen aldus te zien komen gevlogen als ene wolk naar het huis van Christus, hoewel dit slechts armoedig was, en als duiven tot hare vensters!
II. Het goede onthaal, dat Christus hun gaf, met het beste dat er in Zijn huis was, en beter dan enig huis bevatten kon: Hij sprak het woord tot hen. Velen van hen kwamen wellicht alleen om ene genezing te verkrijgen, en vele anderen uit blote nieuwsgierigheid, om Hem eens te zien, maar toen Hij hen allen bij elkaar had, predikte Hij voor hen. Hoewel de deur der synagoge op geschikte tijden voor Hem open was, vond Hij het volstrekt niet te onpas om op een weekdag in een huis te prediken, hoewel sommigen zowel tijd als plaats ongeschikt en ongepast zouden vinden. Welgelukzalig zijt gijlieden, die aan alle wateren zaait, Jesaja 32:20.
III. Het brengen tot Hem van den geraakte om door Hem genezen te worden. De patiënt was een geraakte, maar het schijnt, niet als de persoon, van wie gesproken wordt in Mattheus 8:6, die zware pijnen leed, maar geheel onmachtig om zich te bewegen, zodat hij door vier personen op ene baar gedragen werd. Het was zijne ellende, dat hij aldus gedragen moest worden, en toont den rampzaligen toestand van het menselijk leven, het was hun barmhartigheid, dat zij hem droegen, en toont het mededogen, dat men met recht verwachten kan, dat de mensen hun medeschepselen in zodanige beproeving zullen betonen, want wie weet, hoe spoedig eenzelfde ramp ons kan treffen. Deze welwillende bloedverwanten of naburen dachten dat, zo zij dien armen mens slechts eenmaal naar Christus heen konden dragen, zij hem daarna wel nooit meer zouden behoeven te dragen, en daarom hebben zij zich veel moeite gegeven om hem tot Christus te brengen, en toen zij dit op geen andere wijze konden doen, hebben zij het dak opengebroken, waar Hij was, vers 4. Ik zie niet, dat het nodig is hier uit af te leiden, dat Christus in ene opperzaal predikte, hoewel de Joden, die statige huizen bezaten, daar wel hun bidvertrek hadden, want waartoe zou de menigte dan voor de deur gestaan hebben? Ik vermoed veeleer dat het huis, waarin Hij zich bevond, zo klein was en zo gering (in overeenstemming met Zijn tegenwoordigen staat), dat er gene opperzaal in was, maar dat de kamer gelijkvloers open was naar het dak. Deze smekelingen ten behoeve van den armen verlamde, het besluit nemende om niet teleurgesteld heen te gaan, hebben hun vriend, toen zij niet tot de deur konden doordringen, op de ene of andere wijze op het dak gekregen, hebben er toen enige stenen van weggebroken, en hem op zijn bed met touwen neergelaten in het huis, waar Christus predikte. Hieruit sprak hun geloof en hun ijver in hun verzoek tot Christus. Hieruit bleek dat zij ernstig en vast besloten waren, en niet weg wilden gaan, en Christus niet wilden laten gaan zonder een zegen van Hem te ontvangen, Genesis 32:26. IV, Het vriendelijke woord van Christus tot dezen armen zieke. Hij zag hun geloof, wellicht niet zozeer het geloof van den zieke, want zijne kwaal hinderde hem in de oefening des geloofs, maar dat van hen, die hem brachten. Den dienstknecht van den overste over honderd genezende, merkte Christus het aan als een voorbeeld van zijn geloof, dat hij hem niet tot Christus bracht, maar geloofde dat Hij hem ook op een afstand kon genezen. Hier prees Hij hun geloof, wijl zij hun vriend in weerwil van zo grote moeilijkheden tot Hem brachten. Waar geloof en krachtig geloof kan zich op verschillende wijze uiten, soms de tegenwerpingen overwinnende van het verstand, soms van de zintuigen, maar op wat wijze het zich ook openbaart, het zal door Jezus Christus worden aangenomen en goedgekeurd. Christus zei: Zoon! uwe zonden zijn u vergeven. Die wijze van den zieke aan te spreken is zeer teder, -Zoon, een vaderlijke zorg voor en belangstelling in hem te kennen gevende. Christus erkent ware gelovigen als Zijne zonen, Zijne kinderen, een zoon, en toch ziek door verlamming. Hierin gedraagt zich God jegens u als zonen. De hartsterking is uitnemend: Uwe zonden zijn u vergeven. Zonde is de oorzaak van al onze smarten en krankheden. Het woord van Christus moest zijne gedachten afleiden van de ziekte, die het gevolg was, en bepalen bij de zonde, die de oorzaak was, opdat hij hieromtrent ernstiger bezorgd zou zijn, en hierover vergeving zou zoeken te verkrijgen. God neemt genadiglijk den angel, het kwaadaardige uit onze ziekte weg, als Hij de zonde vergeeft. Herstel uit ziekte is een ware genade als er de weg door wordt bereid voor de vergeving der zonde, Jesaja 38:17, Psalm 103:3.. Het middel om de uitwerking weg te nemen is, de oorzaak weg te nemen. Vergeving van zonde tast den wortel aan van alle krankheden, en zal ze of genezen, of er de hoedanigheid van veranderen.
V. De vitterij der schriftgeleerden op hetgeen Christus zei, en het duidelijk aantonen van het onredelijke in hun vittende aanmerking. Zij waren uitleggers van de wet, en hun leer was waar - namelijk dat het Godslastering is, als een schepsel zich aanmatigt de zonden te vergeven, dat dit het kroonrecht Gods is, Jesaja 43:25. Maar gelijk het gewoonlijk gaat met zulke leraren, hun toepassing van die leer was vals en was het gevolg van hun onwetendheid en van hun vijandschap tegen Christus. Het is waar. Niemand kan de zonden vergeven dan God alleen, maar het is vals, dat Christus het dus niet kan, daar Hij overvloedige bewijzen Zijner Goddelijke macht had gegeven. Maar Christus bekende terstond in Zijn geest, dat zij alzo in zich zelven overdachten. Dit bewijst dat Hij God is, en bevestigde dus hetgeen bewezen moest worden, namelijk dat Hij macht had de zonden te vergeven, want Hij doorgrondde het hart en wist wat er in den mens is, Openbaring 2:23. De koninklijke eigenschappen Gods zijn onafscheidelijk, Hij, die de gedachten kon kennen, kon ook de zonden vergeven. Dit verheerlijkt Christus' genade in het vergeven van zonde, dat Hij de gedachten der mensen kende, en daarom meer wist dan een ander weten kon van de zondigheid hunner zonde en de bijzonderheden er van, en toch bereid is ze te vergeven. Nu bewijst Hij Zijne macht om de zonde te vergeven, door Zijne macht te tonen om den geraakte te genezen, vers 9-11. Hij zou niet voorgewend hebben het ene te doen, indien Hij niet ook het andere kon doen. Opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen, de Messias, macht heeft om de zonden op de aarde te vergeven, dat Ik dus die macht heb, (zei Hij tot den geraakte) Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op. Nu was dit:
1. Een gepast argument op zichzelf. Hij zou de ziekte, die het uitwerksel was, niet hebben kunnen genezen, indien Hij de zonde niet had kunnen wegnemen, die er de oorzaak van was. Daarenboven was Zijne genezing van krankheden een beeld van Zijne vergeving van zonde, want zonde is de ziekte der ziel, als zij vergeving heeft erlangd, is zij genezen. Hij, die door een woord het teken kon tot stand brengen, kon ongetwijfeld ook de zaak tot stand brengen, die er door werd voorgesteld.
2. Het was gepast voor hen. Deze vleselijk-gezinde schriftgeleerden zouden meer getroffen worden door zulk een gepaste uitwerking der vergeving als de genezing der ziekte was, en er eerder door overtuigd worden, dan door andere, meer geestelijke, gevolgen. Daarom was het juist en gepast om die vraag tot hen te richten, of het lichter is te zeggen: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Het wegnemen der straf als zodanig was de kwijtschelding der zonde. Hij, die zo ver kan gaan in de genezing, kon haar ook ongetwijfeld voltooien, Jesaja 33:24.
VI. De genezing van den zieke, en de indruk er door teweeggebracht op het volk, vers 12. Hij stond niet alleen op van zijn bed, volmaakt wel, maar, om te tonen dat de krachten hem volkomen teruggegeven waren, nam hij zijn bed op, omdat dit in den weg lag, en ging uit in aller tegenwoordigheid, zodat zij zich allen ontzetten -en wèl mochten zij dat-en verheerlijkten God, zeggende, Wij hebben nooit zulks gezien, nooit tevoren zijn in onzen tijd zulke wonderen geschied. Christus' werken zijn zonder voorbeeld. Als wij zien wat Hij doet in de genezing der zielen, dan moeten wij erkennen dat wij zulks nooit gezien hebben.